Kom niet, kinderen…

15 december 2025

Vandaag kwam Madelief, mijn dochter, thuis van een wandeling door de achtertuin van ons appartement in Rotterdam. Waar ben je zo heen gerend? vroeg ik verbaasd toen ik haar zag binnenkomen, haar handen nog vol zand. Ze keek even in de spiegel, waar zich een dun web in haar haar had neergelegd. Ze trok haar spijkerbroek uit en vond een eikelsnoer in haar zak. Zonder aarzelen stopte ze de eikel onder haar kussen.

Ik ga douchen, je vader is zo bij ons, en dan gaan we samen avondeten, zei ik. Madelief stormde de badkamer in, alhoewel haar maag helemaal niets wilde eten. Terwijl ze onder de warme straal stond, dacht ze bij zichzelf: Altijd met die telefoon, nooit buiten spelen dan loopt het niet lekker.

Mijn vrouw hoorde haar gedachten en riep vanuit de keuken: Als je netjes door de straat wandelt, blijft je jurk schoon! Het was een oude Nederlandse uitdrukking die ze van haar moeder had meegekregen. Madelief vulde het bad met schuim en vroeg zich af waarom de straat zo saai was één kind alleen, zonder vriendinnen.

Bij de supermarkt hoorde ze twee oude dames fluisteren: Mevrouw De Vries, in dat oude huis aan de Lomanstraße hebben ze weer spoken gezien. Het woord Loman klonk bijna als een toverspreuk. De kassière, een joviale Rotterdamse vrouw, knikte en zei tegen de andere klant: We moeten de politie bellen! Maar de andere vrouw lachte en riep: Wat kunnen die politieagenten hier tegen de geesten doen?

Madelief pakte haar boodschappen in een tas en stapte de winkel uit. Op het terras van de winkel zagen twee vrouwen met grote handen gebaren maken. Spoken in de twintigste eeuw! dacht ze bij zichzelf en schudde haar hoofd. In die tijd zou men niet meer zoiets geloven.

Later die avond stond Madelief op het balkon van ons nieuwe appartement, terwijl de geluiden van de bouw van de omliggende hoogbouw nog zachtjes hoorbaar waren. De oude viervijfsflat naast ons, gebouwd zon dertig jaar geleden, stond vol ouderen die over de duivel spraken. De bomen in de straat waren nog jong, maar er stonden al oude populieren die de nieuwe huizen van de oude scheuren scheidden.

Ze keek over de rij hoge eiken en zag de scheve daken van een vervallen boerderij. Was dit ooit een oude boerderij van voor de Tweede Wereldoorlog? vroeg ze zich af. De gedachte aan spoken deed haar lachen: Misschien hebben ze daar wel een heks, Bàba Yaga, die zich verveelt in een flat! Ze stelde zich voor hoe een heks op de dakgoot zou zitten.

Mijn vrouw riep haar naar binnen voor het avondeten. Na het diner keken we een Nederlandse film, en daarna spraken we over een mogelijke overstap naar een andere basisschool dichter bij ons huis. Madelief hield vast aan haar oude school, waar alle vriendinnen al bekend waren. Met een nieuwe school krijg je meer slaap! zei ik, maar ze protesteerde tot ik haar uiteindelijk naar bed stuurde met een belofte om erover na te denken.

Voor het slapengaan klom ze nog even opnieuw op het balkon. De donkere takken van de bomen leken te glinsteren. Drie keer verscheen een flits, precies boven de oude boerderij die ze overdag had gezien. Iemand geeft een signaal! fluisterde ze, maar het licht verdween weer.

De volgende ochtend werd ik wakker terwijl Madelief al op de voorgrond stond. Ze zuchtte: Een nieuwe lange dag wacht. De vriendinnen waren op vakantie of bij de grootouders, en zij moest nu weer alleen. Na het ontbijt besloot ze te wandelen. De stad was te saai; de oude flatten boeiden haar niet meer.

Ze dacht terug aan de geruchten over spoken en besloot naar die oude boerderij te gaan. Ze trok haar spijkerbroek aan, zette haar versleten sneakers aan en rende de trap van de twintigste verdieping af, zelfs zonder de lift. De lift werkte niet, maar dat trok haar niet uit; ze sprong naar buiten en rende het trappenhuis uit, richting de bomen.

Op het pad hoorde ze een diepe stem: Waar ga je, meisje? Ze draaide zich om en zag een oude vrouw in een lange zwarte mantel het leek wel Bàba Yaga. De vrouw leek ineens jonger, alsof de tijd zich om haar heen had gekronkeld. Minder oude vrouwen horen te luisteren in de winkel, dacht Madelief.

Waar ga je heen? vroeg de vrouw opnieuw. Ik ga wandelen! riep Madelief, vastberaden. De vrouw knikte en waarschuwde: Verlies jezelf niet, maar verdwalen is niet erg.

Madelief liep vijf meter verder, maar de bomen leken zich te verplaatsen, de weg verdween en kwam weer tevoorschijn alsof ze een labyrint was. Ze herinnerde zich de winkelrijm: Wat een rotzooi. Ze lachte om de oude geruchten en volgde de steeds smaller wordende paadjes.

Na twee minuten stond ze voor een enorme, oude boom een kale, uitgestrekte wilg die haar blokkade leek. Aan beide kanten van het pad stonden dichte struiken die haar bijna verlamden. Ze voelde zich klein en verloren. Plots hoorde ze een stem in haar hoofd fluisteren: Terug, terug, terug. Maar Madelief weigerde: Ik geloof niet in spoken, zelfs niet overdag!

Ze kroop onder de boomstam door, voelde zich even vastzitten, maar kroop er vervolgens uit en schudde de bladeren van zich af. Een enorme zwarte kat, zo groot als een kleine beer, sprong uit de schaduwen.

Jij bent echt een eigenwijze meid, miauwde de kat. De kat keek haar recht aan, maar er was geen angst in haar ogen. In plaats daarvan leek hij te bewonderen hoe dapper ze was. Het grote beest, met een glanzende vacht, likte zich even en ging toen op haar af.

Hallo, zei Madelief zachtjes, hoewel ze een beetje verbaasd was. De kat bromde en zei: Wat wil je? Een snack? Madelief schudde haar hoofd en fluisterde: Ik wil alleen terug naar huis.

De kat knikte, liet zich tegen haar aanwrijven en fluisterde: Kom, we gaan. Samen liepen ze langs een rij bomen die nu een rechte weg vormden. Aan het einde van de route stond een houten poort met een oud, donker hout. Het leek op een kasteelpoort uit een sprookje.

Madelief voelde een warme wind, en de kat duwde haar door de poort. Daarachter vond ze een kamer vol warme, knapperige koekjes en een tafel vol heerlijke zoete appeltaarten. Een oude man met een lange baard zat aan de tafel.

Vind je het leuk? vroeg hij. Ja! riep Madelief. De kat zat naast hem en mompelde: Hij liegt niet.

De oude man bood haar een stuk appeltaart aan. Ze proefde het en het was net zo zoet als een stroopwafel op een koude winterdag. Toen ze klaar was, zei de oude man: Wat wil je, kind?

Madelief dacht even na. Ze wilde een kat, maar ze wist dat we nog verhuisden. Ik wil een klein katje, fluisterde ze. De oude man lachte: Geen juwelen, geen kleren, alleen een kat.

De kat sprong op haar schoot, spinde en zei: Zo, nu is je wens vervuld. Hij opende de deur, en een helder licht stroomde naar buiten. Madelief zag haar eigen huis tussen de bomen.

Terug in de realiteit stond ze met een eikel in haar zak, een herinnering aan het avontuur. De telefoon ging; mijn stem klonk vanuit de gang: Madelief, kijk wat ik voor je heb! Ik hield een klein, pluizig kitten in mijn hand, oranje als herfstbladeren.

We noemen hem Bink! zei ik, en ze straalde van geluk. De avond vulde zich met het zachte spinnen van Bink, en later, toen het tijd was om te slapen, fluisterde hij tegen haar: Vergeet de eikels niet te sparen voor de winter.

Ik legde haar in bed, kuste haar voorhoofd en zei: Slaap lekker, mijn meisje. Terwijl ze in slaap viel, dacht ik na over de les van vandaag: zelfs als je denkt dat er geen geesten of heksen zijn, kun je op onverwachte paden terechtkomen die je sterker maken. Het leven is vol verstopte poorten; soms moet je alleen durven lopen, en dan vind je je eigen magische wereld.

een les voor mijzelf en voor iedereen die dapper genoeg is om te zoeken, zelfs in de schaduwen van alledaagse straten.

Rate article