Gezondheidsdagboek: Het verhaal van Nathalie en haar weg naar balans tussen drukke werkdagen, nieuwe leefregels, het Nederlandse gezinsleven en omgaan met een chronische diagnose

Gezondheidsdagboek

Elke ochtend verloopt vrijwel hetzelfde: de wekker op mijn telefoon, even het nieuws doornemen, naar de keuken waar de pan al sist en de stem van mijn man uit de woonkamer:

Zet je koffie?

Anneke zet het koffiepotje op het fornuis en giet automatisch meer suiker dan ze van plan was. Dan herinnert ze zich plots dat ze “minder zoet” moet, fronst, en schuift de suikerpot opzij. Haar man komt de keuken binnen, geeft haar een kus op de wang en graait gedachteloos naar het broodmandje.

Weer wit brood? kan ze niet laten te vragen.

Wat anders? glimlacht hij. Je koopt het toch zelf.

Ze koopt inderdaad zelf. Wit brood, een busbrood voor bij de thee, koekjes “voor het geval er visite komt” en chocola die ze ‘s avonds voor de tv beetje bij beetje eet. In haar hoofd leeft altijd de gedachte “ik moet afvallen” en “ik moet beter voor mezelf zorgen”. Maar tussen haar werk als administratief medewerker, boodschappen doen, wassen en bellen met haar zoon die in Groningen studeert, schuift het er telkens tussen. Soms start ze een dieet, telt calorieën in een app, maar dan gaat het mis met een gebakje op kantoor en verwijdert ze de app om niet meer te worden herinnerd.

Ze gaat keurig naar de huisarts: verklaring voor het zwembad, een periodieke check bij de praktijk als het voor het werk wordt geregeld. Bloeddruk meet ze alleen als haar slapen bonzen wat ze meestal aan vermoeidheid en “stress” toeschrijft.

Op een ochtend stapte ze uit de bus omdat ze zo duizelig werd, dat ze een halte eerder eruit moest en even bij een lantaarnpaal bleef staan. Haar hart bonkte, handen zweten, vreemd gevoel in haar borst. Ze kwam toch op kantoor, werkte de ochtend uit; na de lunch keek een collega haar aan en zei:

Je ziet zo bleek, joh. Ga even langs de huisarts, die zit toch gewoon aan de overkant.

Anneke wuifde het weg, maar s avonds draaide de kamer weer en ze merkte dat ze bang was om alleen naar huis te lopen. Ze pakte een taxi en thuis besloot ze: “Morgen ga ik naar de huisarts. Moet toch een verwijzing voor bloedonderzoek regelen.”

Via internet maakte ze een afspraak en was verbaasd dat ze meteen de volgende dag terecht kon. In plaats van de gebruikelijke haast zit ze ‘s ochtends in de wachtkamer, luistert naar het gepiep van de bloeddrukmeter achter de deur, ademt de mix van chloor, medicijnen en een vleugje parfum uit de gang.

De huisarts, een jonge vrouw met een strakke paardenstaart, bekijkt haar dossier, meet bloeddruk, luistert naar haar hart en stelt een paar vragen. Dan schrijft ze doorverwijzingen: bloed, urine, een afspraak met de cardioloog en endocrinoloog.

Is het ernstig? vraagt Anneke terwijl ze haar vest dichttrekt.

Nog te vroeg om te zeggen, reageert de arts kalm. Je bloeddruk is aan de hoge kant, je hart maakt overuren. We moeten even alle onderzoeken afwachten. Je hebt al lang geen check-up gehad, dus het is sowieso goed om alles een keer na te lopen.

Anneke laat nuchter bloed prikken, staat in de rij voor het ECG en ligt op een bank terwijl de verpleegkundige koude plakkers op haar borst bevestigt. De papierstrook ritselt en Anneke denkt aan de deadline voor de lunch, anders kijkt haar chef weer zo.

Een week later is ze bij de cardioloog. De dokter, een man van in de vijftig met een vermoeid gezicht, bladert door haar uitslagen, klikt wat in op de computer.

U heeft hypertensie tweede graad, zegt hij. En lichte veranderingen aan het hart. Dit is geen “stress” meer of “gewoon moe”. Het is een chronische aandoening waar u mee moet leren leven.

Anneke krijgt een droge mond.

Is het gevaarlijk?

Gevaarlijk als u niet behandelt en niet bijhoudt. Hoge bloeddruk vergroot de kans op complicaties. Maar als u de medicijnen neemt, op uw routine, voeding en beweging let, kunt u het onder controle houden.

Hij tekent een schema op papier: s ochtends deze pil, s avonds die, dagelijks bloeddruk bijhouden, elke zes maanden controle bloedwaarden.

Gewichtsverlies is nodig. Weinig zout, geen vet, niet bakken, weinig alcohol. Meer wandelen. Rookt u?

Nee.

Dat is mooi. En koffie: maximaal één kopje per dag, liefst slap.

Ze knikt, luistert, maar voelt vanbinnen protest opborrelen. Hoezo “chronisch”? Elke dag pillen? Ze is pas tweeënveertig, werkt, heeft plannen, wil deze zomer op vakantie.

Is dit voor altijd?

Het is langdurig, corrigeert hij. Maar u heeft invloed op het verloop. Discipline is het belangrijkste. U krijgt de aanbevelingen mee.

Met een stapel papieren, een recept en een licht wiebelend gevoel onder haar voeten loopt ze de praktijk uit. In de gang rinkelt een telefoon, iemand is boos op de assistente, een kind huilt bij de prikpost. Alles gaat verder, maar in haar tas ligt nu de diagnose: “chronische hypertensie”.

Thuis durft ze het niet meteen aan haar man te vertellen. Tijdens het avondeten schuift hij routineus de zoutpot naar haar toe.

Ik moet minder zout, zegt ze.

Hoezo? hij kijkt haar verbaasd aan.

Ze vertelt het kort, zonder medische woorden. Over pillen, bloeddruk en ‘t feit dat ze zich moet blijven controleren.

Ach kom, lacht hij het weg. Wie heeft er tegenwoordig nou perfecte bloeddruk? Ik heb ook weleens last.

Jij af en toe, ik nu altijd, hoort ze zichzelf fel zeggen.

Hij zegt even niks, vraagt dan voorzichtig:

En nu?

Pillen, regelmaat, minder zout en vet, meer wandelen. En dat allemaal altijd.

s Nachts ligt ze lang wakker, luistert naar de kloppende stilte van haar hart. Elk klopje lijkt te luid te fel. Ze denkt aan bloedvaten, aan verhalen over hersenbloedingen bij kennissen. Op een gegeven moment zit ze rechtop, doet de lamp aan en haalt de aanbevelingen uit haar tas.

Onderaan een lijst met factoren waarop ze zelf invloed heeft: Voeding. Beweging. Gewichtscontrole. Afstand van slechte gewoontes. Zelfmonitoring.

Het woord “zelfmonitoring” steekt. Ze denkt aan haar eeuwige diëten die op maandag begonnen en woensdag mislukten. Aan schriftjes met “nieuwe start” die ze na een week liet liggen. Aan apps die haar waarschuwden om water te drinken, en die ze uit frustratie uitzet.

Als ik weer begin en stop, wat dan? flitst door haar hoofd.

De volgende ochtend zet ze een slappe thee en pakt het oude rekenschrift van haar zoon uit de la. De kaft is versleten, de eerste pagina’s volgekrabbeld. Ze scheurt die eruit, strijkt haar hand over een schone bladzijde.

Bovenaan schrijft ze netjes: “Gezondheidsdagboek Anneke”. Daaronder, kleiner: “Dag 1”.

“Ochtend: bloeddruk 152/95, hartslag 92. Pil 1 genomen. Ontbijt: havermout met water, appel, thee zonder suiker. Gevoel: gespannen maar vastberaden.”

Ze kijkt naar haar woorden en voelt een wonderlijke opluchting. Alsof alles op papier kan net als cijfers in een balans. Bij kolommen en regels is er orde. Dus is er grip.

Op haar werk installeert ze een stappenteller-app. Tijdens de lunchpauze loopt ze rondjes om het kantoor in plaats van de kantine in te duiken.

Ga je trainen voor de Nijmeegse Vierdaagse? plaagt een collega.

Ik moet bewegen, zegt Anneke, en hoort haar eigen stem steviger klinken dan verwacht.

s Avonds pakt ze haar dagboek weer.

“Lunch: groentesoep, boekweit, gekookte kip. Geen brood. Thee zonder suiker. Stappen: 4870. Avondbloeddruk: 145/90. Pil 2 genomen. Gevoel: moe, maar trots.”

Na een week verschijnen er overzichten: datum, ochtend- en avondbloeddruk, pillen, voeding, stappen, stemming. Ze tekent lijnen, vult de cellen, markeert groene dagen waarop haar bloeddruk lager is en haar stappenteller boven de 6000 tikte.

Haar man grapt:

Je hebt er een project van gemaakt.

Het is geen project, antwoordt ze. Dit is mijn leven.

Maar ergens voelt het wel zo. Een strak plan, meetbare doelen, een duidelijke missie: haar bloeddruk op norm, tien kilo kwijt, weer gezond zijn. Ze leest blogs over “nieuwe levens”, slaat voedingslijsten op, print een calorietabel en hangt die op de koelkast.

De eerste twee weken gaan bijna gladjes. Ze staat tien minuten vroeger op, meet alles, ontbijt gezond, neemt bakjes mee naar werk, loopt s middags, doet s avonds een lichte workout via YouTube. Haar zoon zegt via videochat:

Mam, je doet het goed.

Ze lacht en voelt de ruimte vanbinnen groeien.

Maar het leven laat zich niet in kolommen duwen. Aan het eind van de maand is het weer hectisch: rapporten, deadlines, controles. Ze werkt over, komt uitgeput thuis, hongerig en geprikkeld. Na zon dag loopt ze de Jumbo binnen “voor yoghurt” en komt thuis met een tas vol niet alleen yoghurt en sla, maar ook stokbrood, kaas, worst en chocola.

Thuis begint ze eerlijk met een kom yoghurt en komkommer, maar dan ziet ze het stokbrood. Eén sneetje, ik heb amper gegeten vandaag. Eén sneetje wordt twee dikke plakken met boter en kaas. Daarna breekt ze een stukje chocola af. Dan nog eentje.

Als ze stopt, merkt ze de lege verpakking en een zwaar gevoel in haar maag. In haar hoofd klinkt direct die bekende stem: “Je stelt weer niks voor. Je kunt niks volhouden.”

Ze gaat zitten, maakt haar dagboek open. Haar pen zweeft boven “diner”. “Stokbrood, kaas, chocola” voelt als een bekentenis.

Als ik het niet opschrijf is het er niet geweest? denkt ze even. Maar dan: Waar is het anders allemaal goed voor?

Langzaam schrijft ze: “Diner: stokbrood met boter en kaas (2 grote stukken), chocola (ongeveer halve reep). Avondbloeddruk niet gemeten. Pil wel genomen. Gevoel: boos op mezelf, zwaar.”

De bladzijde lijkt mislukt. De groene markeringen van eerdere dagen werken ineens als spot. Ze klapt het schrift dicht en legt het weg.

De volgende ochtend geen zin om iets op te schrijven. Ze slikt haar pil, meet die bloeddruk: 158/98. Ze rimpelt haar neus en denkt: “Dat schrijf ik later wel.” Maar later komt niet. Op kantoor is er taart omdat iemand jarig is; ze weifelt maar neemt een stuk. Thuis stelt haar man voor:

Zullen we pizza bestellen? Te moe om te koken.

Is goed, zegt ze, terwijl ze diep vanbinnen denkt: “Eigenlijk mag ik dat niet.”

Twee pizzas, frisdrank, een serie op tv. Het dagboek blijft in de la.

Een paar dagen later slaat ze de la bewust over, meet haar bloeddruk steeds minder, neemt haar pillen wat later. “Wat maakt het uit als ik ze nu een keer later neem?” sust ze zichzelf.

Op een avond, terug van werk, voelt ze weer die spanning in haar borst en een zware kop. Op de bank meet ze haar bloeddruk: 176/104. De getallen lijken absurd hoog.

Wat is er? vraagt haar man vanuit de keuken.

Niks, antwoordt ze automatisch, zet het apparaat uit.

s Nachts is ze wakker van haar bonzende hart en de stem die knaagt: alles is mislukt. Die dagen met broodjes, taart, pizza hebben alles verpest. Natuurlijk lukt het haar nooit.

s Ochtends pakt ze toch haar dagboek. Ziet de lege dagen.

Lang kijkt ze ernaar, schrijft dan met grote letters: “Pauze. Terugval. Alles gegeten, bloeddruk niet gemeten. Eng om weer te beginnen.”

Tranen rollen stil over haar wangen als ze op de keukentafel zit. Haar man komt binnen en schrikt.

Wat is er?

Niks hoor, zegt ze zacht, veegt haar gezicht af. Gewoon moe.

Door dat gedoe met je lijstjes? hij knikt naar het dagboek. Je hoeft jezelf niet zo te pesten.

Hoe ga ik dan niet zo streng zijn? Ik heb nu levenslang. Als ik verslap, ze maakt haar zin niet af.

Hij slaat zijn arm om haar heen.

Je bent geen robot. Je doet het zo goed. Je mag best een keer nou ja

Best een keer doodgaan, bedoel je? zegt ze fel, meteen spijt van haar woorden. Zijn blik slaat neer.

Dat bedoel ik niet. Sorry.

Stilte hangt tussen hen. Hij schenkt thee, gaat tegenover haar zitten, weet niet wat te zeggen. Zacht:

Misschien kun je nog een keer praten met de dokter? Dat het zwaar is.

Ze blaast:

En wat zegt hij straks? “Sterkte!”

Het blijft ze bezighouden. Toevallig heeft ze een week later controle bij de cardioloog, met haar dagboek en nieuwste uitslagen. Ze overweegt de testrapporten niet mee te nemen, uit schaamte over haar “mislukte dagen”. Uiteindelijk stopt ze alles toch in haar tas.

Het is warm in de spreekkamer, het raam dicht, op de vensterbank twee kunstbloemen. De arts bekijkt alles, meet haar bloeddruk.

Het is ietsje beter, nog wisselend. Hoe gebruikt u uw medicijnen?

Anneke aarzelt, pakt haar dagboek, klapt het open halverwege, waar de groene lijntjes naast brood en chocola staan.

Hij bekijkt het, blijft hangen bij “Pauze. Terugval”.

Goed dat u dit opschrijft, zegt hij ineens.

Goed? ze kijkt verbaasd.

Ja, want het is eerlijk. Niemand doet alles perfect. Het draait om inzicht, niet om doen alsof. U bent administrateur, toch?

Ja.

Bij jaarrekeningen ziet u ook fouten. Wat doet u dan?

Corrigeren, zonder nadenken.

U kijkt ze niet weg. Dit dagboek is geen rapport voor tien. Het is een hulpmiddel. Niet om uzelf af te straffen, maar om te zien wat er gebeurt. Dagen met brood en chocola horen erbij. Het gaat om wat u daarna doet.

Ze zwijgt, voelt iets verschuiven. Hij zegt verder:

Ik zie dat u uw best doet. Dat is al veel waard. Maar maak er geen examen van. U leeft, u hoeft niet te voldoen. Zie het als observeren, niet als beoordelen.

Op weg naar huis herhaalt ze die woorden: “Observeren, niet beoordelen.” Dat klinkt anders. Altijd dacht ze: goed of slecht. Of dieet, of alles verloren.

s Avonds schrijft ze in haar dagboek:

“Dag 27. Ochtend: bloeddruk 149/92. Pil genomen. Ontbijt: boekweit, ei, thee. Arts zei: dagboek is geen examen. Probeer mezelf niet af te straffen bij terugval, maar na te gaan waardoor.”

Ze denkt na. Die avond met het stokbrood kwam door moeheid, stress, honger, het gevoel “ik red het toch niet”. Ze schrijft erbij: “Triggers: extreme moeheid, het gevoel alles alleen te moeten doen.”

Ze las het woord “triggers” ergens online en vindt het fijn dat ze het mag benoemen zonder het op zichzelf af te schuiven.

Langzaam verandert het dagboek. Geen pure getallen meer, maar ook kleine notities over de dag.

“Chef schreeuwde op werk. Had zin om het weg te eten met iets zoets. In plaats daarvan thee, appel, wandeling. Toch bleef ‘t gevoel hangen.”

“Weekend. Man wilde barbecue. Gezegd dat ik beter geen vet vlees kan eten. Hij vond het ongezellig: Ben je dan geen mens meer? Uiteindelijk stukje gegrild vlees genomen, zonder vet, veel groente. Bloeddruk goed. Gevoel: trouw aan mezelf, maar toch ongemakkelijk.”

Ze leert te noteren wat ze voelt en doet, niet alleen wat ze eet. Niet altijd prettig; soms snakt ze naar haar oude overzichtjes. Maar iets in haar houdt vol: als ze dit diagnose niet alleen nu, maar misschien jarenlang heeft, moet ze zichzelf leren kennen, niet alleen de cijfers.

Haar omgeving reageert verschillend. Haar zoon vraagt via de app:

Mam, hoe gaat het met je bloeddruk? Loop je nog voldoende?

Eerst irriteert het, maar ze merkt dat hij bezorgd is. Ze spreken af dat zij eens per week een kort bericht stuurt: “Alles stabiel” of “Wat schommelingen, ik kijk waarom”.

Met haar man is het lastig. De ene keer bezorgd, de andere vergeet hij het.

Pil genomen? vraagt hij vaak, met zorg die klinkt als reprimande.

Ik ben volwassen, zegt ze. Ik vergeet het heus niet.

Sorry, ik maak me gewoon zorgen.

Op een avond krijgen ze ruzie. Ze komt thuis na een lange dag en er staat gebakken aardappels met vlees op tafel.

Ik zei toch, dat ik geen gebakken mag, zegt ze.

Moet het nu altijd gekookt? Ik wil ook gewoon normaal eten!

Kook dan wat je wilt, ik doe wel wat anders.

Dus nu twee soorten eten: één voor de zieke, één voor de gezonden, floept hij eruit.

Het woord “zieke” raakt haar meer dan ze verwacht. De brok in haar keel stuwt omhoog.

Weet je, zegt ze zacht. Ik heb dit niet gekozen. Ik heb niet gevraagd om hoge bloeddruk. En ik wil thuis niet gesplitst worden in “de zieke” en “de gezonden”.

Hij kijkt weg, schaamt zich.

Sorry. Ik ben gewoon bang. Stel dat er iets gebeurt.

Lang zitten ze stil. Uiteindelijk spreken ze af samen het menu te plannen, zonder verrassingen en dat er altijd iets is voor Anneke. Hij zal niet dagelijks vragen naar haar pillen, en Anneke vertelt hem als er iets is.

Het dagboek noteert ook dit:

“Dag 43. Ruzie met man over eten. Besef dat hij ook bang is. Afspraken gemaakt. Conclusie: aangeven wat ik wil en waar ik bang voor ben, niet hopen dat ze het inhuren.”

Terugvallen komen voor. Op een dag is ze zo moe dat ze haar pil s avonds gewoon overslaat. Dacht “van één keer gebeurt er niks”. Midden in de nacht herrie in haar oren, zware kop. Bloeddruk torenhoog. Ze zit rechtop te wachten tot de uitgestelde pil werkt, nadenkend hoe makkelijk ze zichzelf opzij zet.

s Ochtends schrijft ze eerlijk:

“Pil vergeten. Eigenlijk bewust uitgesteld door moeheid. Nacht slecht doorgebracht. Conclusie: niet mee stoeien, maar ook niet de hele dag zelf haten. Gewoon weer oppakken.”

Langzaam worden de tabelletjes zachter. Ze houdt haar bloeddruk en medicatie wel bij, maar voeding noteert ze globaal: “vooral groente en havermout, beetje zoet”, “veel brood, voel me zwaar”. Stappen hoeft niet langer boven tienduizend drie duizend is genoeg, meer is mooi meegenomen.

In plaats van een strakke halfuur work-out, vindt ze online een kort ochtendprogramma van tien minuten. Soms doet ze maar vijf minuten, noteert: “5 minuten beweegd. Beter dan niets.”

Als ze haar dagboek terugbladert, merkt ze dat ze minder groene markeringen ziet, maar ook minder strenge veroordelingen. In plaats van “mislukt” schrijft ze “moe”, in plaats van “zwak” “behoefte aan steun”.

Na een paar maanden weer bij de cardioloog. De uitslagen zijn stabieler. Bloeddruk soms te hoog, maar gemiddeld lager. De arts kijkt haar dagboek door, knikt:

U heeft uw eigen ritme gevonden. Dat is belangrijk. Geen heldendom nodig, juist volhouden.

Het woord “volhouden” klinkt haar prettig in de oren. Minder dramatisch dan “vechten” of “winnen”. Het doet denken aan een stevige kruk in plaats van een marathon.

s Avonds thuis geen haast in de keuken. Ze trekt haar wandelschoenen aan, licht jasje.

Waar ga je heen? vraagt haar man.

Even een rondje lopen. Loop je mee?

Oké, hij zet de tv uit, zonder protest een klein feestje, denkt ze.

Ze gaan samen naar buiten. De avond is zacht. Op het speeltuintje rennen kinderen, bij de portiek zitten buurvrouwen met tasjes van Albert Heijn. Het ruikt naar vochtige grond en de buren die koken.

Ze wandelen hun vaste route: rond het blok, langs de school, door het parkje. Anneke voelt haar hart gelijkmatig kloppen, geen paniek. Ze telt geen stappen, haar telefoon doet dat in stilte.

En, wat zei de arts? vraagt haar man.

Dat alles redelijk onder controle is. Geen idealen nastreven, gewoon vasthouden.

Je bent rustiger, zegt hij.

Anneke denkt na. De onrust is er nog wel, soms bij het zien van een hoge bloeddrukwaarde. Maar er is ook iets anders: dat ze handvatten heeft. Medicatie, wandeling, haar dagboek waarin ze eerlijk schrijft: Het was zwaar. En dat is geen veroordeling.

Thuis schenkt ze water in, opent haar dagboek:

“Dag 123. Ochtend: bloeddruk 138/88. Pil genomen. Middag moe, wilde eigenlijk liggen. Toch tien minuten bewogen. Avondwandeling met man, halfuurtje. We spraken over zomervakantie. Diagnose blijft. Soms nog angst. Maar ik heb steun: gewoontes, notities, mensen. Niet perfect, maar ik ben er.”

Ze zet een punt, sluit het dagboek en legt het klaar voor morgen. Op het fornuis pruttelt een pan boekweit, in de wasbak liggen twee borden van het lichte avondeten. Haar man bladert door de tv-gids, zoekt een film uit.

Anneke gaat rustig zitten. Haar hart klopt stabiel. In haar hoofd geen grote woorden over “nieuw leven”, maar één gedachte: morgen meet ze weer, neemt haar pillen, noteert wat ze eet en hoe ze zich voelt. Misschien grijpt ze naar iets zoets, misschien loopt ze een extra rondje.

En in dat “misschien” zit geen ramp meer. Er is leven, leren accepteren, met tabelletjes, fouten en kleine, maar echte stapjes vooruit.

Rate article