Anna kwam elke twee dagen langs, zette eten en water naast het bed van haar moeder en vertrok vervolgens weer.

Femke kwam om de dag langs. Ze zette een bord stamppot en een glas water neer aan het uiteinde van het bed en verdween weer tussen de schaduwen van haar eigen hoofd.

Mijn buurvrouw heet Femke. Femkes moeder, Geertruida, woont sinds jaren alleen. Ooit was Geertruida beroemd in de buurt om haar krakelingen en bollen. Op zondagen vulde ze haar huis met de geur van versgebakken appeltaart, en de kinderen uit de straat mochten altijd proeven.

Femke schaamde zich heimelijk voor haar moeder. Geertruida was een boerin en sprak met een zangerig Brabantse tongval, haar handen vol eelt en haar gedachten in het ritme van seizoenen. Na het overlijden van haar man bleef ze alleen achter. Femke kwam haast nooit meer langs. Geertruida raakte haar grip op de tijd kwijt, soms fluisterde ze, tussen de vlinders op haar behang, verwarrende woorden of oude wijsheden.

Op een dag droomde Femke van haar moeder: het huis was gevuld met de geur van verbrand brood, alsof de wolken zelf waren aangebrands. Geertruida was vergeten de oven uit te zetten.

Waar ben je toch mee bezig, moeder? Je laat het huis afbranden voor een restje hutspot! schreeuwde Femke, terwijl de muren zachtjes pulseerden.
Lieve kind, het spijt me, fluisterde Geertruida, en haar excuses dwarrelden als confetti door de kamer.

Langzaam werd Geertruida steeds zwakker. Zelfs binnen haar eigen huis leek elke stap een verre reis. Eens belde ze Femke op met een stem als een riet in de wind:

Femke, mijn hart klopt als een woeste rivier, kun je bij me komen?
Denk je dat ik dokter ben? Bel 112 maar, reageerde Femke en hing op, haar vingers tintelend alsof ze de buienradar bediende.

Op een dag werd het huis een eiland. Geertruida kwam de deur niet meer uit, en Femke moest elke week haar fiets pakken door de regenstralen naar haar moeders huis. Ze kocht goedkoop eten bij de Albert Heijn, veegde een cirkel schoon om het bed, en nam de afval mee, altijd met een frons:

Hoe kan dit toch? Je bent hier alleen, maar het huis lijkt een storm na Zwarte Piet! Schaam je niet?

Meestal sloeg Femke de deur dicht en liet haar moeder achter in het wiegen van haar lakens. Uiteindelijk stond Geertruida niet eens meer op. Femke kwam nu om de dag, zette wat eten neer en verdween weer in de mist. Op een dinsdag stond Femke in het schemerlicht, maar Geertruida was niet meer onder de lakens. Het graf op het dorpskerkhof kreeg nu vaker bezoek.

Altijd, als haar schaduw langs het graf gleed, mompelde Femke:

Wat mis ik mijn lieve, dierbare moedertje! Niemand in de wereld was zo kostbaar voor mij als jij!

Maar heeft ze werkelijk alleen het goede onthouden? Is ze vergeten dat ze haar moeder vaak vergat, dat ze haar zorg ontzegde? Hoe kan het dat gemis alles overschaduwt, als een Hollandse wolk boven de polder?

Rate article