Een Op Een Kier Staande Deur Hij begreep eerst niet wat er anders was. Gewoon uit de lift gestapt op zijn vertrouwde negende verdieping, de sleutels haastig uit de jaszak gehaald, richting zijn voordeur gelopen, terwijl het geluid van champagne en huzarensalade nog na-echoot in zijn hoofd. In het trappenhuis heerste een zeldzame stilte voor oudjaarsnacht; alleen ergens een verdieping lager werd gelachen en gesmeten met deuren. Bij zijn deur stopte hij, leunde met zijn hand tegen de muur om niet langs het slot te grijpen, en pas toen viel hem een flikkerend licht op aan de zijkant. De deur van de buren – direct naast zijn eigen appartement – stond op een kier, precies een handbreedte open. In het duister van het portiek fonkelde een bont gekleurde kerstverlichting, slordig over de kapstok in hun gang gehangen, en vanuit het diepe klonk vaag een vrouwenstem met een oud Hollandse liedje over een “sneeuwvlokje, sneeuwvlokje, smelt toch niet”. Hij bleef staan, de sleutel zwevend in de lucht. Het was fris in het trappenhuis, het rook er naar iets gebakken uit een andere woning, gemengd met de geur van zijn eigen deodorant. In zijn hoofd zongen nog losse flarden van toostende vrienden: “Op gezondheid, op ons, niet te oud worden!” Het voelde daardoor ineens extra leeg. Daar, bij vrienden, was het rumoerig, krap, renden kinderen door de kamer, lanceerde iemand een vuurpijl uit het raam. Hij had gelachen, gedronken, meegeluisterd naar gesprekken over hypotheken, Spanje, verbouwingen. Om twaalf uur had iedereen geproost, gezoend, werd er gehuild na het derde glas. Daarna taxi, een korte rit door een halfverlaten stad, kerstlampjes in de bomen. En nu stond hij hier, in pijnlijke nette schoenen, met een lichte roes en een vreemde helderheid: hij kwam alleen thuis. Buren. Hun gezichten kende hij, hun namen niet. Een man van rond de zestig, grijs bij de slapen, buikje onder de trui, altijd vriendelijk knikkend in de lift. Een kleine vrouw met korte coupe, plastic boodschappentasje, altijd slepend met tassen. Ze woonden hier langer dan hij. Toen hij ruim vijftien jaar geleden introk, prijkte hun achternaam allang op het bordje naast de deur, maar verder keek hij nooit. Hallo, knikje, hier en daar een opmerking over storing van warm water. Dat was alles. Hij keek naar de kier van hun deur. Muziek klonk zachtjes. De lichtjes knipperden wat lui, alsof ze moe waren. Binnen schemerde enkel het lampje in de gang. De deur bleef onbeweeglijk. De gedachte “gewoon voorbij lopen” was de eerste en meest logische. Waarschijnlijk aan het luchten, vergeten, niet zijn zaak. Hij had zijn sleutel al bijna in het slot gestoken, toen een steek van twijfel hem raakte. Een op een kier staande deur, op zo’n nacht waar iedereen of visite heeft, of zich opsluit uit angst voor vuurwerk van anderen. Oude liedjes, zoals uit zijn jeugd. En het vreemde gevoel dat als hij nu gewoon zijn huis binnengaat, schoenen uit, herhaling van de oudejaarsconference op tv aanzet, zijn leven zo blijft: gescheiden van anderen, van andere levens, enkel door een muur. Hij haalde zijn sleutel weer eruit en luisterde. Geen stemmen, geen gelach, alleen het lied dat overging in het volgende, over een blauw treintje. Hij grimaste. Stel dat er iets is? Ze konden gevallen zijn, de deur niet gehaald… In het nieuws lees je vaak over ouderen die dagen later pas gevonden worden. Hij herinnerde zich een apotheekbezoek, kort geleden, waarbij hij de buurman medicijnen had zien halen, lang zoeken naar kleingeld, excuses aan de rij. “Nou, vooruit,” mompelde hij en zette een stap richting de deur van de buren. Hij duwde voorzichtig met zijn vingers. De deur gaf een klein beetje mee, maar bleef hangen tegen iets zachts. Door de spleet zag hij meer van de gang: een versleten deurmat, twee paar schoenen, zachte damessloffen met bont. Het rook naar gebakken kip en mandarijn, de geur was lauw maar nog aanwezig. Op de kapstok hingen jassen, de kerstverlichting bungelde aan de hangers tot bijna op de grond. — Hallo? riep hij zacht. — Eh… is er iemand thuis? Geen antwoord. De muziek speelde gewoon door, dus stroom en apparatuur werkte. Hij klopte even op de deur. — Buren, alles oké? Binnen klonk een doffe bons, voetstappen volgden. De kier werd breder en het gezicht van de vrouw des huizes verscheen: roze wangen, iets vermoeide ogen, haar feestkapsel al uitgezakt. Een glanzende trui, dun kettinkje om de hals. — Oh, zei ze en greep snel naar de deurknop om hem dicht te trekken. — Sorry, we zijn hier… Hij hief zijn handen, als ter verontschuldiging. — Ja… eh… de deur stond open. Ik dacht, je weet maar nooit. Is alles goed? Ze keek hem heel even strak aan, zag het scheve stropdas, het tasje met overgebleven salade in zijn hand en leek hem te herkennen. — Ah, van de negende, zei ze. — Ja, ja, alles goed. We hadden alleen het raampje opengezet en… Uit het huis klonk een mannelijke stem: — Wie is daar, Lid, weer vuurwerk? — De buurman, riep ze terug. — Van ons portiek. De deur bewoog, de buurman verscheen, overhemd zonder das, bovenste knoop los, glas met amberkleurig vocht in de hand. Zijn gezicht wat verkreukt, ogen helder. — Goedenavond, zei hij. — Gelukkig nieuwjaar. — Van hetzelfde, antwoordde Anton, die zich ineens realiseerde dat hij hun namen niet wist. — Ik… zag de deur op een kier en dacht misschien tocht, of dat jullie weg waren. — Nee, we… — Lida glimlachte licht, — uit gewoonte. Als ik vuilnis wegbreng, trek ik de deur nooit helemaal dicht. Nu vergat ik het. Sorry als ik je liet schrikken. Hij knikte, al op het punt zich terug te trekken. — Nou, als alles goed is, ga ik maar weer. Nogmaals… — Wacht even, zei de buurman plots. — Kom er even bij, nu je al langs kwam. Anton aarzelde. — Ik was al bij vrienden, heb gegeten, gedronken. Is misschien ongepast. — Niets ongepast, lachte hij. — Buren zijn we tenslotte. Twintig jaar knikken, nooit samen gezeten. Lida, schenken we onze buurman een borrel? Lida haalde haar schouders op, instemmend. — Kom binnen, zei ze. — Het is allemaal gewoon. Schoenen uit, kom naar de keuken. Hij keek automatisch naar zijn eigen deur — de sleutels zwaar in zijn jaszak, in de hand de tas met restsalade en ongeopende fles champagne. De stilte van zijn eigen flat voelde ineens ijskoud. — Oké dan, zei hij. — Voor even. Hij trok zijn schoenen uit, zette ze naast hun schoenen: twee paar herenlaarzen, oud maar netjes, damesschoenen, geen kinderschoenen. Het tasje nam hij onwennig mee. — Geef maar, zei Lida en nam het aan. — Wat heb je bij je? — Ach, — hij keek ongemakkelijk, — restjes salade en champagne. Niet opgedronken. — Dat komt goed uit, lachte ze. — Onze champagne is net op. Komt als geroepen. De keuken was klein, knus. Op tafel schalen met salade, haring onder jas, ham, mandarijnen. Een vaas met dennentakken, wat versieringen. Op de vensterbank een andere lichtslinger. Op een stoel zat een vrouw van vijftig, bril, zacht gezicht, turend naar haar telefoon. Lege glazen op de kruk. — Mijn zus, Tanja, stelde Lida voor. — Tanja, dit is onze buur van de negende. Hoe heet… — Anton, hielp hij. — Anton van Vliet. — Zo formeel, grijnsde de man. — Wij doen nooit aan achternamen. Ik ben Victor, — gaf hij een stevige hand. — Doe maar gewoon Anton. Handen werden geschud. Victors hand was warm, stevig, ruw. — Ga zitten, Anton, — Tanja schoof een kruk. — Lida geeft je zo een bord. Anton zat, wat onwennig. Aan de muur hing een zwart-wit foto: jonge Victor in uniform, Lida met lang haar, hand in hand met een jongen van vijf. Op de koelkast magneetjes van steden waar Anton nooit was geweest. — Nou, — Victor schonk in, — laten we drinken op het feit dat je af en toe je deur moet openen, niet altijd sluiten. Anton glimlachte. Het klonk plechtig, maar Victors stem was warm, oprecht. Ze dronken. De jenever was zachter dan verwacht, gaf gloed. In de kamer klonk muziek, nu over “drie witte paarden”. — Waar heb je gevierd? vroeg Lida, schepte salade bij. — Bij collega’s, antwoordde hij. Kinderen. Veel drukte. — Maar thuis alleen? Tanja keek hem over haar bril aan. Hij knikte, geen details. — Dochter met man in Groningen, flapte hij eruit, herinnerde zich dat hij daar niet over wilde praten. — Ze hebben daar een gezin. En ik… zo dus. — Begrijpelijk, zei Lida. Onze zoon woont in Brabant. Met de kleinkinderen naar zijn schoonfamilie. We nemen het niemand kwalijk. Victor grinnikte. — Niemand kwalijk nemen, — herhaalde hij. — Maar je ziet de kleinkinderen weinig. Ach ja. Tanja lachte wrang. — Woon je hier al lang, Anton? vroeg ze, een mandarijn schillend. — Vijftien jaar, zei hij. Sinds… — hij aarzelde, — sinds mijn scheiding. Kocht ik deze flat. — Zo, — Lida schudde het hoofd. Ik dacht altijd dat je hier pas net woonde. Je bent zo jong gebleven. Anton glimlachte. — Dankjewel. Ik ben tweeënvijftig. — Victor is tweeënzestig, — zei Tanja. — Maar noemt zichzelf nog altijd een jochie. — Dat ben ik ook, — lachte Victor, — in mijn hoofd. Ze lachten voorzichtig. Anton voelde hoe zijn schouders zich ontspanden. Hij keek rond: nette servetten, een oude maar schone tafelkleed met bietenvlek, een bordje met een koude kippenpoot, vergeten in de hoek. — Ik herinner me jou nog, — zei Lida. Jij kwam een keer met dozen vol boeken in de lift. Ik dacht: een buurman die duidelijk van lezen houdt. — Toen ik verhuisde inderdaad. Zelf alles gesjouwd. Week lang rugpijn. — En ik weet nog hoe je eens nat gesneeuwd binnenkwam, vulde Victor aan. Tien jaar terug. Je sleepte een kerstboom, vast in de deur, ik hielp toen. Anton verbaasde zich. Had zelf amper meer aan die boom gedacht. — Gek hè, — zei hij. We leven naast elkaar, kennen alleen zulke flarden. — Wat zou je nog meer moeten weten? zei Tanja. Wij leven zo. Als iedereen maar geen herrie maakt en netjes is met vuilnis. — En geen overstromingen, — voegde Victor toe. Op de zevende zitten die studenten. Die kennen we helaas te goed. Er werd gelachen over onderburen, feesten, oude buurvrouw die altijd moppert. Het gesprek kwam langzaam op gang, warmde op als thee. Anton vertelde over zijn werk, kantoor, voorzien van thuiswerken, weer terug naar kantoor. Hoe hij niet van bedrijfsborrels houdt, maar toch altijd gaat — “je moet gezien worden”. Het rare van werken met louter jonge collega’s. Victor vertelde over zijn tijd bij de fabriek, ontslag, pogingen elders, klussen om bij te verdienen. Lida vulde aan: samen naar de tuin, die ze moesten verkopen. Tanja haalde herinneringen op van oudejaarsavonden met veel gasten, als die verdwenen en niemand meer kwam door eigen gezinnen, tuinen, gewoonten. — Wij dachten altijd, — zei Lida, Anton kreeg een glas champagne van hemzelf, — dat jij een belangrijk iemand was. Netjes, altijd in pak, aktetas. — Ach, — hij lachte. — Gewoon manager. Pak vanwege de dresscode. Aktetas voor laptop. — Toch, — drong ze aan. — Je oogt als iemand die weet wat hij doet. Een moment dacht hij na. Wist hij dat echt? Hier nu, op een vreemde keuken op een feestelijke nacht, voelde hij zich iemand die per ongeluk in een ander verhaal belandde. — Wat dachten jullie dan van mij? — Ik dacht: jurist, — zei Victor. Je loopt zo zakelijk. Tanja grinnikte. — Ik dacht: leraar. Je sprak ooit een jongetje in het portiek aan, heel rustig uitgelegd dat je niet op de muur mocht tekenen. Anton herinnerde zich vaag die jongen, zoon van een buur. Hij was firm daar, rustig, en alweer vergeten. — Raar, — zei hij. We bedenken andermans levens uit flarden. — En jullie? — Lida leunde op haar hand. Hij schaamde zich, omdat hij er zelden bij stilstond. — Nou… — even stil, — Ik dacht: normaal gezin, met kinderen, kleinkinderen, samen vieren. Victor haalde adem. — Dacht je dus dat het feest was, — zei hij. Maar hier… drie man op de keuken, tv in de kamer. — En muziek, voegde Tanja toe. Zonder muziek kan ik geen oud en nieuw vieren. Even was het stil. De radio kondigde een volgend nummer aan. — Ons huis zat ooit vol, — zei Lida zacht. Zoon, zijn vrienden, ouders. We pasten niet in de keuken, tafel werd in de woonkamer gezet. Nu… iedereen weg. Ouders overleden, zoon ver weg, eigen leven. Niet erg hoor, alleen… vreemd. Anton knikte, dacht aan eigen oude feesten, toen hij nog getrouwd was. Grote tafel, schoonouders, vrienden. Na de scheiding een paar jaar zoeken, soms naar dochter, soms alleen, soms bij collega’s zodat hij niet thuis hoefde te zitten. Dit jaar koos hij vrienden, want daar was het levendig, maar soms voelde het alsof hij een gast was op andermans feest. — Toen ik vanavond wegging, — bekende hij plots, — leek het alsof ik naar een hotel liep. Eigen spullen, eigen huis — maar toch tijdelijk. — Ken ik, — knikte Tanja. Toen haar man stierf, voelde haar huis ook zo. Alles van haar, maar tijdelijk. Lida legde een hand op haar schouder. Anton voelde een brok in zijn keel. — Sorry, — zei hij. — Dat wist ik niet. — Hoe had je dat kunnen weten, — zei Tanja vriendelijk. We groeten elkaar alleen in de lift. Het gesprek ging nog lang door. De tijd strekte uit, niet ongemakkelijk maar bemoedigend. IJzige Nieuwjaarsverhalen werden gedeeld — stroomuitval in de jaren negentig, oud en nieuw met kaarsen, overstroming door buren boven. Anton had oud en nieuw ooit in de trein gevierd, proostend met plastic bekers. Schalen raakten leeg, muziek werd rustiger, buiten klonk her en der vuurwerk. Het was al na drie uur, niemand joeg hem weg. Anton voelde zich goed, niet uitbundig, maar rustiger dan bij zijn vrienden. Lida sprak over haar werk in de bibliotheek, hoe steeds minder boeken worden geleend. Victor grapte over zijn kwaaltjes, Tanja over haar werk op de boekhouding van de VvE. — Weet je, — zei Victor ineens, — ik dacht altijd dat mensen hier in huis net als in de metro zijn. Instappen, uitstappen. Maar nu, zo samen, is ouder worden minder eng. Anton grijnsde. — Eng is niet ouder worden, corrigeerde hij. Eng is alleen zijn. — Precies, — Lida knikte. Soms denk ik ’s nachts: stel dat er iets met mij gebeurt, Victor in de winkel, wie merkt dat? En jij, Anton, als er iets met jou is… wie komt langs? Hij vond niet direct een antwoord. In zijn hoofd flitsten gezichten van collega’s, vrienden, dochter. Iedereen ver weg, druk. — Niemand, — gaf hij toe. Misschien belt het werk als ik een week niet opdaag. — Zo is het, — vulde Tanja aan. Maar we zijn hier met z’n drieën op de verdieping. Het minste is telefoonnummers uitwisselen. Victor lachte. — Waar wil je heen, zus? — vroeg hij. — Gewoon, — zei ze rustig. Voor noodgevallen. Anton knikte. Nu klonk het logisch, bijna belangrijk. — Goed idee, — zei hij. Anders is het onzin. Telefoons kwamen tevoorschijn. Lida gaf haar nummer, Anton zette “Lida, buurvrouw” in zijn contacten. Victor zijn nummer, “Victor, buurman”. Tanja prees haar cijferreeks. Drie nieuwe contacten. — Jullie mijn nummer ook opschrijven, — herinnerde Anton. Als er iets is, klop maar. Lida schreef zijn mobiele nummer op een briefje, hing het op de koelkast. — Kijk, — wees ze. Nu weten we je naam, geen ‘de negende’. Rond vier uur werd iedereen loom. Lida geeuwde, Victor wreef in zijn ogen, Tanja keek vaak naar haar horloge. — Je moet maar naar huis, zei Lida. We houden je hier te lang. Anton keek op. Twintig voor vijf. Plots werd zijn lichaam zwaar, vermoeid. — Ja, waarschijnlijk wel, — zei hij. Dank voor… Hij zocht naar woorden. Voor eten, gesprek, de warme ontvangst. — Voor het gezelschap, hielp Tanja. Wij vonden het fijn. Victor stond op uit zijn stoel, wiebelend. — Kom, ik loop mee naar je deur, — zei hij. Straks raak je nog de weg kwijt in het gangpad. Ze gingen de gang in. In de kamer klonk heel zacht muziek, het lichtsnoer flikkerde nog loom, de sfeer slaperig. Anton trok zijn schoenen aan, jas dicht. Victor leunde tegen de muur. — Luister, Anton, — zei hij zacht. — Als er wat is… echt… klop gewoon. Wij zitten hier, naast je. Anton knikte. — En jullie, — zei hij. — Als er iets moet worden geregeld, gerepareerd, computerproblemen… Ik help graag. — Zo, — Victor werd wakker. — Dat komt goed uit. Onze laptop hangt steeds vast. Lida zegt dat ik hem stuk maak. — Ik mopper niet, — klonk Lida vanuit de keuken. — Ik constateer gewoon. Ze lachten. — Afgesproken, — zei Anton. — Ik kom binnenkort kijken. Victor gaf een stevige hand. — Gelukkig nieuwjaar, buur, — zei hij. — Laten we het minstens zo goed houden als vanavond. — Van hetzelfde, — zei Anton. Gelukkig nieuwjaar. Hij stapte de gang op. Hun deur viel dicht, niet langer wantrouwend. Zijn eigen deur begroette hem met vertrouwde stilte. Slot open, licht aan. Zijn appartement was precies als altijd: bank, tv, tafel met ongedronken thee. Mandarijnen op de vensterbank, lege vaas erbij. Anton hing zijn jas over de stoel. Op de keuken klonk zacht de verwarming. Hij ging op de bankrand zitten, sloot zijn ogen even. Gezichten dwarrelden door zijn gedachten: Lida, moe maar hartelijk, Victor met zijn ruwe humor, Tanja met haar begripvolle blik. Hun verhalen, gelach, verdriet. Het besef dat er al die jaren, vlak achter één muur, een andere kleine wereld leefde. Hij keek naar de muur die hun keuken scheidde van de zijne. Nu, waarschijnlijk, Lida die de tafel afruimt, Victor die muziek uitzet, Tanja die haar bed klaarmaakt. Die muur leek plots minder dik. Hij liep naar zijn keuken, dronk water, zette de beker neer zonder de kraan te laten lopen, om niemand wakker te maken. Terug op de kamer, lamp uit, ging liggen. Net voor hij in slaap viel, dacht hij: morgen iets lekkers halen bij de bakker en bij de buren aanbellen. Zomaar. Zonder aanleiding. … Drie dagen later, vroeg in de avond, bij thuiskomst rook het in het trappenhuis naar gekookte aardappelen en iets zoets. Op zijn verdieping was het stil. Terwijl hij de sleutel tevoorschijn haalde, ging de deur van de buren open. Lida, in ochtendjas, handdoek in haar hand. — O, Anton, zei ze, zonder formaliteit. — Wat leuk dat je er bent. Hij bleef staan, sleutel bij zijn deur. — Is er wat aan de hand? vroeg hij, direct alert. — Nee hoor, — ze glimlachte, — ik heb appeltaart gebakken. Je zei iets over die computer, toch? Kom je binnen? Ik heb taart. Anton voelde warmte in zijn borst. Hij knikte. — Natuurlijk, — zei hij. — Ik leg mijn tas alleen even neer. Hij zette zijn tas binnen, nog jas aan, liep terug naar Lida. Zij hield een schaal met taart vast, geur van warme appel en deeg. — Kom binnen, zei ze. Victor moppert alweer op de laptop. Hij stapte over de drempel. De kerstverlichting hing nog aan de kapstok, uitgeschakeld. Geen muziek, huiselijk alledaags. Maar Anton wist: de deur, op die ene oudejaarsnacht op een kier gezet, zou niet zomaar meer dichtgaan. Hij glimlachte en liep mee naar de keuken.

Half Open Deur

Hij had het eerst niet door, wat er precies anders was. Hij kwam uit de lift op zijn vertrouwde negende verdieping, tastte automatisch in zijn jaszak naar zijn sleutels, en liep naar zijn voordeur, zijn hoofd zoemend van de cava en huzarensalade. In het trappenhuis hing die zeldzame, stille sfeer van deze nacht; alleen verderop hoorde je ergens een lach, een klap van een deur.

Bij zijn appartement bleef hij staan, legde zijn hand tegen de muur om niet mis te grijpen bij het sleutelgat, en pas toen viel het hem op: links flikkerde iets in zijn ooghoek. De deur van de buren, een handbreedte open. In de donkere gang flonkerde een gekleurde lichtslinger, slordig over de kapstok gelegd, vanuit hun hal klonk in de verte de zachte stem van een vrouw uit een oud liedje over sneeuwvlok, sneeuwvlok, smelt niet weg.

Hij bleef staan, sleutel zwevend. Het was koel in het trappenhuis, de geur van iets gebakkens uit een andere woning vermengt zich met het vleugje deodorant van zijn eigen colbert. Flarden van toost bij vrienden dreunden na: op de gezondheid, op onszelf, nooit oud worden, en plots voelde het extra leeg. Bij hen was het lawaaierig, opgepropt, kinderen holden rond, iemand knalde een party-popper uit het raam. Er werd gelachen en gedronken, er werd gesproken over hypotheken, vakanties in Spanje, verbouwingen. Bij de klokslag van twaalf proostten ze, werden er knuffels uitgedeeld, sommigen pinkten een traan weg na het derde glas. Daarna nog een korte rit met de taxi door de halflege stad, de slierten lichtjes in de bomen, en nu stond hij hier: schoenen knellen, hoofd suizend, alleen thuis.

De buren. Hij kende hun gezichten, niet hun namen. Een man van rond de zestig met grijze slapen en buikje onder zijn trui, altijd netjes knikkend in de lift. Een vrouw, kleiner, kort grijs haar, met haar boodschappentas vol rommel, altijd sjouwend met plastic zakken. Ze woonden hier langer dan hij. Vijftien jaar geleden toen hij introk, stond hun naam al op het bordje naast hun deur, maar hij had die nooit echt gelezen. Groeten, een knik, soms een woord over de storing van het warme water. Meer niet.

Hij keek naar de half geopende deur. De muziek klonk zacht. De slinger flakkerde lui, de hal flauw verlicht. De deur bewoog niet.

De gedachten gewoon verder lopen kwam als eerste, vanzelfsprekend. Ze luchten misschien, vergeten dicht te doen, niet zijn zaak. Hij draaide zich al half naar zijn eigen deur, schoof de sleutel in het slot, maar er prikte iets. Zo’n deur op een koude, feestelijke nacht waarbij iedereen óf met visite zit, óf zich afsluit tegen andermans vuurwerk. Oude liedjes, kinderherinneringen. En het gevoel dat als hij nu naar binnen zou gaan, zijn slippers aan, tv aan met de zoveelste herhaling van het concert, het leven precies zo zou blijven: naast mensen wonen die hij niet kent, gescheiden door een muur.

Hij trok de sleutel weer uit het slot, bleef luisteren. Geen stemmen, geen lach, alleen het liedje eindigde en het volgende begon, over een blauwe trein. Misschien gaat het niet goed daarbinnen? Vallen, niet bij de deur geraken? In de krant altijd verhalen over ouderen die pas na dagen gevonden worden. Hij herinnerde zich hoe hij twee weken geleden buurman bij de drogist zag: medicijnen afrekenen, dikke portemonnee doorzoeken, verontschuldigen aan de rij.

Goed, fluisterde hij tegen zichzelf, stapte op hun deur af.

Hij duwde eerst zachtjes. De deur gaf een beetje mee, en bleef dan hangen tegen iets zachts. In de kier zag hij meer van de hal: een versleten mat, schoenen, damessloffen met bont. Een vage geur van gebraden kip en sinaasappel, bijna vervlogen, hing nog. Jassen aan de kapstok, de slinger hing losjes naar de grond.

Hallo? riep hij voorzichtig. Eh… is er iemand thuis?

Geen antwoord. De muziek bleef doorgaan zonder onderbreking, dus stroom werkte. Hij klopte met zijn knokkels op de deur.

Buren, alles goed daar?

Er klonk iets dofs, dan voetstappen. De deur schoof verder open, het gezicht van de vrouw verscheen in het licht. Rode wangen, vermoeide ogen, haar kapsel niet langer feestelijk. Ze droeg een glinsterende trui, fijne ketting in haar hals.

O, zei ze en greep naar de deurklink als om dicht te doen, sorry, we…

Hij hief beide handen op, schuldbewust.

Ik… eh… de deur stond open. Dacht, misschien… Is alles goed?

Ze keek hem even aan, zag zijn scheef zittende stropdas, plastic zak met salade en een halve fles cava, en leek hem te herkennen.

O, van nummer negen, sprak ze. Ja hoor. Alles goed. We hadden even de raam open en…

Vanuit het huis klonk een mannenstem:

Wie is daar, Mieke, weer zon knaller?

De buurman, riep ze terug. Van de galerij.

De deur ging verder open, buurman verscheen. In overhemd, bovenste knoop los, glas amberkleurige drank in de hand. Zacht gelijnd gezicht, maar heldere ogen.

Dag zei hij. Gelukkig Nieuwjaar.

Voor jullie ook, antwoordde Joost, en realiseerde zich dat hij hun namen niet eens wist. Ik zag de deur open, dacht misschien tocht, misschien weggegaan…

Welnee, lachte de vrouw, Mieke, wij doen altijd zo. Ik ga afval wegbrengen, deur blijft half open. Nu vergeten. Sorry als je schrok.

Joost knikte, wilde zich alweer terugtrekken.

Zolang alles goed is, ga ik weer. Nogmaals…

Wacht, zei buurman plots. Kom binnen, even. Nu je toch staat.

Hij aarzelde.

Ik ben al bij vrienden geweest, gegeten, gedronken voel me bezwaard.

Ach, bezwaard, asjeblieft, wuifde hij weg. Twintig jaar groeten, nog nooit samen gezeten. Mieke, mag hij een glaasje?

Mieke haalde haar schouders op, instemmend.

Kom maar, zei ze. Geen poespas, schoenen uit, ga zitten in de keuken.

Joost keek vluchtig naar zijn eigen deur. Sleutels zwaar in zijn zak, de plastic zak met salade en ongeopende cava. Zijn eigen lege woonkamer achter de muur werd opeens koud.

Oké, zei hij. Even dan.

Hij trok zijn schoenen uit, zette ze bij hun rij. Niet veel: twee paar nette herenschoenen, dameslaarzen, geen kinderschoenen. De zak hield hij onhandig bij zich.

Geef maar hier, Mieke pakte het aan. Wat heb je daar?

Restsalade, cava. Niet opgekomen.

Perfect, glimlachte ze. Wij zijn net uit; mooi, jij neemt wat mee.

Hun keuken was klein, gezellig. Op tafel stonden nog schalen met huzarensalade, haring in rode bieten, schijfjes, paar mandarijnen. Er stond een vaasje met dennentakken en kleine kerstballen. Op de vensterbank gloeiden lampjes. Aan een stoel zat een vrouw van rond de vijftig, bril, zacht gezicht, scrollend op haar telefoon. Ernaast een leeg glas.

Mijn zusje, Saskia, stelde Mieke haar voor. Sas, dit is de buurman van negen, hoe

Joost, corrigeerde hij, Joost van Wijk.

Ach, zo officieel, grinnikte de man. Wij zonder fratsen. Ik ben Gerard, en gaf een hand mag zonder van Wijk.

Handen werden geschud. Gerards hand ruw maar warm, stevige vingers.

Kom zitten, Joost, wiebelde Saskia haar stoel. Mieke pakt zo een bordje.

Joost nam plaats, wat onwennig. Aan de muur hing een zwart-wit foto: jonge Gerard in militaire uniform, Mieke met lange haren, hand op schouder van een jongetje van vijf. Op de koelkast: magneetjes van steden waar hij nooit was.

Zo, Gerard schonk heldere drank in glaasjes. Op deuren open, niet alleen dicht.

Joost glimlachte. Wat plechtig, maar Gerards stem was veeleer vermoeid dan opschepperig.

Ze namen een slok. De jenever brandde verrassend zacht. In de kamer speelde dan weer een man over drie witte paarden.

Waar was je? vroeg Mieke; ze schoof salade bij.

Bij vrienden, antwoordde hij. Vol huis, kinderen. Veel lawaai.

En thuis zit je alleen? keek Saskia over haar bril.

Joost knikte, wilde geen details.

Dochter in Rotterdam met haar gezin, flapte hij eruit voordat hij zich corrigeerde, eigen familie. En ik… zo dus.

Ja, zei Mieke zacht. Onze zoon woont in Drenthe. Gaat naar schoonfamilie met de kleintjes. Geen probleem, hoor. Jongeren hebben hun eigen plannen.

Gerard bromde.

Geen probleem, herhaalde hij. Maar we zien ze zelden. Ach, geen probleem.

Saskia glimlachte flauw, droefheid in haar blik.

Hoe lang woon je hier, Joost? vroeg ze, hapte in een mandarijn.

Vijftien jaar, zei hij. Sinds… aarzelde, mijn scheiding. Kocht dit appartement, verhuisd.

Jeetje, schudde Mieke haar hoofd. Dacht altijd dat je nieuw was. Zo… jong uitziend.

Joost lachte.

Dankje. Tweeënvijftig ben ik.

Gerard is zestig, voegde Saskia toe, altijd zegt hij dat hij jong blijft.

En dat ben ik, schonk Gerard bij in mijn hart dan.

Ze lachten, zacht maar hartelijk. Joost voelde zijn schouders ontspannen. Details vielen op: nette servetten, een oud maar schoon tafelkleed met vlekken van biet, schotel met een koude kippenpoot, vergeten.

Ik herinner me je, zei Mieke plots. Lift vol dozen, vol boeken. Dacht: een nette buur.

Dat was mijn verhuizing, knikte Joost. Zelf alles gesjouwd. Week daarna rugpijn.

En ik herinner me je in de sneeuw, vertelde Gerard. Tien jaar terug, met een kerstboom. Tak bleef tussen deur hangen, ik hielp je.

Joost glimlachte; die boom was hem vaag bijgebleven.

Gek, zei hij. Zo dicht bij elkaar, alleen brokjes van het leven.

Wat moet je anders weten, haalde Saskia haar schouders op. Zolang je geen herrie maakt of rommel gooit.

Of water overloopt, voegde Gerard toe. Studenten op de zevende, die kennen we te goed.

Er werd gelachen om verhalen over onderburen met feestjes, de oude vrouw van de achtste die moppert op afval. Het gesprek kabbelde langzaam, als lauwe thee; eerst voorzichtig, dan vrijer.

Joost sprak over kantoor, hoe hij dit jaar thuis werkte, daarna weer terug moest. Dat hij bedrijfsfeesten haat, maar toch gaat “je moet gezien worden”. Dat het lastig is collegas te hebben die jonger zijn dan zijn dochter.

Gerard vertelde over zijn baantjes op de fabriek, sluiting van de werkplaats, geknutsel bij bekenden. Mieke vulde aan: nachtelijk behangen bij mensen voor geld, samen naar hun volkstuin tot die verkocht moest worden.

Saskia haalde herinneringen op: oude jaarwisselingen met de hele familie, volle tafels, gasten die nu hun eigen levens hebben.

Wij dachten altijd, Mieke schonk Joost zijn cava, dat jij een belangrijke man was. Altijd zo zeker, in pak, met aktetas.

Welnee, lachte Joost. Gewoon een manager. Pak vanwege de voorschriften, tas vanwege mijn laptop.

Toch, bleef Mieke bij haar standpunt. Je kwam altijd over als iemand die alles onder controle heeft.

Joost peinsde. Weet hij wat hij doet? Nu, in deze nacht, aan deze tafel, leek hij eerder een passant in andermans verhaal.

Wat dachten jullie dat ik deed? keek hij scherend.

Advocaat, gaf Gerard toe. Je loopt zo zakelijk.

Ik dacht leraar, zei Saskia. Ooit zag ik je praten met een jongen die op de muur schreef, heel rustig maakte je hem dat duidelijk.

Joost herinnerde het vaag, een jongen van beneden. Rustig aangesproken, daarna weer vergeten maar zij onthield het.

Gek, herhaalde hij. Je verzint levens bij elkaar uit momentjes.

Wat dacht je dan van ons? vroeg Mieke.

Verlegen dat hij nauwelijks iets dacht, sprak hij voorzichtig:

Gewoon een gezin, dacht ik. Met kinderen, kleinkinderen. Samen feest vieren.

Gerard zuchtte.

Dacht je drukte, accordeon? lachte hij. Hier zitten we, met zn drieën en tv.

En muziek, voegde Saskia toe. Kan niet zonder liedjes.

Ze werden stil. Lied uit de kamer was net voorbij, de presentatrice kondigde de volgende aan.

Ons huis zat ooit vol, mompelde Mieke. Zoon, zijn vrienden, mijn ouders. Tafel en stoelen, zelfs de kamer vol. Nu… iedereen weg. Voelt wennend.

Joost knikte. Hij dacht terug aan feestdagen toen hij nog was getrouwd; grote tafel, schoonfamilie, vrienden. Toen de scheiding, jaren met dochter, soms alleen, soms bij collega’s. Dit jaar koos hij voor vrienden, voor de drukte toch bleef het gevoel van uitgenodigd zijn in andermans leven.

Toen ik naar huis liep van vrienden vandaag, zei hij onverwacht, voelde het alsof ik naar een hotel ging. Huis, spullen, maar…

Hij zweeg, vond het woord niet.

Ik herken het wel, knikte Saskia. Na mijn man overleed, voelde alles tijdelijk.

Mieke legde haar hand op Saskias schouder. Joost voelde zijn keel samentrekken.

Sorry, fluisterde hij, ik wist het niet.

Hoe zou je dat kennen, zei Saskia zacht. We groeten slechts in de lift.

Het gesprek ging door, tijd strekte zich zacht uit; samen werden oude jaarwisselingen opgehaald. Toen in de jaren negentig de stroom uitviel, ze op gas kookten, toen bovenburen hun huis onder water zette met nieuwjaarsnacht en Gerard emmers vulde. Hoe Joost ooit Nieuwjaar in een trein vierde, plastic bekers werden geheven.

Langzaam raakten de flessen leeg, salade koelde af, muziek verschoof naar langzame nummers op nachtelijke radio. Buiten hoorde je af en toe nog vuurwerk. Het was allang drie uur geweest; Joost werd niet weggejaagd.

Hij besefte: hij voelde zich goed. Niet uitbundig, maar rustig. Hij luisterde naar Miekes verhalen over haar werk in de bibliotheek, hoe steeds minder de mensen boeken lenen. Gerards grappen over ouderdom vergeleken met autopech. Saskia sprak over haar werk in de administratie van de VvE, eeuwige klachten.

Weet je, zei Gerard, ik dacht altijd dat mensen in ons gebouw net als in de metro waren. Instappen, uitstappen, geen contact. Nu zitten we hier, praten we, en het voelt minder dreigend om ouder te worden.

Joost lachte.

Oud worden is niet eng, zei hij. Alleen zijn wel.

Ja, beaamde Mieke. Ik word wel eens wakker s nachts, denk, wat als mij iets gebeurt als Gerard weg is? Wie merkt het dan? En jij, Joost, als het jou overkomt?

Joost zocht zijn antwoord. Gezichten van collegas en vrienden flitsten voorbij allemaal ver weg.

Niemand, gaf hij toe. Misschien belt het werk als ik een week niet verschijn.

Precies, pikte Saskia in. Maar wij drieën zitten hier op de galerij. We zouden telefoonnummers moeten uitwisselen.

Gerard lachte.

Wat ben je weer praktisch, zus.

Gewoon, sprak ze rustig, op zn minst voor de zekerheid.

Joost knikte. Het idee simpel, maar bijzonder belangrijk.

Goed idee, zei hij. Anders is het wel heel stom.

Telefoons kwamen tevoorschijn. Mieke dicteerde haar nummer, Joost zette Mieke buurvrouw. Gerard inclusief Gerard buurman. Ook Saskia kwam erbij zo werd een gezicht ineens contact.

Noteer ook de mijne, zei Joost. Bel gerust als er iets is.

Mieke schreef zijn nummer op en plakte het met een magneetje op de koelkast.

Nu weten we bij wie we zijn, niet alleen van negen.

Rond vieren werd alles stil. Vermoeidheid viel als een deken over hen heen. Mieke gaapte, Gerard wreef in zijn ogen, Saskia keek naar de klok.

Tijd voor jou om naar huis, zei Mieke. Zo houden we je wel vast.

Joost keek op zijn telefoon: twintig voor vijf. Zijn lichaam werd plots zwaar.

Ja, zei hij. Dank jullie. Voor…

Hij zocht een woord: voor het eten, het gesprek, de openheid.

Voor de gezelligheid, vulde Saskia aan. Wij vonden het ook fijn.

Gerard stond op, slingerend.

Laat mij je even naar je deur brengen, zei hij. Verdwaal je niet alsnog.

Ze stapten samen in de hal. De muziek was zacht, de slinger flikkerde lui.

Joost trok zijn schoenen aan, deed zijn jas dicht. Gerard leunde tegen de muur.

Joost, sprak hij zachter, mocht er iets zijn, klop gewoon. Wij zitten om de hoek.

Joost knikte.

En jullie ook, zei hij. Als er iets te dragen is, te repareren, computerproblemen. Die fix ik wel.

O, lachte Gerard, computer. Onze laptop hangt steeds vast. Mieke moppert dat ik hem sloop.

Ik moppert niet, klonk Mieke uit de keuken. Ik stel slechts vast.

Beiden lachten.

Afgesproken, zei Joost. Ik kom later wel eens langs.

Gerard gaf hem een hand.

Gelukkig Nieuwjaar, buurman. Dat het minimaal zo goed blijft als vanavond.

Voor jullie ook, zei Joost. Gelukkig Nieuwjaar.

Hij stapte de galerij op. Hun deur sloot zonder de oude reserve, zijn eigen flat was stil. Hij opende, deed het licht aan.

Zijn woonkamer was t zelfde als altijd: bank, tv, tafel, ongeopende thee van die ochtend. Mandarijntjes op de vensterbank, lege vaas. Joost hing zijn jas op de stoel, hoorde in de keuken de cv murmelen. Hij ging zitten, sloot zijn ogen.

Gezichten kwamen boven: Mieke, moe maar warm, Gerard met zijn lompe grappen, Saskia met haar scherpe blik. Hun levens, hun geklaag, hun lach. Door de muur bleek dat er een heel leven leefde waarvan hij niks wist.

Hij keek naar de muur: achter die muur zaten ze nu. Mieke ruimde waarschijnlijk af, Gerard zette muziek uit, Saskia spreidde haar bank. De muur leek minder massief.

Hij liep naar zijn keuken, dronk een glas water, zette het glas voorzichtig in de gootsteen zonder lawaai. Ging naar zijn kamer, deed het licht uit, ging liggen. De slaap kwam snel, maar het laatste wat hij dacht: iets lekkers halen morgen, langsgaan.

Drie dagen later, avond, Joost kwam moe van werk. Op de galerij rook het naar gekookte aardappels en appeltaart. Stilte. Hij pakte zijn sleutel, opende bijna zijn deur toen de deur van de buren zwaaide open.

Mieke stond in ochtendjas, handdoek in haar hand.

Joost, zei ze, dit keer zonder afstand. Fijn dat je er bent.

Joost bleef staan, sleutel in het slot.

Iets mis? vroeg hij direct, gespannen.

Nee hoor, glimlachte ze. Ik heb appeltaart gebakken. Jij zei laatst iets over die laptop. Wil je even binnen komen? Met koffie en taart erbij.

Joost voelde van binnen iets warms stromen. Hij knikte.

Natuurlijk, zei hij. Ik leg even mijn spullen neer.

Hij zette zijn tas in de gang, hield zijn jas aan, liep terug. Mieke hield een schaal appeltaart vast: eenvoudige, troostende geur van appel en deeg.

Kom, zei ze, Gerard moppert alweer op dat ding.

Joost stapte over de drempel. De slinger hing nog altijd op de kapstok, maar nu was die uit. Er was geen muziek. De sfeer was doordeweeks, gewoon. Maar Joost besefte: die deur, die hij op oudejaarsnacht half open zag, zou nooit meer hetzelfde gesloten worden.

Hij glimlachte en liep door naar de keuken.

Rate article