Op een gure dag, die nu in de verte van mijn herinnering ligt, riep mijn vader mij naar zijn studeerkamer. Hij wilde met mij spreken over iets zwaars, zo zei hij met een zucht. Dat maakte me zenuwachtiger hing een zekere spanning in de lucht. In de woonkamer wachtte een vrouw, onbekend en toch vreemd vertrouwd.
Mijn hele jeugd draaide om mijn vader, Pieter van Lier, die me heeft opgevoed na dat mijn moeder, Janna, ons kort na mijn geboorte verliet. Hij had altijd geweigerd opnieuw te trouwenbang voor een herhaling van het verdriet dat hem al eens had getroffen. Het leven was geen gemakkelijke metgezel voor mijn vader geweest, en ik wilde als jong meisje snel volwassen worden om hem bij te kunnen staan en mijn eigen steentje bij te dragen.
Omdat onze geldzaken niet rooskleurig waren, begon ik al op mijn vijftiende te werken. Eerst schreef ik korte stukjes voor de plaatselijke krant in Haarlem, drie jaar later vond ik een betere betrekking. Na nog enkele jaren kreeg ik een kantoorbaan in Amsterdam; daarmee kon ik niet alleen mezelf onderhouden, maar ook mijn vader wat rust geven. Tot op die dag dat hij me weer om een serieus gesprek vroeg. Diezelfde zenuwen staken opnieuw de kop op. In de woonkamer zat een vrouw, naar het schijnt mijn moeder.
Zodra ik binnenkwam, barstte zij in tranen uit, bood haar verontschuldigingen aan en wilde me stevig omhelzen. Maar ik verstijfde, ik kon de stap niet maken haar te omarmen. Zachtjes maakte ik me los uit haar greep en verliet zonder één woord de kamer, de volwassenen alleen latend met hun verdriet. Ik besloot dat het aan mijn vader was om met deze situatie om te gaan zoals hij nodig achtte. Hoe zou ik iemand kunnen vergeven die ons zonder blikken of blozen heeft achtergelaten? Iemand die in al die jaren niet de moeite nam mij zelfs met mijn verjaardag te feliciteren? De wonden uit die tijd dragen nog steeds het stempel van gemis, iets wat alleen de tijd misschien ooit zou kunnen verzachten.






