8 maart 2001
Vandaag lijkt de lucht grijzer dan anders. Terwijl ik voor het stoplicht wachtte in Amsterdam-West, realiseerde ik opnieuw hoe snel alles kan veranderen en hoeveel we als gezin toch te verstouwen hebben gehad. De dag begon als altijd hectisch, maar deze avond voelt het alsof ik voor het eerst in tijden ruimte heb voor wat terugblik.
Toen ik gister de gast meenam naar het adres dat hij doorgaf, voelde ik al dat er iets niet klopte. Hij stapte in, netjes gekleed, maar zijn ogen dwaalden onrustig. Bij aankomst trok hij niet zijn portemonnee, maar een mes. Met een schorre stem sommeerde hij me al het geld te geven en onmiddellijk uit te stappen… Maar goed, dat was pas het slot van een hele reeks gebeurtenissen.
Ik denk aan Marlies, mijn lieve vrouw, en onze kleine zoon Bastiaan. We zwaaiden mijn man, Wouter, uit op Schiphol. Hij vertrok naar Amerika, vol hoop en verwachtingen, hopend daar als microbioloog een carrière op te bouwen die ons gezin een beter leven zou bieden. Bastiaan huilde stil toen Wouter hem voor de laatste keer omhelsde. Wouter lachte door zijn tranen heen: Marlies, stel je niet zo aan. Een jaar vliegt voorbij, straks ben ik er weer! En vergeet mijn moeder niet, hè? Wandel samen, neem de honden mee, houd de boel draaiend. Kijk die beesten nou, echte waakhonden. Hij aaide zacht de koppen van Odin en Snuf, die onrustig aan zijn benen kleefden.
We zagen het vliegtuig als een zilveren pijl verdwijnen in de Hollandse wolken. Odin, onze driejarige Mechelse herder, en Snuf, het kleine bastaardje dat ik ooit uit de gracht viste, voelden meteen de leegte. Die avond kroop Odin aan mijn voeten, zijn blik vol onuitgesproken zorg. Snuf dook dicht tegen mijn zij. Bastiaan bleef in zijn kamer, stil.
Na een paar weken het huis voelde leeg, iedere echo herinnerde aan Wouter. Ik hield me vast aan het idee dat we in de zomer met zn drieën naar de volkstuin van Wouters moeder in Diemen zouden gaan. Ans kwam in de weekenden altijd logeren, hielp met de was, maakte stamppotjes fijne herinneringen aan kleine gelukjes.
We wandelden samen door het Vondelpark, bezochten familievoorstellingen in Carré, spraken eindeloos over toekomstplannen. Die zomer verhuisden we zelfs tijdelijk naar de tuin: werken in de aarde, urenlang wandelen langs de Vecht, zwemmen met Bastiaan. De honden vonden hun paradijs.
Wouter belde bijna dagelijks op: vol bewondering vertelde hij over zijn werk in Californië, het nieuwe huis dat hij op het oog had, hoeveel hij ons miste. Op een dag vroeg hij me mijn appartement te verkopen, het geld was nodig voor een aanbetaling. Ook moedigde hij aan dat Ans haar tuinhuis verkocht. Tot mijn verbazing was het appartement binnen een week verkocht, inclusief piano. Alles ging in één moeite door naar Wouters rekening in Amerika.
Die nacht, met dozen bij de deur en zenuwachtige honden om me heen, kroop er plots een onrust in mijn buik die niet meer wegging. Toch ging ik door Bastiaan, Ans en de honden rekenden immers op me.
Na de verhuizing belde Wouter steeds minder. Druk, druk, druk, zei hij. En toen gebeurde het ergste: het lab verloor zijn financiering, en daarna raakte ik ook nog mijn baan als analist kwijt. Er was nauwelijks werk, de uitkeringen kwamen laat. Ik sneed op alles, maar Odin vermagerde zichtbaar. Ans opperde te gaan schoonmaken bij een restaurant, het eten dat overbleef mocht ik meenemen voor de honden. Trots besloot ik het zelf te proberen.
Met veel moeite kwam er weer brood op de plank. s Avonds stond Odin me op te wachten bij de voordeur, vrolijk met zijn staart zwaaiend. En toen gebeurde het: in het eetcafé liet ik een ketel uit mijn hand glippen. Gebroken arm. Precies in die periode kreeg Ans hartproblemen, op de spoedeisende hulp werd ze opgenomen. En Bastiaan had een nieuwe winterjas nodig… Wanhopig belde ik Wouter. Het geld is op, klonk het kil door de telefoon. Ik stuur misschien nog wat.
Ik barstte in tranen uit. Ans sloeg haar arm om me heen (Rustig maar, meisje. We komen er samen wel uit.) en zelfs de honden kwamen hun troost brengen door dicht tegen me aan te kruipen.
Een paar dagen later kwam er tweehonderd euro per Western Union. De medicijnen, boodschappen en een jas voor Bastiaan slokten alles op. Uit wanhoop pakte ik mn oude bontmantel en sieraden en bracht ze naar de lommerd. De opbrengst was genoeg om een paar zakken brokken en een krat eten te kopen.
Toen er geen geld meer was, zei ik tegen Ans: Ik ga als taxi rijden. Ze schreeuwde het uit van angst, viel bijna van haar stoel, maar ik was vastbesloten. Odin sprong bij het zien van mn autoramen stil de achterbank op, alsof hij begreep dat we dit samen moesten doen.
De eerste nacht verdiende ik met rondjes rijden door de stad meer dan met een maand werken als analist. De volgende nacht weer. Totdat ik plots mijn oude leidinggevende als klant kreeg meneer Van Dalen. Hij was verbijsterd over mijn situatie en bood me direct een baan aan bij zijn nieuw opgestart laboratorium. Zijn kaartje zit nog altijd in mn portemonnee.
Odin kwispelde dolgelukkig toen ik thuiskwam altijd op de uitkijk als ik werkend terugkeerde. Maar voordat ik naar huis reed, pikte ik nog een passagier op. Hij zag er keurig uit, wilde maar een klein stukje mee. Toen we aankwamen, haalde hij echter een mes uit zijn jas.
Daar stond ik. Bevroren van schrik, met mijn gebroken arm in het gips roerloos aan het stuur. Maar Odin reageerde onmiddellijk: hij sprong van de achterbank, beet zich vast in de arm van de man, die gillend probeerde zich los te rukken terwijl hij wild om zich heen sloeg. Odin greep de pols met het mes, raakte zelf gewond, maar gaf niet op. Ik sloeg, zonder na te denken, de man met mijn gips recht in zijn gezicht.
Samen tuimelden ze uit de auto, en ik reed in paniek weg. Snuf lag die nacht te rillen in de gang, terwijl ik Odins snuit voorzichtig schoonmaakte en zijn wond verbond. Bastiaan sliep gelukkig door alles heen.
Sindsdien hoefden we nooit meer armoede te vrezen. Ik kreeg een contract met vastigheid, een loonsverhoging genoeg voor een tweedehands Volvo, en stabiliteit. Odin en Snuf beschermden het huis als trouwe wachters. Wouter? Zijn telefoontjes werden zeldzaam en kwamen alleen nog op verjaardagen of met kerst. Vijf jaar later overleed Ans. Haar hart begaf het, en haar laatste daden waren het huis op mijn naam zetten. Wouter liet niets van zich horen, zelfs niet bij de begrafenis.
Enkele maanden daarna klonk een opdringerige bel. Odin en Snuf stormden blaffend naar de deur. Bastiaan opende voorzichtig en daar stond Wouter, in een dure jas, brede glimlach, uitgespreide armen. Jongen, omarm je vader! bralde hij als een toneelspeler.
Bastiaan rechtte zijn rug: Mijn echte vader ken ik niet. Ik wil ook geen verrader zien. Haal mama maar. Ik kwam erbij staan, met de honden op de achtergrond als mijn eigen lijfwachten.
Ik gooide Wouter twee briefjes van honderd dollar toe, recht in zijn gezicht. Hier, we weten tenminste hoe we schulden vereffenen. In tegenstelling tot jou. Hij schreeuwde dat het huis zijn erfdeel was, zwaaide met zijn aktetas, maar Odin sprong in één beweging bovenop hem en scheurde zijn jas aan flarden, tanden blikkerend bij zijn hals. Snuf gromde en trok aan de andere mouw. Odin! Odin, jongen! Je herkent je baasje niet meer? jammerde Wouter.
Odin loste geen seconde, tot ik ze allebei naar binnen trok en de voordeur voorgoed voor Wouter dichtdeed.
P.S. Wouter Jacobs zal dit dagboek nooit onder ogen krijgen. In augustus 1998 overleed hij plotseling aan een hartstilstand in Amerika hij zag de geboorte van zijn nieuwe kind daar nooit meer. Er kwam niemand uit Nederland om afscheid te nemen op de begraafplaats in Washington D.C.






