JE MOET WEL KOMEN…
Onderweg naar de kerk voelde ik me opeens beroerd. Mijn knieën trilden, het werd zwart voor mijn ogen. We moesten het smalle paadje de heuvel op, maar ik had nergens de kracht voor.
Ik schoof van het pad af, zakte vermoeid in het gras en ging daarna gewoon liggen. Mijn vriendin Marloes legde haar rugzak onder mijn hoofd als kussen.
Mensen liepen langs, keken met interesse naar mij daar in het gras en begaven zich rustig richting die eeuwenoude kerk. Iemand bood me een pilletje aan. Ik opende mijn mond, legde het ding gelaten onder mijn tong, zonder eens te vragen wat het precies was. Het maakte me allemaal niks meer uit.
…Het leek wat beter te gaan. Maar die klim naar boven zag ik echt niet meer zitten.
Marloes en ik gingen de heuvel af naar het kabbelende riviertje beneden, en volgden het stroompje terug naar ons hotel.
Ik plofte, nog in mijn kleren, op mijn bed. Het voelde treurig en vreemd. Waarom laat God mij de kerk niet binnen? Waarom sta ik niet in het huis van de Heer? Alsof Hij de weg verspert, zegt: blijf jij maar even hier, Marijke laat de onschuldigen maar tot Mij komen. Jij, zondares, blijf maar wat liggen op de drempel en denk eens goed na over je leven
Marijke, zullen we een kopje thee nemen? Marloes keek me bezorgd aan.
Dankjewel, Marloes, liever straks even, antwoordde ik en sloot mijn ogen met een zucht.
Neem Marloes nou dacht ik bitter. Wat heeft zij op haar kerfstok… Mannen, minnaars, geen kinderen en daar geen traan om gelaten. Een brave lieden vinden haar losbandig. Toch loopt ze ook naar de kerk. Bang voor de hel, waarschijnlijk Iedereen wil in de hemel komen. Maar het liefst eerst lekker geleefd hebben, en dan op het laatste moment nog gauw even spijt bekennen. Maar ja soms is het te laat.
Toch heb ik medelijden met haar. Marloes is goed, lief, altijd steun ik op haar. Niemand kan haar vurige aard temmen. Altijd die zelfliefde, dat koppige; krijg je haar niet mee, kun je het verder wel vergeten… Onmisbaar is niemand.
Maar soms, weet ik, wordt haar kussen nat van de tranen. Vier-en-veertig is ze nu, maar echt thuiskomen heeft ze nooit gekund. Ze dobbert maar op het leven, altijd zoekend
En eigenlijk hunkert ze naar liefde. Zon allesverterende, hartstochtelijke liefde vlammend en alles verbrandend.
Mij verwijt ze van alles. Jij met je ene man, twee kinderen, eeuwig druk met je familie, altijd aan het koken wat een dodelijke saaiheid!
Kijk toch om je heen, Marijke, mannen zat in je buurt. Probeer het eens! Je komt heus altijd wel weer bij je Bart terug. Die accepteert jou zoals je bent. Maar dan weet je tenminste wat passie is.
Stik niet in je gezinnetje! Doe eens gek, vriendin! Daar krijg je geen spijt van.
Ach, ik hoef dat vuur niet meer. Eerlijk gezegd, ik WIL niet meer.
Ik had immers mijn Mark. Dolverliefd was ik op hem, helemaal gek. Het toeval bracht ons samen; twee jaar lang was het raak. Mijn man Bart voelde het wel aan, maar zweeg.
Lange tijd speelde ik met de gedachte om Bart te verlaten. Mark had mij compleet in zijn macht. Ik kon en wilde hem niet weigeren; onze afspraakjes bezorgden mij kippenvel, lieten mijn hart op hol slaan het was een vlam die ik nooit eerder had gevoeld.
Woorden schieten tekort
En tóch ben ik van hem weggegaan, ondanks de liefde.
Ik keerde terug naar mijn gezin. Soms vraag ik me af: waarom eigenlijk? Met Mark was ik klein, maar tomeloos gelukkig.
Bart… Die verliefdheid is al lang geleden. Maar vroeger was het er hè! Soms kreeg ik er gewoon geen adem van…
Er is alleen nog maar medelijden. Eigen schuld, Bart, je hebt mijn liefde letterlijk weggezopen. Neem me niet kwalijk
Toentertijd zat ik verschrikkelijk in de knoop. Van mijn verhouding met Mark heb ik tegen Marloes geen woord gezegd. Ze denkt vast nog steeds dat ik heilig ben. Ja hoor
En toch, de Heer liet me niet toe in de kerk…
Hij houdt me in de gaten…
Het was niet makkelijk, Mark uit mijn gedachten te wissen. We waren verwante zielen, begrepen elkaar met een halve blik, een half woord…
Het lukt me nooit hem helemaal te vergeten. Alles was te heftig, te wild, te gretig Zulk soort liefde maak je maar één keer mee.
Wil je het herhalen, Marijke? Ja! Dat wil ik! Ach, jij domme…
‘Marloes, schenk die thee maar in,’ zei ik plots opgewekt en trok haar in een omhelzing.
En in mijn hoofd klonk ineens heel duidelijk: ‘Kom tot jezelf, meisje. Reinig je hart. Ik hou van je. Houd zelf ook van jezelf. En kom dan wel’






