Lief dagboek,
Vandaag weer die eindeloze strijd met tante Tomme. Ik sta in de kleine éénkamerappartement op de rand van de stad, waar alleen het oude bos van het Gooi uit het raam te zien is. Het is beter dan niets, maar ik vraag me af hoe lang we dit nog kunnen volhouden.
Tomme, mijn onverzettelijke tante, klopte met haar vuist op de tafel en riep: Laat je man me maar naar de kliniek brengen, ik moet die neusoperatie! Ze sprak alsof ze een koningin was die een dienstknecht nodig had. Ik probeerde uit te leggen dat haar man, Mark, een fulltime baan heeft, maar ze sloeg haar hand tegen de tafel, Laat hem even vrij nemen! Kan hij niet zien dat een vrouw hulp nodig heeft?
Ik bood aan een taxi te betalen, maar Tomme lachte spottend: Rijk geworden, hè? Of heb je gewoon geld te veel? Ze drong erop aan dat ik het exacte bedrag noemde, en ik fluisterde: Hoeveel moet ik betalen, dan geef ik het meteen. Ze trok haar wenkbrauwen op en vroeg zich af of een taxichauffeur haar wel tot de kliniek kon brengen, of hij haar zelfs een jas zou laten passen in de garderobe, of hij daarna nog op haar zou wachten.
Tomme klonk zo ontevreden over Mark, alsof hij nooit had geleerd hoe een vrouw te dienen. Is je man onbeschoft? Begrijpt hij niet dat een vrouw hulp nodig heeft? riep ze. Ik verdedigde Mark: Hij is een goede man, hij zal het proberen, maar hij kan niet zomaar van zijn werk gaan. Tomme antwoordde met boosheid: Ik ga niet naar een dansles, ik heb duidelijk gezegd dat ik naar de plastisch-chirurgische kliniek moet! Hoe moet ik zonder begeleiding komen?
Ik herinner me hoe ze voortdurend zei dat deze ingreep voor haar een kwestie van leven en dood was. Als ik geen neusoperatie krijg, blijft mijn leven een ellende, erger dan ziekte! fluisterde ze, terwijl ze in de spiegel keek en elk kleinken gefrustreerd zag.
Ik stelde voor: Laat mij met je meegaan en de taxi betalen heen en terug. Tomme snauwde: Ja, ik wil dat iedereen denkt dat ik een jonge man heb die me bijstaat! Ze leek te genieten van het idee dat de buren zouden denken dat ze iets bijzonders voor hem doen.
Toen vroeg ze nog dat Mark een pen aan haar zou geven en haar met een lieve bijnaam zou aanspreken. Ik zei dat hij dat waarschijnlijk niet zou doen. Tomme antwoordde streng: Mij interesseert jouw of zijn mening niet! Doe wat ik zeg!
Ik voelde de druk toen ze me eraan herinnerde: Denk eraan, zonder mij had je niets! Jij bent nog steeds in mijn schuld! Ze dreigde dat ze binnen drie uur in de kliniek moest staan, en ik wist dat ik Mark moest overtuigen, maar de kans leek klein.
De herinneringen aan tante Tomme zijn altijd zwaar. Ik heb nooit een lach op haar gezicht gezien, alleen een constante ontevredenheid. Ze was nooit lief, maar ze was de enige die mij heeft grootgebracht. Ze voedde me, kleedde me, betaalde school, en bleef me voortdurend herinneren dat ik haar nooit moet teleurstellen.
Toen we nog jong waren, verloren mijn zussen Tessa en Sanne hun ouders in een vreselijke brand. De stad Rotterdam verbrandde, en we werden wezen. Tonne en Sanne, die toen net bij de tien waren, moesten het allemaal alleen doen. Ik herinner me hoe Tomme, ondanks haar harde aard, ons een klein appartement met uitzicht op het bos gaf.
Tomme werkte als caissière in een supermarkt, Sanne ging naar een technisch college, en ik vond een baan als verkoper in een buurtwinkel. Het was een schrijnende situatie, want Sanne wilde trouwen met haar vriend Olivier, maar hij had geen geld of een eigen woning. Tomme zei: We nemen een lening! en zond ons al snel in de schulden.
Toen mijn dochter Liesje negen jaar oud was, zei Tomme tegen haar: Jouw moeder is weg; nu ben ik zowel mama als papa voor jou. Ze liet niemand weten dat ze ook niet mijn eigen moeder was, alleen een strenge tante die zich als enige verzorger opstelde.
Liesje moest al vroeg volwassen worden, moest helpen in het huishouden, en moest de boodschappen doen voor Tomme. Er was geen ruimte voor eigen dromen; alles draaide om wat Tomme nodig had.
De enige keer dat ik tegen Tomme in opstand kwam, was toen ik besloot met mijn echtgenoot, Roderik, te verhuizen. Hij is programmeur en verdient goed, maar Tomme riep: Jij moet nu met mij naar de kliniek! Ik smeekte Roderik om mee te gaan, en na veel wikken en wegen stemde hij toe.
Vandaag belde de telefoon; een onbekende man en een vrouw van midden veertig stonden bij de deur. De man had een gladgeschoren hoofd, de vrouw was grijs en keek me met lege ogen aan. Ze stelden zich voor als mijn biologische ouders. Ik was verbijsterd. Tomme had me altijd verteld dat er niemand anders was.
De man overhandigde een foto van een kinderwagen die ik ooit met Tomme had verkocht, met twee jongere mensen erachter. De vrouw begon te huilen, en de man drukte een doek tegen haar tranen. Ze zeiden: We moeten met je praten, het is tijd om alles uit te leggen.
Ik sta hier nu, met een handvol herinneringen, een hart vol verwarring en een hoofd vol vragen. Hoe moet ik verder gaan? Moet ik de eisen van Tomme blijven opvolgen, of kan ik eindelijk mijn eigen leven kiezen?
Misschien vind ik morgen een antwoord. Voor nu schrijf ik dit op, zodat ik niet helemaal verdwaal in de stilte van dit oude appartement.
Tot morgen, dagboek.






