Hij schreef niet Gisteren zette Iris haar telefoon op het luidst. Gewoon, voor het geval dat. Al wist ze eigenlijk allang: hij zou niet appen. Het gevoel was als lucht vlak voor een Hollands onweer — zwaar, loom, onafwendbaar, alsof de wolken tegen het raam drukten. Toch liet ze het geluid aan. Hoop — dat is als een oud litteken: het zeurt, maar je laat niet los. Iris stak haar haar haastig op, expres zo nonchalant dat het er natuurlijk uitzag, maar toch mooi was. Ze trok haar donkergroene jas aan — die jas waarvan hij ooit zei dat ze erin leek op het Amsterdamse Vondelpark in oktober. Sindsdien lag hij in de kast, maar nu haalde ze hem weer tevoorschijn. Haar lippen rood gestift. Veel te opvallend voor een ochtendwandelingetje naar de apotheek en de bakker. De apotheek was druk. Iemand kuchte diep in een hoek, iemand anders beklaagde zich over de prijs van medicijnen, er werd gewacht, gesnoven, gezwegen. Het rook naar kruiden en iets scherps, chemisch. Iris nam de vitamines die hij jaren terug eens had aangeraden, toen ze nog samen koffie dronken op zondagochtend. Ze bekeek het doosje, de kleine lettertjes. Houdbaar tot volgende herfst. Alsof ook hier de tijd werd afgeteld. Bij de bakker was alles zoals altijd: de jongen achter de toonbank met de molen-tattoo op zijn pols, de geur van vers brood en kaneel, oude Franse muziek uit een krakende speaker. Iris kocht een croissant met framboos — die, waarvan hij ooit had gezegd dat het smaakte naar een vrolijke ochtend in Utrecht, terwijl hij kruimels van zijn kin veegde. Ze nam er twee. Eén voor bij de thee thuis, zoals vroeger — toen alles eenvoudig leek. De ander… gewoon. Voor de zekerheid. Een stukje verleden voor in haar jaszak. Thuis viel de stilte als stof op oude boeken. Lucht die stilstond, alsof zelfs de wind haar niet wilde aanraken. Haar telefoon lag, gezicht naar beneden, op de vensterbank. Alsof het ding zich schaamde om haar blik. Geen appjes. Geen oproepen. Alsof de wereld haar gewoon was vergeten. Alsof zijzelf een schaduw was geworden in het winterlicht. Iris zette de waterkoker aan, trok haar jas langzaam uit, als om de stilte niet te storen. Ze plaatste haar schoenen keurig bij de deur en streek de kraag van haar jas glad op de kapstok. Radio 1 aan — eerst filemeldingen bij de A10, dan nieuws over winterweer, dan de aankondiging van een Rembrandt-expositie in het Rijks. Het klonk allemaal vaag, alsof het vanuit de kelder werd uitgezonden. Ze nam een slok thee — te heet, te fel. Maar ze slikte door, zonder een spier te vertrekken. Stond bij het raam, voorover tegen het koude glas. Buiten dwarrelde kille natte sneeuw: op jassen, sjaals, fietsbelletjes, meteen weggevaagd. Een jonge vader zette zijn zoon zorgzaam een muts op. Twee oude dames haakten armen, alsof hun handen in veertig jaar vergroeid waren. Iemand haastte zich over de gladde stoep, iemand anders lachte in haar telefoon. Een kind bleef even staan bij een etalage vol lichtjes. Het leven ging door — zoemt, ruist, roezemoest. Voorbij haar raam. Als de trein die vertrekt terwijl jij aarzelend op het perron achterblijft. Hij schreef niet. Maar Iris pakte de bezem en veegde de vloer, al was ze schoon. Ze belde haar tante in Haarlem, luisterde naar verhalen over de volkstuin, de buurman, het nieuwe recept voor appeltaart. Ze gaf aandacht aan haar oude cactus, controleerde voorzichtig of hij niet geel werd. Ze maakte een doktersafspraak — zo’n klusje dat ze maanden had uitgesteld. Controleerde de rekeningen; alles betaald, toch zette ze een vinkje in haar agenda. Ze waste het plaid; met extra wasverzachter zodat het huis heerlijk warm zou ruiken. ’s Avonds deed ze in elk vertrek het licht aan. Niet omdat ze bang was voor het donker, maar omdat het huis dan leefde. De ramen lichtten op; hun weerkaatsing in het natte asfalt fluisterde: hier woont iemand. Hier is leven. Iris keek naar haar spiegelbeeld in het raam en dacht: hij schreef niet. Maar ik ben er nog. Geen verontschuldiging, geen strijd. Gewoon een stille waarheid. Als een kaars die je aansteekt — niet voor iemand anders, maar voor jezelf. Om te beseffen: ik besta nog steeds.

Hij stuurde niets

Gisterenmorgen draaidde Fenne de volumeknop van haar mobiel helemaal open. Voor de zekerheid. Ze wist diep vanbinnen: hij zou niets sturen. Dat gevoel lag zwaar in de lucht, net als hoe kustmist plots over de stad roltkleverig, onvermijdelijk, als de geur van regen in de verte. Toch zette ze het geluid aan. Hoop is als een oude jaap; het doemt soms nog op, nooit echt genezen. Fenne bond haar blonde haar nonchalant op tot een rommelig knotjeachteloos, maar toch met een zachte precisie, alsof het vanzelf zo was gevallen. Ze trok haar mosgroene jas aan; precies die jas waarin hij ooit zei dat ze leek op het seizoen van het bos, herfstig, met damp op de bladeren. Sindsdien heeft ze hem amper gedragen, maar vanmorgen haalde ze het uit de kast. Haar lippen rood gestift, bijna bespottelijk fel voor zon ochtendwandeling naar de apotheek en bakker.

In de apotheek was het vreemd rumoerig. Iemand kuchte schor in een hoekje, een ouder stel bediscussieerde de prijs van maagtabletten, een jonge vrouw wiebelde van been op been, zwijgend. Het rook er naar kamille, tijm en ontsmettingsmiddel. Fenne pakte de multivitamines die hij haar ooit aanraadde, drie jaar geleden, nog in de tijd dat hun ochtenden samen roken naar vers gezette koffie. De verpakking voelde vreemd zwaar in haar hand. Houdbaar tot volgende herfst, stond eropalsof zelfs in die doos kleine maandjes werden afgeteld.

De bakker rook als altijd naar vers brood en kaneel. Achter de toonbank stond de jongen met die anker-tatoeage op zijn pols, die een zakje vlaaitjes vulde met het ritme van de jazzradio op de achtergrond. Fenne koos een frambozencroissantdezelfde waarover hij lachte: de smaak van de ochtend, en terwijl hij kruimels van zijn kin veegde, bleef dat in haar hoofd hangen. Ze nam er twee. Een voor bij de thee thuis, zoals vroeger, toen alles nog vanzelfsprekend leek. De andere zomaar. Als een kruimeltje herinnering dat je onopgemerkt in je jaszak laat verdwijnen.

Thuisgekomen bleef ze even stilstaan in de hal. Haar flat was vol van stilte, dik, bijna tastbaar als de lucht op oude boeken. Alles leek versteend; de adem in het huis hield in. De mobiel lag op de vensterbank, scherm omlaag, alsof hij haar blik wilde ontwijken. Geen meldingen. Geen telefoontje. Alsof de wereld achteloos voorbij haar deur was gelopen. Alsof zij nu niet meer dan een schim, vervagend in het kille licht van een Nederlandse ochtend, door het raam gleed.

Fenne zette de waterkoker aan, deed haar jas uittraag, alsof ieder geluid de stilte zou laten schrikken. Schoenen netjes naast elkaar, kraag recht aan de haak. De radio klonk oud en schellerig; de nieuwslezer sprak over files op de A2, toen over vrieskou in Groningen, dan een expositie in het museum van Haarlem. Alles klonk gedempt, als onder water. Ze nipte aan haar theeveel te heet, maar slikte hem in één keer door. Daarna liep ze naar het raam, voorhoofd tegen het glas.

Buiten dwarrelde sneeuwvergankelijk, scherp, het loste direct op tegen paraplus, sjaals, trottoirs. Op de stoep drukte een jonge vader de muts recht op het hoofd van zijn dochtertjevoorzichtig, met die bedachtzame tederheid die je pas met de jaren leert. Twee oude vrouwen strompelden gearmd door de sneeuw, hun grijze jassen versleten, hun handen ineen gegroeid bij elk gezamenlijk seizoen. Iemand haastte zich, glijdend over het ijzige plaveisel. Een puber lachte met zijn gezicht in het scherm van zijn telefoon. Iemand anders bleef staan, betoverd bij de etalagekerstlampjes weerkaatsten in haar bril. Het leven stroomde voorbij: uitbundig, levendig, en onverschillig. Alsof zij op een verlaten perron stond, terwijl de trein van de dag haar zonder pardon voorbij flitste.

Hij stuurde niets.

Maar Fenne pakte een bezem en veegde de vloer, al viel er amper iets te vegen. Ze belde haar tanteluisterde naar verhalen over de volkstuin, de buurman, een nieuw appeltaartrecept. Ze gaf haar oude cactus een scheut water, inspecteerde of de stekels nog frisgroen stonden. Ze maakte online een afspraak bij de huisartsiets wat ze al maanden voor zich uitschoof. Betaalde haar rekeningenalles was al in orde, toch zette ze er een groen vinkje bij in haar agenda. Ze waste haar plaid en deed extra wasverzachter erin, zodat haar huis zou ruiken naar warme vanille.

s Avonds ontstak ze in elk vertrek het licht. Niet uit angst, maar omdat alles dan voller leek; haar huis glimde naar buiten, de regen weerkaatste het helder in het asfalt. Alsof de ramen zachtjes fluisterden: hier woont iemand. Hier is leven.

Fenne keek naar haar spiegelbeeld in het donkere glas en dacht: Hij heeft niet geschreven. Maar ik, ik besta. Geen excuus, geen aanklacht. Gewoon een tedere waarheid. Als een kaars die je niet voor een ander, maar voor jezelf aansteekt. Om niet te vergeten: je bent er nog.

Rate article