‘Een jongen werd bij de deur van het ziekenhuis achtergelaten in de vroege ochtend, en de eerste die het kind vond was de conciërge ome Henk.’

De vroege ochtendmist hing nog over de poort van de kraamkliniek in het pittoreske Goudriaan, toen een onbekende kratten op de stoep werd neergezet. De eerste die de doos opende, was de wachter van het terrein, oom Joris, de aloude straatveger die al sinds zijn pensioen niet meer stil kon zitten. Joris was ooit boekhouder geweest, maar de cijfers hadden hem niet genoeg beweging gegeven, dus had hij zich als schoonmaakman geadopteerd niet voor het loon, maar omdat hij een taak nodig had.

Zonder een geluid te horen, voelde Joris onmiddellijk dat er een baby in die kratten lag. Hij duwde de deksel open, zag de kleine, slapende verschijning en stormde meteen naar de ingang van de kliniek. Zijn enige gebed was dat het kind gezond zou blijven, want het was schrikbarend stil. De verpleegsters, die net de deur opendeiden, zagen een levend, roze gezichtje en zuchtden van opluchting het kleine wonder was in orde.

Goudriaan was zo klein dat iedereen elkaars naam kende. Het vermoeden viel al snel op Madelief van den Berg, een jonge vrouw die bijna elk jaar een kind baarde en die haar zwangerschappen nooit in het ziekenhuis liet registreren. Na een grondig onderzoek bleek echter dat Madelief deze keer niets met de baby te maken had. De biologische moeder bleef onvindbaar, en het kind werd, na de nodige controles, naar het kinderdagverblijf De Kleine Spruit gebracht, dat niet ver van de kliniek lag.

Toen de verpleegkundige de baby zag, riep ze uit: Kijk eens, wat een watermeloen! Het woord watermeloen werd al snel een liefdevolle bijnaam, want het kleine ventje was robuust en vrolijk. Uiteindelijk stelde oom Joris voor om hem Maarten te noemen een naam die hij zelf had gekozen maar de bijnaam Watermeloen bleef onverminderd plakken, zelfs in het kinderdagverblijf.

Daar vond Maarten al snel een pleeggezin. Anna van der Laan, de voogdster van het huis, was dolgelukkig. Het was een schok voor het personeel toen, bijna drie jaar later, Maarten onverwacht terugkwam. Het pleeggezin kreeg een eigen baby en Maarten was ineens overbodig. Hij keerde terug als een slank, sprunghartig jongetje, veel ouderwets intelligent en zelfs wat verlegen. Hoe het zo snel kon gebeuren, begreep niemand; alleen hun harten brak.

Maarten huilde vaak, riep naar zijn moeder, vader, grootmoeder, staarde urenlang uit het raam op zoek naar een gezicht dat nooit zou verschijnen. De zomer kwam en de kinderen speelden buiten, maar Maarten had geleerd niet meer te wachten op anderen. Hij vond het moeilijk om met andere kinderen te praten en zocht zich op stille, onopgemerkte plekjes.

Op een dag gebeurde er iets onverwachts: een kat, een dunne grijze met een scheve staart, verscheen in het kinderdagverblijf. De kater heette Muisje. Het was verboden katten in het gebouw, maar Anna kon de slimme beest niet verjagen. Ze gaf hem aan de plaatselijke keukenchef, maar die rende terug naar het gebouw. Vijf keer probeerde men Muisje weg te krijgen, maar hij keerde telkens terug, sluipend achter de chef, die s ochtends naar zijn werk liep en de kat stilletjes volgde.

De chef, tante Jenne, noemde hem Muisje omdat hij altijd een truc uithaalt. Anna zwaaide het beest vaak af, want hij hield zich op de daken van de wachtruimte en stak kinderen niet aan. Toch werd Muisje Maartens enige echte vriend. Sinds hun vriendschap opende Maarten zich meer, lachte vaker en leek zelfs weer een kind te worden.

Anna nam Muisje mee naar de dierenarts, zodat ze zeker wist dat hij gezond was. Maarten merkte de afwezigheid van de kat niet, maar Muisje koesterde een stille wrok tegen Anna. Een andere familie, de Looijmans, kwam langs om Maarten te ontmoeten, maar hun eerste indruk was niet voldoende; ze vertrokken met de belofte terug te komen. Anna wist echter dat ze nooit zouden terugkomen.

De dagen gingen voorbij, en Muisje begon kleine geschenken te brengen een dode muis, een stuk touw en kreeg soms een klap van tante Jenne met een keukenborstel. Het was een kleine wraak, maar de kat hield vol.

Uiteindelijk belandden er twee nieuwe mensen bij de deur: Tanja en Simon, een getrouwd stel met een eigen dochter, die graag een weeskind een thuis wilden geven. Hun hart was groot en ze vonden Maarten meteen lief. Toen ze hoorden dat hij twee keer was weggelaten, wisten ze dat hij hun kind moest worden. Maarten voelde meteen een klik met Tanja en Simon.

Op de dag van de overdracht stond de oude boekhoudkundige oom Joris, die nog steeds de poort bewaarde, naast hen. Hij zag Maarten, herkende de watermeloen, en barstte in een schaterlach uit: Kijk nou, wat een jongen! Het blijkt dat we elkaar al jaren kennen. Ik heb hem al die naam gegeven! De wegen van het lot zijn ondoorgrondelijk. Maartentje, jij bent mijn echte kleinzoon, een beetje verdwaald, maar ik zorg dat je weer helemaal terug bent!

Maarten begreep niet al het verhaal, maar knikte en glimlachte. Iedereen stond even sprakeloos, maar de vreugde was enorm. Terwijl de volwassenen zich omdraaiden naar de auto, brak Maarten plots in tranen uit. Tanja rende naar hem toe, probeerde hem te troosten, maar hij bleef wankelen van verdriet.

Anna, die het vertrek zag, legde het uit: Muisje zat een eindje verderop, somber en teleurgesteld, en keek naar zijn baasje. De kat had zich eenzaam gevoeld en nu, nu Maarten wegging, huilde hij.

Zo kreeg het gezin van Tanja en Simon twee nieuwe leden: een lieve jongen en een eigenzinnige kat. De kleine Goudriaan bleef, voor even, een plek vol onverwachte wendingen en stille helden.

Rate article