Een gift van het lot
Zijn vrouw trok haar panty uit, hing die nonchalant aan een haakje in de hal en liep de badkamer in om te douchen. Het kledingstuk deed aan als een afgeworpen huid van een veranderende hagedis. De man kwam binnen, ging op het bankje in de hal zitten en wachtte tot zijn vrouw vernieuwd, fris en als zichzelf van vandaag uit de badkamer zou komen.
De vrouw van gisteren wilde hij niet meer. Die was nors, constant ontevreden en altijd aan het zeuren om geld.
“Misschien gebeurt er een wonder,” mijmerde hij, “en krijg ik met Oud en Nieuw ineens een lieve vrouw cadeau?”
Voor deze lieve vrouw had hij een geschenk klaargelegd: een jaarabonnement op een wellness en een cadeaubon voor de parfumerie. Van haar verwachtte hij niet veel. Haar beste cadeau aan hem zou zijn als ze tijdens het douchen al haar chagrijn direct zou wegspoelen.
“En als ik haar panty pak en op het balkon in de fik steek, terwijl ik een wens doe? Dat ze tenminste iets aardiger voor me wordt. Zodat ze niet de hele dag zeurt, maar hooguit om de dag”
Hij sloop op zijn tenen naar de kapstok en wilde de panty net pakken, tot hij haar subtiele geur rook.
Hij drukte zijn gezicht in de panty en bleef roerloos staan. Zijn hoofd tolde. Nee, hij zou het nooit over zijn hart kunnen verkrijgen om zelf zon klein stukje van zijn geliefde vrouw te vernietigen, hoe vluchtig dat ook mocht zijn, zelfs haar geur niet.
Hij draaide zich om, ging op een stoel zitten, haalde het cadeau uit zijn jasje en legde het op het dressoir.
Op dat moment ging de intercom.
“Bloemenbezorging!”
“Derdie verdieping, appartement twaalf,” antwoordde hij en opende de voordeur.
Even later rekende hij af met de bloemist en gaf een gulle fooi. “Fijne jaarwisseling,” wenste de bezorger hem.
Zijn vrouw had duidelijk iets opgevangen en riep vanuit de badkamer:
“Slaap je daar of zo, slome duikelaar? Schiet eens op joh, doe de deur open er is iemand aan de deur!”
“Een nieuwe vrouw wordt het toch niet,” flitste het door zijn hoofd.
Hij zette het boeket naast het cadeau, haalde zijn portemonnee uit zijn zak, trok een geel plakbriefje eraf, schreef de pincode van zijn bankpas erop en plakte het briefje op de pas. Hij legde de kaart bovenop het cadeau.
Daarna verliet hij het huis voorgoed.
Drie jaar gaan voorbij.
Een hotel op Texel. Iemand in de lobby die op zijn kamer wacht, zappt wat door de tv-kanalen en strandt op een Nederlandse reportage over een vrouwenklooster. Op dat moment komt Koen, de hotelmanager, van de trap, ziet de beelden en stokt in zijn bewegingen.
Plots stroomt er koude rilling door zijn lijf en breekt het zweet hem uit. In één van de eenvoudige zusters herkent hij zijn vrouw, die hij drie jaar geleden achterliet en op wie hij nooit heeft gewacht tot ze uit de badkamer kwam.
“Wat heeft u ertoe aangezet om in het klooster te treden?” vraagt de journaliste.
“Toen mijn man me verliet, voelde het eerst als een gift van het lot. Al jaren zaten we richting scheiding; we konden het samen gewoon niet langer uithouden.”
“Bedoelt u met ‘we’ dat het van beide kanten kwam? Was het een gezamenlijke beslissing?”
“Daar ben ik nu helemaal niet meer zeker van. Toen leek het van wel, maar nu” Zuster Lieve barst in tranen uit.
“Wat gebeurde er toen?”
“Langzaam besefte ik elke dag meer dat ik niet zonder die man kon, die ik volgens mij zo verfoeide. Toen het ondraaglijk werd, kwam ik hierheen, naar het klooster.”
“Weet u iets over het verdere leven van uw man?”
“Bijna niets. Ik weet alleen dat hij het land is uitgereisd. De eerste dagen geloofde ik niet dat hij echt weg was. Ik dacht dat het een slechte grap was. Een week later belden ze van zijn werk of ik wist waarom hij was weggegaan. Ze wilden zijn salaris met dertig procent verhogen, als hij maar terugkwam. Toen begonnen zijn vrienden te bellen, mensen aan wie hij kleine bedragen had geleend ze wilden hem terugbetalen. Al die tijd dacht ik dat hij zijn geld uitgaf aan meisjes van plezier. Daarna namen hulporganisaties contact op, omdat hun vrijwilliger ineens onvindbaar was”
“Eerst overtuigde ik mezelf dat ik nu vrij was en kon doen wat ik wilde. De leegte kwam pas na een paar maanden. De lucht leek ineens zonder zuurstof. Of nee de lucht was vlak, waterig. Eten had geen smaak meer. Het maakte me niet meer uit, wat ik at. Nee, ik proefde zout, zoet en kruidig, maar van een afstand. Kleren boeiden niet meer. Er was niemand om het voor te dragen. Ik wist niet meer waarvoor ik leefde. Mijn levenslust verdween. Ik voelde mezelf afglijden, op de bodem belanden daarom kwam ik hierheen: om vergeving te vragen voor het kwaad dat ik anderen heb aangedaan.”
Het interview wordt onderbroken door de abdis. Een ranke vrouw, bijna van glas, recht van houding, neemt het woord.
“Koen, ik voel dat je dit nu hoort. Lieve houdt zielsveel van je. Kom haar halen. Haar plek is niet hier, maar bij jou. In verdriet en in vreugde”
Twee weken later staat er een man van middelbare leeftijd voor de poort van het klooster in een bonte korte broek en een even fleurige blouse. In die outfit werd hij niet binnen gelaten. Hij wacht al een half uur. Eindelijk gaan de poorten open en begeleiden twee nonnen Lieve zijn eigen vrouw, zijn liefste de binnenplaats op. Zij draagt een lang eenvoudig gewaad en een hoofddoek.
Zij snellen op elkaar af. De nonnen kijken verlegen weg.
Abdis Agaath loopt vriendelijk maar streng op hen toe.
“Ik zou jullie wel achter het klooster willen zetten, maar jullie hebben jezelf al genoeg gestraft. Waarom zijn jullie als kinderen zo roekeloos met dit hemelse cadeau? Waarom koesteren jullie de liefde niet? In verdriet en in vreugde”






