In mijn jeugd was er thuis lang niet altijd genoeg te eten. Mijn moeder deed haar uiterste best, maar soms was het geld gewoon op en konden we zelfs geen brood betalen. Zo kwam het dat ik bijna elke dag met een lege maag en een lege tas naar school ging.
Tijdens de pauze pakte ik altijd mijn wiskundeboek uit mijn tas en deed alsof ik druk zat te studeren. Ik wilde dat de anderen dachten dat ik een ijverige leerling was, niet dat ik honger had.
Op een dag kwam de nieuwe meester naar me toe, legde zijn hand voorzichtig op mijn schouder en vroeg:
Waarom eet jij nooit iets tijdens de pauze?
Gespannen antwoordde ik snel:
Ik wil de beste van de klas worden, meester. Dus ik besteed mijn pauze liever aan oefenen.
Hij keek mij even recht aan en zei toen:
Hmm, ik begrijp het wel
Daarna liep hij weg, en ik was ervan overtuigd dat hij mijn verhaal geloofde. Dus bleef ik maar in mijn boek kijken, terwijl mijn maag knorde bij het zien van mijn klasgenoten met hun boterhammen.
Na een tijdje kwam de meester terug van de kantine. Hij legde een papieren zak op mijn tafel en zei quasi nonchalant:
Ik heb teveel gekocht, dat krijg ik nooit op. Help me een beetje.
In de zak zat een volkorenbroodje met kaas, een pakje appelsap en zelfs een appel. Een echte lunch.
In stilte knikte ik. Zodra de meester uit het zicht was, sloeg ik mijn boek dicht en begon haastig te eten, alsof ik in dagen niets gehad had.
Ik heb het hem nooit verteld. Nooit dat dat broodje die dag het enige was wat ik gegeten heb. Ook niet dat ik gelogen heb uit schaamte voor mijn situatie.
Nu, zoveel jaren later, denk ik nog vaak aan dat ontbijt. Niet omdat het nou zo bijzonder was, dat broodje met kaas of die appelsap, maar omdat iemand mijn behoefte zag en me hielp zonder vragen, zonder me voor schut te zetten, zonder eer te zoeken. Hij hielp me met respect.
Vanaf toen keek ik anders naar hem. Want ik begreep dat er mensen zijn die niet veel hoeven te zeggen om echt iets groots voor een ander te doen.





