Ik heb drie lange relaties gehad in mijn leven. Elke keer dacht ik dat ik ooit vader zou worden. Maar in alle drie liep ik uiteindelijk weg zodra het echt serieus werd rondom kinderen.
De eerste vrouw met wie ik samen was, was al moeder van een klein meisje. Ik was toen 27. In het begin vond ik het allemaal prima. Ik raakte gewend aan haar schema, de structuur rond haar dochtertje, de verantwoordelijkheden die erbij kwamen kijken. Maar toen we begonnen te praten over een kind van onszelf, gingen er maanden voorbij zonder dat er iets gebeurde. Zij was het eerst die naar de huisarts ging. Er bleek niets mis te zijn bij haar. Daarna vroeg ze toenemend of ik al eens bloed had laten prikken, of ik ooit onderzocht was. Ik wuifde het altijd weg: Het komt vanzelf, maak je niet druk. Maar langzaam kroop er iets in mij Irritatie, spanning. We kregen steeds vaker ruzie om de kleinste dingen. Op een ochtend besefte ik niet meer te weten hoe we hier verzeild waren geraakt. Diezelfde dag vertrok ik.
De tweede relatie was anders. Zij had geen kinderen. We waren vanaf de eerste dag open over onze wens voor een gezin. Jaren gingen voorbij, we probeerden van alles. Iedere negatieve test deed me verder in mezelf keren. Zij begon vaak zachtjes te huilen als ze dacht dat ik het niet zag. Ik ontweek steeds vaker het onderwerp. Toen ze voorstelde om samen naar een fertiliteitskliniek te gaan, reageerde ik afwijzend: Je maakt het groter dan het is. Ik kwam steeds later thuis, voelde me opgesloten, verloor langzaam mijn interesse. Na vier jaar gingen we uit elkaar.
Mijn derde partner had al twee zonen in hun puberteit. Vanaf het begin zei ze dat ze het goed vond als er geen kinderen bijkwamen. Maar het onderwerp kwam toch weer op tafel. Eigenlijk was ik degene die het aansneed. Ik wilde bewijzen dat het wél lukte. Maar opnieuw gebeurde er helemaal niets. Ik begon me een vreemde in het gezin te voelen, alsof ik een rol speelde in een leven dat niet het mijne was.
Steeds weer was het niet alleen de teleurstelling, maar vooral de angst. Angst om tegenover een arts te zitten en te horen dat ík degene was met wie iets mis was.
Ik heb mezelf nooit laten onderzoeken. Niets bevestigd of uitgesloten. Ik koos telkens de gemakkelijkste weg: vertrekken, in plaats van het te moeten horen.
Nu ben ik boven de veertig. Als ik mijn exen zie met hun gezinnen, met kinderen die nooit de mijne zullen zijn, vraag ik me wel eens af: liep ik werkelijk telkens weg omdat ik het niet meer zag zitten of omdat ik nooit de moed had om te blijven en de waarheid onder ogen te zien die ik misschien niet aankon?






