De buurman van de verkeerde generatie Het ochtendritueel van meneer Peters verliep altijd hetzelfde. De waterkoker pruttelde, de radio op het aanrecht meldde files op de A10 en het weer in Utrecht, de voordeuren in het trappenhuis klapten twee, drie keer dicht: mensen gingen naar hun werk. Meneer Peters hoefde nergens meer heen, maar zijn vroege opsta-ritueel was gebleven, net als het rondje door het appartement om te controleren of het balkon op slot zat, het gas uit was en de sleutels nog op hun plek lagen. In een flat van negen verdiepingen aan de rand van Amersfoort woonde hij al meer dan dertig jaar. Hij kende elk type deurbel, wist wie altijd hard met de deur sloeg en wie steevast zijn kinderwagen op de trap liet staan. Zijn eigen etage was prettig rustig. Dat vond hij fijn. ’s Avonds zat hij in zijn stoel, zette een oude serie op en hoorde vanachter de muur het gehoest van de buurvrouw, terwijl hij zich gerustgesteld voelde door het levendige, maar nooit luidruchtige huis. Ook in het trappenhuis ging alles volgens vaste regels. Scheve mededelingen op het prikbord maakte hij recht; hij had zelfs ooit eigenhandig een foutloos briefje over de schoonmaak erin gehangen. Op de brede vensterbank stond zijn sansevieria in een omgesneden yoghurt-emmer. In de zomer zette hij het plantje buiten op de galerij voor wat vrolijkheid. Die dag, toen alles een beetje verschoof, was hij net bezig het plantje water te geven. Het rook naar gebraden gehakt uit één van de onderliggende flats. De lift kreunde, deuren gingen open. Uit de lift kwam een jongen met rolkoffer en rugzak. Koptelefoontjes in de oren, snoer naar zijn mobiel—en ergens klonk gedempt een beat. De jongen keek rond, checkte de nummers en richtte zich toen tot meneer Peters. ‘Goedemorgen,’ zei hij terwijl hij een oordop lostrok. ‘Weet u waar 237 is?’ ‘Dat is de volgende deur,’ antwoordde meneer Peters. ‘We hebben hier rare nummering, niet op volgorde.’ De jongen knikte, sleepte de koffer verder. De wielen ratelden over de tegels. In de gang was het opeens vol van zijn spullen; zijn rugzak tikte meneer Peters tegen de arm. ‘Sorry!’, zei de jongen snel. ‘Ik kom hier…wonen.’ Het woord ‘wonen’ klonk onrustig. In 237 woonde tot dan toe een weduwe, mevrouw Van Loon, met een poes. Onlangs had meneer Peters gehoord dat ze een kamer ging verhuren. Blijkbaar was dit hem—de huurder. Meneer Peters ging terug naar zijn eigen 235, sloot de deur een seconde langer dan normaal en spitste zijn oren. Meubels werden verschoven, kastdeuren klepperden. Daarna klonk een deurbel; blijkbaar kwam er nog iemand op bezoek. Jonge stemmen, kort gelach. Hij schonk zichzelf thee in. Te sterk, maar hij dronk het toch. In zijn hoofd spinde een zin van mevrouw Van Loon: “De jongens van tegenwoordig zijn rustig, hoor.” Rustig. ’s Avonds bleek hoeveel “rustig” betekende. Toen het donker werd, ruiste er plastic, sloeg een deur dicht. Door de muur dreunde bas, niet hard, maar het trilde in de muren. Meneer Peters zette de tv uit en luisterde. De bas bonkte, alsof iemand in zijn borstkas timmerde. Na tien minuten stond hij op en klopte zachtjes op de muur. Het werd iets zachter, niet stil. ‘Tja… rustig,’ mompelde hij, terug in zijn stoel. De nacht werd onrustig. De voordeur sloeg met een klap—zelfs zijn kast trilde. Gelach, gefluister, sleutels die niet pasten. In het donker dacht meneer Peters aan wat hij ooit als beheerder in de buurtapp had gestuurd: “Laten we na elf uur rekening houden met elkaar en stilte behouden.” Dat bericht had hij nog zelf gekopieerd. ’s Ochtends bij het openmaken van zijn deur zag hij twee paar sneakers, een jas aan de kapstok die hij niet kende, en een pizzadoos keurig tegen de muur. Hij keek, strompelde terug. Typte in de app: “Graag geen afval in de gang.” Even later een reactie met emoji. Nog verder in het gesprek: “Van wie is dat afval?” – “Bij ons is het schoon.” Mevrouw Van Loon reageerde nooit in de app; die vond dat gedoe. Aan het eind van die week ontmoette hij haar bij de lift, met een boodschappentas waar een bosje selderie uitkwam. ‘En, nieuwe huurder vervult de kamer?’ vroeg hij voorzichtig. ‘Oh ja, Ivan heet-ie. Student informatica. Beleefde jongen! Ik heb gezegd dat hij stil moet zijn.’ ‘Beleefd,’ bromde meneer Peters. Maar die avond begon het muziek opnieuw, nu met Engelse zang. Meneer Peters zette de TV uit, deed sloffen aan en belde aan bij mevrouw Van Loon. Ivan deed open, koptelefoon om zijn nek. ‘Mag het wat stiller? Het is al laat,’ zei meneer Peters. ‘Oh, sorry! Ik zat met de koptelefoon… dacht niet aan de boxen. Ik zet het zachter.’ ‘Het liefst uit. Dit is geen studentenhuis.’ ‘Begrepen. Het spijt me.’ De muziek stopte. Toch bleef het irritant: “Niet gemerkt, zegt-ie.” Hoe kun je dat niet merken? Zo kwamen de dagen voorbij. Ivan vroeg hem later in de week om hulp met wifi—iets waar meneer Peters weinig mee had, maar, nou ja, hij wist wél nog ergens het telefoonnummer van de monteur. Tijdens het korte gesprek bood Ivan aan te helpen als Peters ooit nog computerproblemen had. De weken vorderden. Kleine conflicten over afval, geluid, de buurapp. Maar ook steeds vaker kleine vriendelijke acties. Ivan tilde boodschappentassen, meneer Peters schroefde eens een stoel recht. Naarmate de tijd verstreek veranderde bij meneer Peters iets. Het bleef wennen aan het lawaai, aan het andere tempo, maar wanneer Ivan na een lekkage vroeg of hij kon helpen, merkte hij dat hij het eigenlijk prettig vond niet meer de enige verantwoordelijkheid te dragen—of de enige die überhaupt nog lette op het plantje op de galerij. Er kwamen meer gesprekken. Soms over het leven, soms over studie, het verschil tussen Amersfoort en een Oost-Gronings dorp, het verschil tussen chatten en met iemand een kop thee drinken in de keuken. En dan, na bijna een jaar, liet Ivan weten dat hij ergens dichter bij zijn universiteit kon huren. De uittocht begon zoals de intrek: een rolkoffer in de gang, een nerveuze jonge man, een flat vol routines waar hij kortstondig tussen had geleefd. ‘Nou, ga je dan,’ zei meneer Peters bij het afscheid. ‘Ik ga. Bedankt voor alles, meneer Peters. U mag altijd bellen als u iets met de computer heeft.’ ‘Goed dan. Doe voorzichtig, jongen.’ Toen de liftdeuren sloten werd het stil. Het was weer zoals het altijd was geweest—alleen nu viel de stilte heel anders. Alsof er heel even iemand had meegedaan in een ritme dat al jaren onveranderd was. ’s Avonds stond meneer Peters in de keuken met twee bekers, maar zette de tweede terug. Op de vensterbank rekte de sansevieria zich uit naar het eerste lentezonnetje. Misschien, dacht hij, kan er best weer eens iemand bijkomen. Iemand van een andere generatie. Misschien hoort dat gewoon zo—stilte, verstoring, en dan een nieuwe stilte die net iets minder leeg voelt.

Dagboekfragment De buurman van de verkeerde leeftijd

Mijn ochtenden verlopen altijd volgens hetzelfde vertrouwde ritueel. De waterkoker begint te brommen, op de radio op de keukenplank praat men over files op de A2 en het weertype tussen Groningen en Maastricht. In de gang klinkt het geluid van twee, soms drie opengeschoven deuren: de buren vertrekken naar hun werk. Zelf hoef ik al jaren nergens meer heen, maar het vroege opstaan zit ingebakken, net als het vaste rondje door mijn appartement: controleren of de achterdeur op slot is, of het gas uitstaat, sleutels op hun plek.

Al meer dan dertig jaar woon ik in deze flat op de hoek van Utrecht-Zuid, op de zesde verdieping. Ik weet al lang welk belgeluid bij wie hoort, wie het hardst met de deur slaat, wie telkens zijn fietskarretje midden op de galerij laat staan. Op mijn etage is het eigenlijk altijd rustig. Die rust waardeer ik s avonds even in mijn oude stoel, een nostalgisch NOS-programma erbij, op de achtergrond het zachte gehoest van mevrouw De Vries aan het einde van de gang. Zo weet ik dat het huis leeft, maar niet teveel.

Ook in het trappenhuis heerst orde. Als een briefje scheef hangt, plak ik het recht. Eén keer heb ik zelfs zelf een printer gepakt en een nieuw briefje over de schoonmaak opgehangen, dit keer zonder spelfouten. Op het venster van de tussenportalen staat mijn ficus, in een doormidden gesneden melkpak. Zomers zet ik hem bij het raam, voor een beetje leven en kleur in die grauwe gang.

Juist op de dag dat alles een beetje veranderde, stond ik met de gieter bij de ficus. Het rook er naar gebakken gehakt ergens beneden stond iemand te koken, en de geur trok omhoog. De lift klonk stroef, stopte, en toen kwamen de deuren met een zucht open. Een jonge vent stapte naar buiten, een rolkoffertje achter zich aan en een rugzak op zijn schouder. Oordoppen in, snoer bungelend naar zijn mobiel, waaruit vaag een beat te horen was.

Hij keek even naar de nummerborden, toen naar mij.

Goedemorgen, groette hij, een oordop uit. Is dit 237?

237 is de volgende, links, antwoordde ik. Beetje apart genummerd hier.

Hij knikte, trok zijn koffertje voort. Het maakte een roffelend geluid op de tegels. Zijn rugzak tikte ongemerkt langs mijn arm.

Sorry daarvoor, zei hij vlug. Ik eh ga hier intrekken.

Dat woord, intrekken, sneed. In 237 woonde mevrouw De Vries, een weduwe met kat, altijd kalm. Laatst nog hoorde ik dat ze overwoog een kamer te verhuren. Nou, dit moest haar nieuwe huurder zijn.

Ik ging terug naar mijn appartement, 235, deed de deur dicht en bleef even in de hal staan luisteren. Aan de andere kant werd er met meubels geschoven, een kastdeur viel dicht. Even later hoorde ik de bel alweer bezoek, blijkbaar. Jonge stemmen, snel, met staccato lachjes.

In de keuken schonk ik nog een kop thee in. Te sterk, maar dat deert me niet meer. De woorden van mevrouw De Vries echoden in mijn hoofd: Tja, pensioen is niet veel, en studenten zijn toch meestal rustig. Rustig.

s Avonds bleek wel hoe rustig. Tassen ritselden op de gang, een deur viel dicht. Er begon muziek niet hard, maar de bas denderde dwars door de muur. Ik zette de televisie uit, luisterde. Die bas sloeg als een hamer op mijn borstbeen.

Na tien minuten stond ik op, tikte met mijn vingers op de muur. Geen reactie. Nog een tik, harder. Toen werd de bas zachter, maar stopte niet.

Rustig? mopperde ik, starend naar de televisie.

De nacht was onrustig. Rond middernacht klapte er een deur zo hard dat zelfs mijn vitrinekast rammelde. Er werd gelachen, gefluisterd, iemand probeerde minutenlang zijn sleutel in het slot.

Ik lag in het donker, luisterde, dacht aan het bericht uit onze VvE-app: Beste bewoners, graag na 23:00 stilte bewaren. Die tekst had ik ooit zelf doorgestuurd.

s Ochtends zette ik de deur open. Twee paar sneakers in de gang, een jas over de kapstok die eerder alleen van mij en mevrouw De Vries was. Een pizzadoos tegen de muur gezet.

Even keek ik naar de spullen, daarna liep ik terug. In de VvE-app typte ik: Wilt u geen rotzooi in de gang laten, en stil zijn na elven? Toch weer gewist. Wie zit er nu in 237? Vannacht veel lawaai. Ook maar verwijderd. Uiteindelijk verzond ik kort: Niet met afval de gang blokkeren graag.

Binnen twee minuten kwam er een duimpje terug. Toen: Bij wie ligt dat afval? Hier is alles schoon. Mevrouw De Vries reageerde niet, zoals altijd.

Later op de dag kwam ik haar tegen bij de lift, een boodschappentas vol, stokbrood en verse peterselie staken eruit.

En? vroeg ik voorzichtig, Nieuwe bewoner onderweg?

Ja hoor, Daan, fleurde ze op. Student, informatica. Beleefde jongen. Maak je geen zorgen, ik heb hem gezegd niet te luid te doen.

Beleefd, knikte ik.

s Avonds klonk weer muziek nu met Engels gezongen teksten. Ik zette mijn tv uit, trok mijn pantoffels aan en stapte de gang op.

Bij haar deur belde ik aan. De muziek vloeide, iets minder luid, langs de kier naar buiten. Even later zwaaide de deur open. Daar stond Daan, een sportief shirt, joggingbroek.

Goedenavond, begon ik. Zou je de muziek iets zachter willen zetten? Het is al laat.

Daan knipperde even, trok zijn oordop uit.

Natuurlijk, sorry! Stond zonder dat ik doorhad op speakers, zat met mijn oordopjes. Ik zet het lager.

Graag helemaal uit, bromde ik. Het is hier geen studentenhuis.

Komt goed, echt, zei hij.

Meteen werd het stil. Terug in mijn stoel bleef het echter knagen. Niet doorgehad Hoe kun je niet merken dat je boxen voluit staan?

De volgende middag, net toen ik met de krant op de bank zat, ging de deurbel. Daan stond er, jeans aan, laptop onder zijn arm.

Dag, meneer van Zanten, begon hij wat schuchter. Sorry voor gisteren, en eh vroeg me af of u last heeft van slecht internet? Ik krijg het niet aan de praat. Mevrouw De Vries zei dat u alles hier kent.

Ik wilde zeggen dat mijn internet privé was, maar zijn onzekere blik hield me tegen.

Tja, ik zit hier op bekabeld, ben er zelf niet handig mee. Wat lukt er niet?

De router, zei hij, snuivend alsof hij verkouden was. Mijn wachtwoord geaccepteerd, maar geen verbinding.

Wachtwoord van mij?

Nee, mijn eigen netwerk. Maar u had toen toch een monteur, bij een internetstoring? Misschien contactgegevens?

Inderdaad, ergens op een magnetisch papiertje aan mijn koelkast stond zijn nummer.

Momentje, hoe heet je ook alweer?

Daan.

Ik ben Hendrik van Zanten. Hier, probeer dit nummer.

Daan lachte opgelucht. Dank u wel! Ik moet studeren, dus zonder netwerk is lastig.

Bij weglopen draaide hij zich nog om.

Als u ooit mocht er iets zijn met uw mobiel of computer Ik help graag, ik weet daar best veel van.

Mijn spullen doen het, dank je, mompelde ik.

Die avond ging er iets mis op mijn telefoon na een update. De klok verdween uit beeld. Even dacht ik aan Daan, maar ik gunde het mezelf niet om hulp te vragen. In plaats daarvan werd het alleen erger.

Een dag later laaide er een discussie op in de VvE-app: weer rommel bij de lift, sneakers op de foto van Daan zag ik meteen. 237 weer zeker. Graag rekening houden met elkaar. Ik keek ernaar, typte: Misschien persoonlijker praten, niet alleen appen? Zelfs ik schrok bij het lezen van mijn eigen woorden.

Kort daarna liep ik terug van de markt, een zware tas aardappelen in de hand. Buiten zat Daan op de stoep, telefoontje, boodschappentas naast zich, sigaret half verstopt.

Roken bij de ingang mag niet, zei ik automatisch.

Daan schrok, doofde snel zijn sigaret. Sorry, ik loop wel weg.

Te laat, gromde ik al langs hem, de rook hangt er toch al.

Toch hield hij beleefd de deur voor me open met mijn zware tas.

Dank je, knikte ik.

Samen de lift in. Daan hield zijn tas goed vast.

Woont u hier al lang? vroeg hij, starend naar het cijfer 6 dat oplichtte.

Lang genoeg.

Ik moet nog wennen. Wij komen van een huis, daar regelt iedereen dingen anders. Niemand zeurt over schoenen in de app.

Hoe dan? kon ik niet laten te vragen.

Als het in de weg ligt, zegt iemand het gewoon. Mijn vader gooide desnoods een slipper naar binnen, geen foto in de app.

De lift stopte.

Hier mag je ook wat zeggen, hoor, zei ik schamper. Maar eerst sneakers opruimen, dan mag je klagen.

Komt goed, knikte Daan serieus.

Enkele dagen later kreeg ik een melding van de woningcorporatie: watermeterstanden niet doorgegeven, berekening volgt op basis van schatting. Ik probeerde te meten, turend onder het keukenkastje, rug stijf, cijfers niet te lezen.

Geërgerd kroop ik overeind, zakte op een kruk. Ineens hoorde ik Daans stem in mijn hoofd: Als u eens hulp nodig heeft Eerst schudde ik het af, maar toen liep ik toch naar 237.

De deur ging meteen open. Daan, dit keer zonder muziek in zijn oren.

Meneer van Zanten? klonk hij verbaasd.

Je zei, je helpt met techniek Ik moet waterstanden doorgeven, kan het niet lezen. Rug doet pijn.

Tuurlijk! Even mobiel pakken. Hij trok zijn sneakers netjes uit bij binnenkomst een gebaar dat ineens opviel.

Bij het aanrecht zakte hij op zijn hurken, schijnend met zijn telefoon. Hij las het netjes op, vulde het meteen online in.

Klaar! U krijgt een bevestiging via sms.

Dank je, zei ik, wat ongemakkelijk. Hun uitleg aan de telefoon is net alsof je ITer bent.

Dat doen ze bij iedereen, volgens mij, lachte Daan. U kunt trouwens een app installeren, dat is makkelijker.

Geen apps voor mij. Ik snap niks van die dingen.

Dat valt reuze mee. Zal ik het anders gewoon even laten zien?

Hij liep alles stap voor stap door op mijn telefoon, met verrassend geduldig gemak. Voor ik het wist, stond het icoontje met het logo op mijn startscherm.

Zo, volgende keer kunt u gewoon daarop klikken.

Ja knikte ik, al wist ik nu al dat ik de helft weer vergeet.

Vanaf die dag keek ik anders naar Daan. Zijn late bezoekjes aan de deur stoorden nog steeds af en toe, net als de geur van gebakken kip, het harde gelach. Maar ergens voelde ik me onderdeel van een sneller draaiende wereld, ongevraagd, maar onomkeerbaar.

Op een nacht, even voor twaalven, laaide het gelach en geklets pas écht op. Iemand zette een filmpje aan: ik kon de teksten letterlijk meeluisteren. In de app verschenen berichten: Weer rumoer bij 237? en Zullen we de politie bellen?

Boos trok ik mijn kamerjas aan en liep naar de gang. Ik keek nog naar de appjes, voelde het koken.

Dingdong.

De deur ging pas na even open. Gelach maakte plaats voor fluisteren. Daan kwam met rommelige haren naar voren, uit het zicht nog een jongen en een meisje.

Meneer van Zanten begon hij.

Heb je wel door hoe laat het is? sneed ik hem af, indringend. Mensen willen slapen. Sommigen werken morgen, anderen zijn oud. Valt het je niet op hoe luid je bent?

Daan keek naar zijn schoenen.

Sorry, echt. Ik had het niet door. We gaan zo uit elkaar.

Je denkt altijd dat het huis om jou draait.

Achter hem sprak het meisje: We gaan weg, echt.

Goed, snoof ik, want ze denken er al aan om politie te bellen.

Eh dat hoeft echt niet. We houden het rustig.

Na een minuut was het stil, en toch luchtte dat niet op. Het voelde alsof ik iets gebroken had dat niet meer te repareren was.

Een dag later trof ik Daan bij het afvalhok, twee tassen in zijn hand, verdiept in een affiche over plastic- en papierafval.

Dag! groette hij, Sorry nogmaals over laatst. We dachten oprecht niet aan het volume.

De muren zijn flinterdun. Alles klinkt door.

We zwegen, de tassen ritselden.

Woont u alleen? vroeg hij uiteindelijk voorzichtig.

Waar bemoei jij je mee? beet ik iets te snel af.

Met niets, hield hij zich afzijdig. Mevrouw De Vries zei gewoon, dat u hier al lang woont. U komt zo vertrouwd over

Denk liever aan je studie, snauwde ik, liep naar de lift.

In het wazige liftspiegeltje zag ik mijn eigen expressie grijze haren, diepe wallen, gespannen mondhoeken. Waarom snauwde ik nou zo tegen hem?

Twee weken later begon het te druppelen in de gang. Zaterdagochtend hoorde ik geklop niet uit de kraan, maar uit de hal. Een dun straaltje water liep langs het plafond de deurmat op.

Gevloekt, waterbak eronder, corporatie gebeld. Monteurs komen eraan, lekkage op de negende. In de app vlogen paniekberichten en fotos over natte plafonds en zekeringen over en weer.

Net toen ik doende was met dweilen, ging mijn deurbel. Daan, plastic kom in zijn hand.

Bij u ook wateroverlast?

Al gemerkt Kom kijken.

Bij mijn bed lekt het op een verlengsnoer. Alles eruit getrokken, maar best eng. Kan ik helpen iets verplaatsen?

Samen schoven we de zware kast weg, Daan stuurde efficiënt. Mijn rug protesteerde, maar ik hield mezelf groot.

Hoeft u niet tilwerk te doen, hoor. Laat mij het maar.

Ik ben niet van suiker, bromde ik. Jongens als jij willen dat graag geloven.

Toen de monteurs de toevoer afsloten, droogde de stroom met een geel spoor op het plafond. In de keuken dronken we thee uit verschillende mokken welteverstaan. Zijn T-shirt nat, haren slordig.

Bij ons thuis, in Almelo, lekte er ooit door het dak. Pa vloekte drie dagen en klom zelf op het dak. Maar ik ik was net naar de uni vertrokken. Kreeg pas achteraf een appje.

Waarom ging je weg dan? vroeg ik, tot mijn verrassing.

Studeren. Hier een beurs, thuis niks. Ouders zeiden: Doe maar, straks krijg je spijt. Maar het is best eenzaam, alles en iedereen gehaast. In de eerste weken op kamers was het complete chaos, hier hoopte ik op rust.

Rust is hier betrekkelijk, moest ik grijnzen.

Daan grijnsde terug, een mondhoek opgetrokken.

Ik probeer het echt. Maar als het altijd stil is, lijkt het op een museum.

Wat is er mis met stilte dan?

Niets. Maar soms ga je dan teveel nadenken.

Lang zwegen we. Dan besloot ik: Je doet dus IT?

Ja, programmeren. Nog onzeker, eerste tentamens was stress. Soms denk ik: zou ik niet beter terug naar huis kunnen? Maar dan zegt pa: Niet opgeven!

Vaders praten altijd veel, verzuchtte ik. Mijn eigen vader had er ook zo zijn handje van

Na de lekkage spraken we elkaar vaker; bij de brievenbussen, de lift. Daan hield zijn muziek zachter en excuseerde zich als er weer eens iets dreigde te luid. Alsof hij zichzelf controleerde.

Op een gure avond in december kon ik nauwelijks lopen het knie weer eens op slot. De medicijnen lagen echter in de slaapkamer, onbereikbaar. Toch wilde ik geen ambulance bellen, en de VvE-app nee. Toen nam ik de gok en belde Daan.

Met Daan hier.

Met meneer van Zanten Ben je thuis?

Zeker, wat is er?

Niks bijzonders, kom je even langs als je tijd hebt?

Een minuut later stond hij al voor mijn deur.

Mijn been doet lastig. De pillen liggen in de slaapkamer, maar ik haal het niet

Daan pakte zonder mankeren het medicijnflesje en een glas water, hielp me naar de stoel, been op een kussen.

Moet er een dokter komen?

Nee joh, jeugdige overmoed van vroeger.

Daan bleef even zitten.

Als er wat is, bel gerust. Nachtmens als ik ben, ben ik toch wakker.

Blijf maar vooral studeren, jongen, knikte ik. In mijn tijd leerden we alleen stenen sjouwen.

Maar u kunt in elk geval met mensen praten. Wij ruziën alleen in apps, zei hij grijnzend.

Zonder dat ik het doorhad, lachte ik terug.

De winter maakte de gangen kouder, het tochtte op de galerij. Niemand bleef meer hangen; men haastte zich naar binnen, richting radiator en koffie.

Rond Driekoningen vertrok mevrouw De Vries een paar dagen naar haar dochter. In de VvE-app liet ze weten: Daan is thuis, mocht er iets zijn, klop gerust bij hem aan. Zo, dacht ik, nu is hij de oudste van het portiek.

Op een avond met dikke sneeuwvlokken aan het raam, stond Daan opeens aan mijn deur, plastic zak in de hand.

Ik heb teveel erwtensoep gemaakt, zei hij. U misschien interesse?

Zelf houden, grijnsde ik.

Ik heb al gegeten, en mevrouw De Vries is weg. U houdt toch van stevige soepen?

Ik wist het niet meer, maar nam dankbaar aan. De erwtensoep was zout, maar troostvol.

Kort daarna stond Daan zelf met zijn laptop aan de deur.

Meneer van Zanten vanavond speelt PSV, maar mijn livestream doet niks. Mag ik meekijken op uw kabel?

Een deel van mij wilde morren, maar diep vanbinnen voelde ik de oude wedstrijdkriebels.

Kom binnen, schoenen uit alsjeblieft.

We zaten zwijgend op de bank, samen kijkend. Tijdens rust haalde Daan thee uit de keuken.

Ik dacht dat u voor Feyenoord was, aan uw sjaal te zien.

Hoe weet jij dat?

Die hangt aan uw kast.

Ja, oud en vertrouwd

Beter oud dan niks, zei Daan.

We joelden, lachten, we mopperden samen. Toen het voorbij was, bleef hij even staan.

Dank u wel Dit doet me denken aan thuis.

Ik kan ook mopperen als de beste. Maar niet te veel meer.

Ik ben toch niet meer vreemd, toch? vroeg Daan.

Ik knikte woorden vond ik niet.

In het vroege voorjaar rook het trappenhuis ineens naar verf; de woningcorporatie had het opgefrist. Terwijl mijn ficus nieuw blad kreeg door de zon op de vensterbank, stond mevrouw De Vries aan mijn deur.

Ik weet niet of ik straks weer een student in huis neem. Daan vertrekt binnenkort, examens en stages dichterbij school, en aan de ene kant fijn het geld is welkom maar ik word er ook moe van.

Daan weg? vroeg ik voor de zekerheid.

Ja, een kamer dichterbij de universiteit, anders reist hij ruim een uur.

U moet doen wat goed voelt. Het blijft uw huis.

Heb hem nu juist graag gehad Je weet immers nooit welke nieuwe daar straks komt.

Ik keek naar mijn ficus. Die groeide traag en trouw gewoon door.

Die avond trof ik Daan bij de lift.

Ze zeggen dat je gaat?

Waarschijnlijk wel, meneer van Zanten. Ik vond een kamer op twintig minuten fietsen. Hier ben ik het halve leven onderweg.

Gelijk heb je. Jongeren moeten vooruit.

We zwegen tot de lift stopte.

Wil u het wifiwachtwoord hebben, voor het geval dat? Of mijn router?

Laat maar, ik heb al genoeg van die digitale poeha.

Zoals u wilt. Hij lachte zuinigjes.

De laatste weken hielp ik een enkele keer met een loszittende stoel, hij tilde mijn weekendboodschappen. We discussieerden over nieuws, films en voetbal.

Op de dag van vertrek stond Daan weer met koffers en rugzakken in de gang. Mevrouw De Vries had het druk met aanwijzingen over beddengoed en sleutels.

Ik bleef bij mijn deur staan.

Dus ga je dan echt?

Ja, meneer van Zanten. Bedankt voor alles. En sorry voor het lawaai.

Voor lawaai krijg je geen bedankje. Maar het klonk niet scherp.

Daar heb ik spijt van, echt waar.

Zorg dat je dat diploma haalt. Anders loop je hier straks met plastic te sjouwen.

Komt goed. U heeft mijn nummer nog? App maar als u weer ergens mee zit!

Afgesproken.

Toen de lift vertrok, viel de stilte neer. Geen sneakers meer op de gang, geen jas. Verfgeur bleef hangen.

Die avond luisterde ik naar de radio in de woonkamer. Niet eerder viel het me zo op dat je tussen de radiostemmen door de leidingen en de verwarming hoorde. Ik pakte mijn telefoon, scrolde naar Daan. Typte: Goed aangekomen? en aarzelde even.

Toch verstuurde ik het bericht.

Bijna meteen kwam zijn antwoord: Alles goed, dank voor het meevragen! Even later nog een: Is het nu lekker rustig? en een knipoogje.

Ik grijnsde.

Ja, heerlijk stil. Te stil. En ik voegde toe: Niet vergeten: er wonen hier mensen, geen studentenhuis. Ook ik gebruikte een geintje.

Ik zal eraan denken.

Ik legde mijn telefoon neer, zette de waterkoker aan, pakte zonder nadenken twee mokken uit de kast, zette er toch een terug.

Buiten speelden kinderen in de modder, iemand liet de hond uit. De deur in het portiek naast ons viel dicht.

Ik schonk mezelf thee in, liet mijn blik over het lege stoeltje tegenover me glijden misschien komt daar ooit nog iemand te zitten. Hoeft geen Daan te zijn, hoeft geen student te zijn. Gewoon iemand die even buur wil zijn, me wil uitkafferen over herrie, helpen met die verdomde telefoon, of samen een wedstrijd kijkt.

En vreemd genoeg voelt dat helemaal niet eng meer.

Ik nam een slok thee. De stilte was als een adempauze in een gesprek je weet dat er altijd iemand terugkomt, en de deur zachtjes achter zich dichttrekt.

Rate article