Mijn ex verscheen op een vreemde zaterdagmiddag, terwijl de lucht over Amsterdam parelgrijs was, met een gigantisch boeket tulpen, een zak stroopwafels, een tasje vol cadeaus en die grijns die ik maanden niet had gezien. Even dacht ik: nu komt hij zich eindelijk verontschuldigen, of misschien gaan we praten over alles dat onuitgesproken tussen ons hing. Maar het was alsof hij rechtstreeks uit een mistige droom kwam; maandenlang had hij mij alleen maar kil aangekeken, alsof ik een onbekende was in een voorbijdrijvend schuitje op de gracht.
Zodra hij binnenstapte, begon hij als een waterval te praten: hoe ik zoveel in zijn hoofd zat, hoe hij me miste, dat ik de “vrouw van zijn leven” was en dat hij zijn fouten begreep. Alles ging zo snel dat het klonk als een ingestudeerde speech, uitgezonden door een stem die net naast de mijne zweefde. Ik bleef stil en luisterde hoezo ineens zoveel warmte na al die kille stilte? Plotseling sloeg hij zijn armen om mij heen, alsof ik niet van vlees en bloed was maar een zachte wolk, en fluisterde dat hij terug wilde naar wat van ons was.
Terwijl zijn woorden in de kamer hingen als mist, haalde hij een flesje parfum, een zilveren armbandje en een doosje met een brief tevoorschijn. Alles overdreven romantisch. Hij begon uit te leggen dat we samen opnieuw moesten proberen, dat hij echt was veranderd, dat met mij alles anders en beter zou zijn. Ik werd er ongemakkelijk van; dit was te mooi om waar te zijn. Toen we nog samen waren, was hij nooit zo attent geweest.
De waarheid kroop pas naar boven toen ik hem uitnodigde om te gaan zitten en vroeg: Wat wil je nu eigenlijk? Toen raakte hij in de war, alsof hij ineens met zijn fiets in een zachte poldermodder was weggezakt. Hij vertelde nu dat hij een klein bankprobleempje had, dat hij dringend een lening nodig had voor een zaak die ons beiden ten goede zou komen en dat het enige wat hij miste mijn handtekening was.
Toen viel kwartje, als een oude gulden tussen natte straatstenen: het hele liefdevolle theater, de tulpen en de stroopwafels, waren niets anders dan een façade om mijn handtekening te krijgen.
Ik zei hem dat ik niets zou tekenen. Meteen veranderde zijn gezicht van zon naar storm. De glimlach smolt weg, hij gooide de bloemen op tafel en begon te schreeuwen: hoe kon ik hem niet vertrouwen, dat dit de kans van zijn leven was. Hij sprak alsof ik hem iets verschuldigd was. Zelfs durfde hij te zeggen dat, als ik hem nog wilde, ik hem moest steunen. Alles stortte in elkaar, zo snel als het gekomen was.
Toen hij merkte dat ik niet te overtuigen was, gooide hij het over een andere boeg: zonder deze lening was hij verloren, en als ik hem hielp, zou hij officieel terugkomen en zouden we samen opnieuw kunnen beginnen. Hij combineerde verzoening met geldzucht zonder blikken of blozen. Toen wist ik het zeker: het hele toneelstuk de cadeaus, de bloemen, de zachte woorden was allemaal gespeeld, alleen voor die handtekening.
Toen ik voor de laatste keer zei dat ik absoluut niets tekende, pakte hij haastig bijna alle cadeaus weer in: hij stopte de stroopwafels in zijn tas, het parfum en ook het armbandje. Alleen de tulpen liet hij op de grond vallen, als verwelkte dagdromen. Hij vertrok, me ondankbaar noemend, en zei dat ik later niet moest zeggen dat hij het niet geprobeerd had om ons te redden. Hij sloot de deur achter zich alsof ik hem iets schuldig was.
En zo duurde hun zogenaamde “verzoening” niet langer dan een kwartier, als een absurd droomfragment in een Amsterdamse namiddag.






