Toen Pieter besefte dat zijn cliënt, de Commissaris van de Koning uit een middelgrote, maar ambitieus gepositioneerde provincie ergens in het waterige noorden van Nederland, weer eens zijn tekst niet had geleerd, waren er nog drie dagen tot Oud en Nieuw over, en werd in de televisiestudio aan de rand van Utrecht al begonnen aan het knippen van een vuurwerkshow die nooit zou plaatsvinden.
Niet beste mensen, sprak hij loom, terwijl hij naar de autocue keek, die zijn letters over het groene doek van de chroma-key druppelde, waar op de achtergrond een nep-Amstel stoomde. Dat is niet eens burgerlijk meer, dat is dood. Laten we het houden bij goedenavond. Zonder beste.
De Commissaris, Jeroen van Leeuwen, slungelig en met de blik van iemand die eerder het gras maaide dan bestuurde, geeuwde luid en krabde onder zijn kin vol stoppels.
Mag geachte dan wel? vroeg hij. Ze moeten me toch met respect behandelen.
Doen ze niet, antwoordde Pieter automatisch, maar wij doen alsof ze ons respecteren, en zij doen alsof ze het geloven. Zo werkt het, zo hoort het feest hier.
Boven, op de vierde verdieping van een schaars verlichte kantoorvilla, stonden drie felle bouwlampen rondom een kunstkerstboom waar hangende kerstklokjes in de lucht leken te drijven. Op tafel lagen twee teksten: de ene was klassiek Nederlands politiciensaus. We hebben veel bereikt, maar er is meer werk te doen; iedereen telt mee; en het warme samen naar vooruitgang. De andere was persoonlijker, met een verzonnen anekdote over hoe de Commissaris ooit oliebollen at in een krappe Haarlemse portiekwoning tijdens een knetterkoude oudejaarsavond.
Je opent met dankbaarheid, instrueerde Pieter terwijl hij het geprinte papier aanreikte. Dan een belofte. Dan een warme plaatje, met familie, een bruggetje naar de toekomst. Niets concreets, puur gevoel. Je bent geen accountant, je bent een symbool.
Ik ben sowieso slecht met cijfers, knorde Jeroen, ik moest op de havo drie keer herkansen op wiskunde.
Des te beter, grijnsde Pieter. Cameras draaien over een half uur. Nog één run.
Terwijl de Commissaris struikelde over inclusiviteit, dwaalden Pieters gedachten af naar de montage. Het zou een opgenomen boodschap worden, maar bewerkt alsof de Commissaris op de Domtoren zelf, live sprak. Zelfs het sneeuwtikken op het raam was digitaal. De Nieuwjaarsklok ook. Het enige wat telde, was de stem. Die moest klinken alsof hij rechtstreeks uit zijn polderhart kwam.
Dit was zijn domein. Stemmen van anderen, vakkundig gedoseerde accenten en vlekkeloos ingevlochten nepheid. Pieter hield van dat gevoel: met een paar zinnen kon hij van elke bange ambtenaar de stoerste bruggenbouwer van Friesland maken. Alsof je soep filtert totdat je alleen de helderste bouillon overhoudt.
Hebben we het deze keer over de ziekenhuizen? vroeg Jeroen, zijn ogen flitsend.
Pieter gluurde naar de zinnen.
We zeggen: We blijven werken aan het verbeteren van zorg, mompelde hij. Dat zegt alles, en niets. Iedereen denkt wat hij wil denken. Ga niet in detail.
Daar zijn de problemen ook te groot voor bromde Jeroen, maar stopte.
Inderdaad, Pieter wist precies hoe je níet over zorg moest praten.
Twee uur later, terwijl de crew al lampen demonteerde en een visagist voorzichtig Jeroens foundation wegveegde, zat Pieter weer in zijn hoek van de campagnepost. Hij paste de persverklaring aan: Commissaris blikt terug en deelt plannen. Hij streepte deelt door, maakte er onderstreept van. Nog minder inhoud.
Lachend klonk het in de gang, waar het communicatiefeest werd gepland. De PR-directeur, een magere vrouw die altijd rook naar koffie en natte paraplu, stak haar hoofd bij Pieter binnen.
Kom je morgen naar het teamuitje na de ochtendvergadering? vroeg ze. We moeten toch iets leuks doen voor de mensen.
Tenzij er weer een brandje is om te blussen, zei Pieter. Die komen meestal keurig op tijd.
Ze snoof en verdween. Pieter keek naar zijn mobiel: een bericht van zijn vrouw: Kom je naar het kerstontbijt van Merle op school? Ze kijkt zo uit naar je komst. Zijn duim schreef al Kan niet, uitzending, maar hij verzond het niet. Hij wist dat hij dat toch zou doen, om daarna weer de online nieuwjaarswens van de Commissaris te herschrijven, dit keer het woord liefdevol te schrappen. Jeroen hield niet van zijn provincie, hij hield van macht en stilte.
Pieter zag zichzelf niet als boeman. Meer als verpakkingsspecialist. De mensen willen een sprookje met Oud en Nieuw. Hij leverde het. Geen statenrapporten, maar een knus verhaal over dichter bij elkaar zijn. Geen echte misstappen, maar beloftes van harder werken. Lieg niet, glans de werkelijkheid bij, zodat het mechanisme van Nederland niet piept en piekert.
Tot de volgende ochtend.
De dag voor oudjaar werd Pieter wakker met een dor mond en zijn hoofd vol echos: We hebben veel gedaan. Plots klonk dat niet goed meer.
Zijn telefoon vibreerde op het nachtkastje. Zijn vrouw stuurde een spraakbericht: Je komt toch wel vanavond? Merle oefent al dagen haar versje. Hij drukte op luisteren, daarna op antwoorden en zei:
Ik kom
Zijn keel kneep dicht. Het woord stokte. Pieter hoestte, probeerde opnieuw:
Ik waarschijnlijk niet. Werk. Ik mis het weer.
Een steek schoot door hem heen, maar het ging verrassend soepel. Zijn vrouw reageerde meteen:
Ik dacht het wel.
Geen verwijt. Alleen vermoeidheid.
Twintig minuten later zat hij in zijn Peugeot, rijdend in een mistige file langs de snelweg. Radio 1 tetterde over de feestdrukte en geinige lijstjes. Opeens viel op alle zenders het geluid uit. Overal dezelfde monotone nieuwslezer.
Over de hele wereld doet zich een vreemd fenomeen voor, sprak de stem. Mensen melden dat ze geen leugen meer kunnen zeggen. Pogingen leiden tot heftige ongemakken en spraakstoornissen. Wetenschappers tasten in het duister. Rijksoverheid vraagt om rust.
Onzin, mopperde Pieter hardop. Weer een Twitter-grap.
Maar toen hij eraan toevoegde: Dit waait zo over, plakte zijn tong plots aan zijn gehemelte. Zwijgend en geïrriteerd reed hij verder.
Op de campagnevloer heerste paniek. Normaal draaiden ze op routine: speeches, persberichten, gastenlijsten. Nu stonden op grote schermen in de vergaderzaal drie talkshows; overal dezelfde paniek.
Op NPO 1 probeerde een presentator te grappen misschien massahysterie, maar proestte, kleurde rood en gaf schor toe ik heb geen idee; ik ben bang. Op NPO 2 begon een deskundige vol bravoure er is niets aan de hand, om meteen zijn verhaal te onderbreken en te mompelen dat hij de waarheid eigenlijk niet durfde benoemen.
Wat is dit? begon de PR-directeur, maar haar mond verstijfde. Ze slikte het vloeken in. Oké, aan het werk. Pieter, zeg wat dit is.
Hij wilde antwoorden: Dit trekt wel bij, maar hoorde zichzelf droog zeggen:
Ik heb geen idee. Als dit echt is, kunnen we ons draaiboek weggooien.
Hoezo? De Commissaris stond in de deuropening. We hebben het gisteren al opgenomen?
U loog ongeveer elke andere zin, zei Pieter kalm. Als dit écht is, hoest u zich live het schompes zodra we het uitzenden.
Dat voelde raar. Normaal gebruikte Pieter verzachtende termen: niet helemaal waar, een nuancering. Nu dwong zijn tong hem tot rechttoe rechtaan.
Misschien geldt het alleen live? probeerde Jeroen.
Ze startten het bestand. Op tv glimlachte de Commissaris: We hebben alles gedaan om iedere inwoner te steunen. Bij alles haperde het beeld, kraakte het geluid, en kromp het gezicht op het scherm alsof het stikte. De opname stopte.
Stilte.
Wie heeft dit verknipt? vroeg de technicus bleek.
Niemand, zei Pieter. Dit is…
Het woord anomalie bleef steken. Zijn tong koos verbod.
Zwijgend keek het hele team. Jeroen legde zijn bril weg.
Dus ik kan niet zeggen dat we alles deden, zei hij zacht. Omdat dat niet zo is.
Klopt, zei Pieter. Sommige dingen wel. Sommige dingen matig. Veel te weinig.
En nu? vroeg de PR-directeur. Over vierentwintig uur spreken we het land toe. Allemaal willen ze glitter. Moeten we de Rekenkamer citeren?
Pieter typte We hebben veel bereikt, maar. Zijn hand weigerde. Voor het eerst in jaren bood elke zin weerstand.
Laten we testen, zei hij. Zeg eens iets waarvan je zeker weet dat het niet klopt.
Jeroen haalde zijn schouders op.
Ik houd van opstaan om zes uur en ga dan sporten.
Op houd van trok zijn gezicht scheef, hij hoestte.
Ik haat het eigenlijk, pufte hij daarna, maar de dokter zegt dat het moet.
Pieter knikte. Het werkt.
De hele dag liep alles vast. In de vergaderzaal brulden juristen. Een projectontwikkelaar biechtte live op Omroep Flevoland op: Ik heb bespaard op materiaal voor hoger rendement. Zijn eigen PR-man probeerde zijn relaas af te breken, maar flapte eruit: We geven niks om maatschappelijk belang, het gaat om marge.
In de groepsapp vlogen screenshots voorbij: onder bedrijfswensen doken pijnlijke reacties op: Jullie ontsloegen de helft van je personeel, Jullie doen alsof prijsstijging klantvriendelijk is. De socialmediamanagers konden hun standaardzinnen niet meer typen. Jammer dat u dat zo ervaart werd: Het kan ons niks schelen, wij draaien een script af. Daarna probeerden ze het te deleten, maar de screenshots gingen viral.
Dit is onmogelijk, mompelde iemand in het campagneteam.
Ons leven draait op zelfbedrog, mompelde Pieter, plots niet meer als cynicus, maar als iemand die het binnenste van de klok zag. Zonder een beetje opsmuk kraakt het systeem.
Hij wilde zeggen: misschien zelfs gezond, maar zijn tong blokkeerde. Geen zekerheid.
Na lunchtijd toonde het journaal de minister-president. Bleek, wankelend. Op de vraag of hij de boel onder controle had, zei hij opgelucht: Gedeeltelijk. Op veel vlakken niet. Het land hield de adem in.
Als zelfs hij niet murmelde de PR-directeur. Dit is serieus.
Dit is overal, zei Pieter. Niet ons probleem alleen.
Daar word ik niet rustiger van, kweelde zij.
‘s Avonds zaten ze met zijn drieën in een kale vergaderruimte, archiefdozen vol vorige jaren ernaast, een knipperend televisiescherm in de hoek. Daarop een burgemeester die toegaf de begroting nooit echt te hebben gelezen.
We hebben een nieuwe tekst nodig, zei Jeroen. Eentje die ik kan uitspreken zonder dat ik bezwijk.
Nee, zei Pieter. Je hebt een nieuwe vorm nodig. Doe je het zoals altijd, scheuren ze je in stukken. Ga je boete doen, noemen ze je zwak. Het moet iets anders zijn.
Wat dan? vroeg de PR-directeur.
Pieter zweeg. Geijkte paden liepen dood. Je kon niet beloven dat iedere burger een gratis woning kreeg, want dat gebeurde toch niet. Je kon niet roepen de prijzen blijven gelijk, want alles werd duurder. Zelfs het brave beste mensen lag op de tong als een boerenvla.
Hij keek naar Jeroen. Die was moe, verdwaald, niet gemeen. Een mens die van taal was beroofd.
Ik stel voor dat ik vragen stel, zei Pieter. Jij antwoordt eerlijk. Van die flarden maken wij samen het verhaal.
Je wilt dat ik mijn eigen graf graaf?
Ik wil dat je jezelf een keer iets laat zeggen dat je aankan.
Hij schrok van zichzelf.
Goed dan, zei Jeroen. Vragen maar.
Ze gingen tot diep in de nacht door: Wat heb je écht bereikt? Wat ging mis? Waar ben je bang voor? Wat hoop je zelf voor volgend jaar?
Steeds als Jeroen uitweek naar clichés, vertrok zijn gezicht. Dus moest het kaal.
Ik ging niet naar die wijk na het ongeluk want ik vreesde de drukte.
Ik lees rapporten maar half, alleen de samenvatting.
Ik geloof niet dat ik de wegen volgend jaar fik.
Ik wil herbenoemd worden uit angst mijn status en beveiliging kwijt te raken.
In de hoek schreef de PR-directeur met stijve vingers. Haar gezicht was grauw.
Als we dit uitzenden, slopen ze ons, fluisterde ze.
Als we het verzwijgen ook, alleen anders.
Ook dat verbaasde Pieter: ineens zat hij niet meer buiten, maar ín het systeem.
Rond middernacht belde zijn vrouw.
Kom je of niet?
Hij wilde zeggen: Ik probeer het. Maar zijn stem weigerde.
Nee, ik kom niet. Ik kies mijn werk. Niet omdat het belangrijker is, maar omdat het makkelijker voelt. Ik ben bang thuis te zijn omdat ik niet weet wat ik zeggen moet.
Stilte.
Dankjewel, voor de eerlijkheid, zei ze. Merle doet het gedichtje wel. Ik stuur het filmpje.
Na het gesprek tuurde hij naar een rauw tekstbestand: Ik heb veel beloofde dingen niet gedaan.
Ik kan u niet beloven dat het volgend jaar makkelijker wordt.
Ik ben ook bang.
Geen toespraak, een schuldbekentenis. Niet uitzendbaar.
Dit kan niet, zei Jeroen. Iedereen zapt weg na dertig seconden.
Klopt, antwoordde Pieter. Het moet anders.
Dus vroeg hij elke zin aan te passen. Geen leugen, maar structuur geven. Ik ben bang werd ik begrijp uw zorgen. Details die alleen pijn deden, moesten eruit. De kern bleef over.
Elke poging het te veel te verzachten, maakte de tong zwaar. De juiste formulering was puur en niet vernietigend.
Veel beloofde zaken niet waargemaakt werd: Niet alles gelukt wat ik graag wilde. De zin gleed soepel uit de mond.
Ik kan niet garanderen dat volgend jaar makkelijker wordt werd: Ik beloof geen makkelijk jaar, maar wel dat ik niet zal doen alsof er geen problemen zijn. Ook dat kon hij zeggen.
Langzaam ontstond een nieuw soort toespraak: ongepolijst, rafelig, menselijk.
Het voelt alsof ik in mijn onderbroek sta, zuchtte Jeroen na nog een poging.
Maar u krijgt weer lucht, zei Pieter. Misschien de rest ook.
Op oudjaarsdag was het hele land als een laboratorium: in de supermarkt mompelde de caissière luid dat ze de stress haatte. Klanten biechtten, ogenschijnlijk opgefleurd, hun eenzaamheid op aan het kerststolletjesrek. Taxichauffeurs vertelden hoeveel keer ze die dag rood waren gegaan uit haast.
Op het kantoor explodeerde de telefoon. Vanuit Den Haag belden communicatieadviseurs: Hebben jullie grip op de tekst? Pieter zei eerlijk:
Deels. Hij kan altijd afwijken. Maar we hebben ons best gedaan de leugen eruit te houden.
Het woord alles hield zijn keel niet meer tegen. Hij meende het.
De PR-directeur rookte uit het raam.
Als het werkt, zei ze, worden we seminarvoorbeelden van radicale eerlijkheid. Anders
Dan liggen we er uit, grijnsde Pieter. Maar dat is heus niet het ergste.
Hij dacht aan alles wat erger was geweest, en voelde geen protest. Het was gewoon waar.
Een uur voor de uitzending gingen ze naar een Utrechtse studio zonder Amstel-achtergrond. Ze lieten simpelweg het echte Commissariskantoor zien, met een zielige kerstspar en dossiers op tafel.
Misschien die mappen weghalen? riep de opnameleider.
Laat ze maar staan, vond Pieter. Hoort erbij.
Jeroen ging zitten, streek zijn stropdas glad, keek Pieter kort aan.
Als ik onzin ga verkopen, stop jij me dan?
Kan niet, zei Pieter eerlijk. Mijn tong doet ook raar.
Drie, twee, één. Het rode licht sprong aan.
Jeroen haalde diep adem.
Goedenavond. Ik ga vandaag niet zeggen dat het jaar makkelijk was. Het was zwaar. Voor mij en voor velen van u.
Pieter hield zijn adem in; de zin rolde. Zo ging het verder, wankel, zoekend.
Niet alles wat beloofd is, is waargemaakt. Soms maakten we fouten, soms waren we bang. U merkt dat.
In het regiekamertje vloekte iemand. De PR-directeur sloot haar ogen.
Ik beloof niet dat alles volgend jaar opgelost is. Ik beloof wel dat ik eerlijk blijf, ook als dat ongemakkelijk is voor u en voor mij.
Jeroen sprak soms hakkelend, soms gelezen, zonder zich achter clichés te verschuilen. Geen enorme successen, maar stappen gezet, veel te weinig. Geen ieder van u telt, maar veel mensen hebben het moeilijk. Geen ik ben trots, maar ik dank allen die bleven proberen.
Op het einde week hij af van het papier:
Persoonlijk wil ik nog iets zeggen. Ik kwam niet altijd waar u mij verwachtte. Uit angst. Ik verander niet ineens, maar zo kan het niet langer.
Pieter kreeg kippenvel. Die zin was nieuw, maar klonk helder waar.
Fijne jaarwisseling. Laten we streven naar iets meer eerlijkheid.
Het rode lampje doofde. Iedereen zweeg.
Dat was het dan, fluisterde de PR-directeur. We liggen eruit.
Misschien niet, antwoordde Pieter.
De reacties waren niet eenduidig. Sommige mensen schreven: We geloven het wel, acties graag. Anderen: Eindelijk geen sprookje. Sommigen: Bedankt voor het niet opleuken. Anderen mopperden: Was dit nodig, zo met de oudjaarsborrel?
Landelijke nieuwsprogrammas discussieerden. Sommigen riepen gevaarlijk precedent, anderen signaal van een nieuwe tijd. Iemand probeerde het was een regieactie te zeggen en struikelde over elk woord.
Op het kantoor werd het stil. Niemand feliciteerde. Iedereen scrolde op zijn mobiel.
Ze hebben ons niet ontslagen, zei de PR-directeur. Ze mailden uit Den Haag: moedig. Daarna: wordt casus. Ik weet niet of dat goed is.
Allebei, zei Pieter.
Een onpeilbare moeheid denderde over hem heen niet alleen slaaptekort, maar alsof je een nieuwe taal moest leren.
Zijn vrouw stuurde een filmpje van Merle op een wiebelstoel voor de schoolklas, stamelend over de kerstboom. Op het einde keek ze de camera in:
Papa is er niet, maar ik doe het toch.
Pieter keek en gaf zonder gene toe: ja, dat is zo.
Hij tikte terug: Het spijt me. Ik weet niet hoe ik het goed maak, maar ik wil het proberen. Zijn vingers trilden, maar zijn tong protesteerde niet. Het was waar.
Zijn vrouw antwoordde: We zullen zien.
Die nacht zweefde hij tussen waken en dromen. Echt vuurwerk buiten, geen AI-processen. Mensen riepen vanaf balkonnetjes niet alleen gelukkig nieuwjaar, maar ook ik mis je of ik durf niet alleen te zijn. Sommigen begonnen gesprekken die al jaren wachtten.
Pieter dacht aan zijn vak: jaren geoefend om de werkelijkheid subtiel te buigen, nooit te breken, altijd een beetje in de juiste lichtval te zetten. Nu stond de hele vaardigheid op losse schroeven. Zou de wereld vaker om rechtdoor vragen, moest hij een ander ambacht leren.
Hij wist niet eens of hij dat wilde. Hij hield van controle, zinnen die inslaan als een schaats op zwart ijs. Eerlijkheid was grillig.
Vroeg in de ochtend dommelde hij weg.
Hij werd wakker van trillende meldingen. Buiten grauw licht, hoofd bonzend. Tientallen berichten: appgroepen, persalarmen, privé.
Volgens mij is het voorbij, appte de PR-directeur. Ik complimenteerde net de kleurplaat van mijn kind, terwijl hij lelijk was. Niks gevoeld. Check even bij jezelf.
Pieter ging op de rand van zijn bed zitten. Testte hardop:
Ik ga straks echt met plezier naar mijn schoonmoeder.
Geen spasme. De gebruikelijke, soepele onwaarheid gleed over zijn lippen. Het fenomeen was weg.
Opluchting en verlies rolden samen door hem heen alsof het scherpe winterlicht uitging, net nu hij eraan gewend raakte.
Weer vibreerde zijn mobiel. Nu de plaatsvervangend Commissaris:
Pieter, goedemorgen! riep de opgewekte stem. Je was briljant. Je boodschap vliegt rond. In Den Haag noemen ze het een nieuw vertrouwen. We hebben een opdracht.
Welke?
Maak van die eerlijkheid een merk. Onze Commissaris het eerlijkst van Nederland. Met slogans, filmpjes, precies jouw kunstje. Mensen smullen. Snap je: Wij liegen niet, we doen het samen. Kun je dat aan?
Pieter zweeg. In zijn hoofd dansten al ideeën: logos, hashtags, campagnes. Hij wist hoe hij leven in een sjabloon omtoverde.
Ben je er nog? drong de plaatsvervanger aan. We moeten snel zijn.
Hij wilde reflexmatig antwoorden: Tuurlijk, regel ik, maar er zat nu plots weer iets tussen zijn tong en zijn brein. Niet verboden, maar een raar ongemak.
Hij zag Jeroen weer voor zich, eerlijk naar de camera. Het blik van zijn dochter na haar versje. Zijn eigen het spijt me.
Ik kán dit maken, zei hij langzaam. Dat is het probleem niet. Het is: wíl ik dit?
Er werd gelachen aan de andere kant.
Niet moralistisch worden. We waren even van slag, maar het feest is voorbij. We gaan weer knallen. Kom op, jij leeft hiervoor.
Ik deed het omdat ik niets anders kon. Nu weet ik niet of ik wil blijven doorgaan.
Even stil.
Ga je nu geweten krijgen? Zo blijft er niks van ons over. Denk erover na. Zo niet, vinden we wel iemand anders. Eerlijkheid is ook gewoon handel.
Het gesprek stopte abrupt.
Pieter legde zijn telefoon neer, zette water op en staarde naar het grijze portiek buiten: tegen de slappe sneeuw lag afval, een zwerfhond sloop langs een vuilniszak. Geen glans, géén plaatje om op een kaart te drukken.
Weer een bericht van zijn vrouw: We gaan zo wandelen. Kom als je wilt. Beloven hoeft niet.
Pieter typte, wiste, tikte opnieuw:
Ik kom als het lukt. Geen belofte. Maar wel graag.
Zijn tong bleef stil. Het was waar én onzeker.
Hij drukte op verzenden, keerde terug naar zijn laptop, waar spoedmails en groepsapps flikkerden. Het werk was niet verdwenen. De wereld was niet beter of slechter, had zich alleen even ontdaan van zijn maskers snel deed iedereen ze weer op.
Pieter opende een nieuw bestand. In de titel schreef hij: Concept eerlijk communiceren. Daarna aarzelde hij, voegde tussen haakjes toe: zonder te bedotten, voor zover dat kan.
Die kleine nuancering maakte hem aan het glimlachen. Iets in zijn binnenste draaide bij geen revolutie, geen verlichting, maar een verschuivinkje.
Wat hij erin schrijven zou, of hij het aanbod aannam of met het gezin meeging wandelen, wist hij niet. Of wie hij over een jaar wilde zijn. Maar één ding wist hij nu wel: hij zou de leugen nooit meer als onschuldig gereedschap zien. Elke keer als hij een hoek wilde afronden, zou de stem van gisteren klinken: Niet alles waargemaakt wat ik beloofde.
Hij sloot zijn ogen, haalde diep adem, begon langzaam te typen.
Buiten klonken de laatste knallen. In het nieuws werd al gespeculeerd over het fantastische etmaal van eerlijkheid en bedacht men manieren om het te kapitaliseren. Nederland maakte van ervaringen alweer voorraad.
Pieter typte traag, met zorg, alsof achter ieder woord ook zijn geweten schuilde. Geen heilige, geen rebel. Gewoon een mens, die ooit met Oud en Nieuw zijn recht om te liegen verloor, en die herinnering niet meer los kon laten.






