Er was een vreemde, bijna mistige sfeer in Amsterdam, waar ik, Bert-Jan, woonde in een oud huis aan een van de grachten. Alles leek een beetje op losse schroeven te staan, zelfs de lucht zong soms met een zachte klank die stilletjes door de bomen dreunde.
Mijn vrouw Marjolein, op wie ik op de lagere school al verliefd was, was mijn anker in die dromerige chaos. Zij had jarenlang op mij gewacht, terwijl ik mijn dienstplicht in Brabant vervulde. Toen ik terugkwam, trouwden we tijdens een regenachtige dag bij het stadhuis. Onze liefde dreef als een fluistering door de stad.
Onze oudste zoon noemden we Diederik, een stevige jongen met helblauwe ogen. Drie jaren later diende de tweede zich aan: Laurens, vernoemd naar mijn grootvader, met een lach als een zonnestraal door de ochtendmist. Maar ergens diep vanbinnen, tijdens de nachten waarin ik over de Amstel liep en vogels hoorde fluisteren, droomde ik steeds dat ik vader zou zijn van een dochter, met sproeten over haar neus en haar zo blond als vlas. Al voor Marjolein zwanger was, had ik mijn zussen verteld: Deze keer een meisje, echt waar! Ze lachten, want in de kroeg droomden mannen volgens hen enkel van zonen.
Maar het universum speelde anders. Diederik kwam, toen Laurens, allebei zonen jongens zo Hollands als kaas op brood. Onze dagen kabbelden verder langs koffiedampen en kromme bruggetjes. Tot Marjolein op een zondagochtend zei, terwijl de kerkklokken luidden: Ik ben weer zwanger. Ik zat aan mijn appelgebak, en de appel leek plotseling van zeep gemaakt zo onwerkelijk voelde het. We hadden niet gerekend op een derde, maar ik kreeg er een lach van op mijn gezicht.
Dat moest wel een meisje worden, dacht ik. Zelfs de moeders mijn moeder en mijn schoonmoeder voorspelden het, want “de buik zit nu veel lager, Bert-Jan, echt waar.” Ook de echo fluisterde iets meisjesachtigs in onze oren, als een windvlaag door een rij knotwilgen aan de Vecht. Onze jongens fantaseerden al over namen als Maartje of Jasmijn.
Toen Marjolein weeën kreeg, reed ik haar door mistige straten naar het OLVG ziekenhuis. De stad leek nauwelijks wakker. Die nacht droomde ik van rozen, van zingende kikkers in de sloten van de polder. Heel vroeg belde ik naar het kraamcentrum, in een waas van slaap en spanning. Gefeliciteerd, u heeft een zoon van 3 kilo 200 en 54 centimeter! klonk het.
Ergens in mijn hoofd ging alles op zn kop staan. Een zoon? vroeg ik nog. Maar het leven draaide gewoon door alweer een jongen. Niemand had dit verwacht; het leek wel of we spraken over een verdwenen treinstel. Hoe had de arts zich zo kunnen vergissen? Toen ik later belde naar Marjolein, hoorde ik mezelf zeggen:
Heb je me bedrogen?
Waar heb jij het in hemelsnaam over, Bert-Jan?
We zouden toch een meisje krijgen…
Je bent gek! riep ze, en het gesprek was voorbij zoals een mistvlaag die verdampt in de zon.
Toen ik vrouw en kind mocht ophalen uit het ziekenhuis, was de ochtend licht en waterig. We gingen naar huis, onaards stil in de auto. Ik keek naar het minimensje en werd overrompeld door een golf van warmte en liefde. Zijn naam werd Nikolaas, en ik leer-de hem fietsen op een feloranje step op de stoep, omgeven door stroopwafelkruimels en bellen van de melkboer. Maar hij leek niet op mij niets aan hem had de trekken van de familie De Vries. De oudste twee wel, alsof ze uit mn eigen mal waren gegoten.
Op een dag hoorde ik, in nevel gehuld, de stemmen van beide omas bij het tuinhek: Nikolaas lijkt sprekend op Theo van nummer negen, zie je wel?
Het raakte me als een natte krant. In de schemer liep ik naar Marjolein, woorden dwarrelend als herfstbladeren. Ben ik wel echt de vader van Nikolaas?
Marjolein balde haar vuisten. Zie je wel, weer die vraag! Waarom denk je dat iedere fietsvriend die mij naar huis brengt meteen een minnaar is? Haar wangen gloeiden als klompen bij het vuur.
Ik zei niets meer. Maar de twijfel at aan me, als een hongerige muis aan de kaas. Ik wilde een DNA-test, Marjolein wilde niet, tot op een morgen de stemmen op straat harder werden. Doe die test dan! Weet je wat, daarna ben ik van je verlost! beet ze me toe. Toch stemden we in met de test.
Op een mistige avond bracht ik het vuilnis weg. Daar stond Theo, vijfen-dertig, nog altijd vrijgezel. Ik bekeek hem ongegeneerd. Zijn ogen waren klein, zijn haar donker. Maar nee, Nikolaas leek niet op hem, of op wie dan ook met wie ik de man ooit had gezien.
Thuis, terwijl de koffie pruttelde, holde Nikolaas op mij af, klom op schoot en begon luidruchtig te vertellen over een droom waarin hij op koeien reed over de dijken. Ineens wist ik: waarom twijfel ik? Dit is mijn zoon, al zegt de logica van de stad wat anders.
Met Nikolaas op mijn arm liep ik naar Marjolein in de zolderkamer. Laten we geen testen doen, fluisterde ik.
Ze draaide zich om. Jij weer… Ik wilde net alles regelen. Misschien moest ik je wel laten bewijzen dat je ongelijk hebt!
Die week at ik appeltaart met extra slagroom en smeekte haar elke dag om vergeving. De wind in de bomen suste onze ruzie. Eindelijk vergaf ze me. Onze kinderen groeiden op tussen fietsen, hagelslag en zeemansliedjes. Diederik trouwde met Eefje en toen hun dochter geboren werd, werd ik eindelijk opa. Ik kocht roze muisjes en droomde van logeerpartijtjes.
Ik wist nu één ding: liefde past niet in dozen of testen. Mijn kleindochter zou ik net zo liefhebben als mijn drie zonen, hoe vreemd de droom ook blijft waarin het leven me omringt.






