25 oktober 2025
Lieve dagboek,
Al jaren ken ik Piet van de kantoren van Rotterdam, bijna een eeuw aan vriendschap. Vandaag stond hij voor me, zijn grijze baard al half wit, en vroeg om een gunst.
Jan, ik snap het wel, maar kijk eens naar je leeftijd. Waar kan ik je nog heen sturen? Ik was ooit manager, nu wil je mij als kraanmachinist? grinnikte Piet, terwijl hij naar mij keek.
Ik knikte en gaf een korte knik.
Hou je taai, Jan Ik bel je als er iets goeds opduikt. Niet klagen, vriend! We komen er wel doorheen! riep Piet nog terwijl hij wegging.
Dit was niet de eerste afwijzing in de afgelopen twee weken. Ik, Jan de Vries, begon langzaam te wennen aan het stilhouden en hield mijn kalmte. Aanvankelijk viel het zwaar, maar zoals men zegt: Een vriend wordt pas echt getest in de storm.
Heel mijn loopbaan, van afdelingshoofd tot projectleider, heb ik veel collegas en kennissen opgebouwd. Maar wanneer de problemen kwamen, stond niemand klaar. De nieuwe directeur nam zijn eigen team mee en vroeg me beleefd, doch beslist, om een opzeggingsbrief te sturen. Mijn pensioen was nog maar een paar maanden verwijderd, maar dat leek niemand iets te schelen. Zo stond ik ineens zonder de oncerespectabele baan en zonder inkomen.
Toch gaf ik niet op. In Amsterdam, waar ik mijn vrienden had geholpen met werk, studie en allerlei andere problemen, dacht ik: Karel zal me niet laten zitten, ik heb hem ooit uit de brand gered. Zo sprak ik tegen mijn vrouw, Marijke, voordat ik naar een nieuw sollicitatiegesprek ging.
Hij kwam terug met een fronsende blik:
Wat een pech, vriend, zuchtte hij.
Marijke begreep meteen wat er in mijn ogen stond.
Kom maar zitten, Jan. Alles wat gebeurt, gebeurt wel voor het beste, zei ze terwijl ze de tafel dekte.
De rest van de avond bladerde ik door mijn notitieboekje vol telefoonnummers van de beste vrienden.
Plots kreeg ik onverwachte hulp van een oude kennis, Rob, die nu de directeur is van een kleine vleesverwerkende fabriek aan de rand van de stad.
Ik kan je aannemen als inkoper. Het is een drukke baan, maar je kunt het aan, stelde hij mij beleefd.
Vol enthousiasme begon ik de volgende dag met mijn nieuwe taak. De fabriek lag achter een ijzeren omheining waar twee stevige arbeiders een vrachtwagen vol vlees uitlaadden. Niet ver daarvandaan zat een bende lokale katten die het spektakel van dichtbij volgden.
Met een glimlach keek ik naar de gestreepte, snorrrende beesten die synchroon hun snorharen wiegden terwijl ze de nieuwe levering bekeken. Later bleek dat die katten een eigen kleine bende vormden, die vreemdelingen niet zomaar toeliet. Ze waren eigenzinnig en niet erg knuffelig. Iedere keer dat ik een van die gestreepte katjes probeerde te aaien, sprong hij weg of sisde.
Wat een ruige kerels, lachte ik terwijl ik toekeek hoe de keukenmeesteres Elske de restjes lunch wegschoof.
Ja, ze laten zich niet makkelijk aaien, knikte Elske, wijzend naar een paar kittens die tussen hun grotere broeders rondrenden.
Na een paar weken voelde ik me thuis en kende ik alle katten bij naam. Ze vertrouwden me langzaam, want ik gaf ze geregeld wat te knabbelen, ook al had ik zelf geen huisdieren. Iedere keer als ik even buiten een sigaret rookte, verzamelden de katten zich om me heen en keken me met respectvolle ogen aan, op zoek naar een kleinigheid voor hongerige magen.
De herfst kwam met grauwe wind en regen. De katten verscholen zich meer, maar misten geen maaltijd. Op een dag verscheen er een nieuwe, dunne, zwarte kitten met een kale plek op de rug. Hij hield zich apart van de rest, alsof de bende hem niet accepteerde, maar hij viel meteen in mijn hart.
Ik stond buiten de loods, rookte mijn sigaret, toen plots een klein zwart bolletje op dunne pootjes naar me toe kwam.
Miauw, siste hij hees en nieste.
De andere katten keken er onverschillig naar; ze waren allemaal bruingestreept met geelgroene ogen. De kitten wreef zich tegen mijn been en begon te spinnen.
Kijk eens hoe lief hij is, zei ik glimlachend.
Hij is vast door iemand achtergelaten, onze eigen katten weren hem al, merkte Elske op.
Voorzichtig gaf ik de kitten een stuk worst, terwijl ik de andere katten wat verderop een hapje gaf. De kitten bleef nog een tijdje bij mijn hand, voordat hij eindelijk begon te eten.
Ik besloot hem Pekeltje te noemen. Marijke lachte.
Wie ga jij die kleine gast mee naar huis nemen? vroeg ze.
Nee, we hebben geen katten in de flat, antwoordde ik aarzelend.
De volgende dag hoorde ik een bekende stem achter me.
Hey Jan, hoe gaat het? riep Piet, die zich haastte naar me toe.
Heb je al werk gevonden? vroeg hij vriendelijk.
Ik keek koel en knikte, zonder hand uit mijn zak te halen. De vriendschap was al jaren oud, maar nu voelde hij zich afstandelijk.
De kitten, Pekeltje, zat op een houten plank bij de ingang van de loods, zijn zwarte vacht leek op stekeltjes in de winterkou.
Wat? Laten ze je niet binnen? zei ik hardop naar de katten, die met hun gele ogen toekeken, benieuwd of ik ze nog zou voeden.
Die dag meldde de radio een zware sneeuwval die de stad zou overspoelen. Een collega, Daan, vroeg of hij me naar huis kon brengen.
Nee, breng me liever naar de fabriek, zei ik plots.
Hij lachte en reed me naar het hek. Ik rende naar het plankje waar Pekeltje altijd zat en riep:
Pekeltje, kom hier!
Maar de kitten bleef uit. De andere katten hielden afstand, terwijl twee raven op het hek zaten en de stilte observeerden. De sneeuw viel steeds harder.
Ik riep: Pekeltje! Waar ben je? terwijl ik om me heen keek. De katten zochten beschutting in hun hok, wetende dat er geen voedsel meer kwam.
De volgende ochtend lag de stad onder een dikke laag sneeuw, precies zoals de weersvoorspelling had gezegd. Iedereen worstelde met de witte deken, ik ook. De conciërge had de paden geruimd, en de katten piepten af en toe vanuit hun hok.
Ik legde een bak met resterende worst aan hen.
Hier, neem dit! Pekeltje stuurt je groeten, fluisterde ik, terwijl ik de bende katten aandachtig bekeek.
Er was iets vreugdevols in mijn hart, alsof ik weer een kind was dat met zijn ouders van de sneeuwheuvel rolde. Het voelde vertrouwd, misschien door de herinnering aan toen ik als kleine jongen met mijn ouders naar de schaatsbaan ging.
Toen, net op het moment dat ik de bak opende, kroop Pekeltje uit zijn verstopplaats, keek me met grote, hoopvolle ogen aan en sprong tegen mijn benen. Ik pakte hem en hield hem stevig tegen me.
Goed zo, Pekeltje! Eindelijk ben je gevonden, vriend! zei ik blij.
Hij snuiftte, nieste en kietelde me met zijn kleine pootjes, alsof hij bang was mij te verliezen. Marijke keek verrast toen ik met de kitten op de voordeur stond.
Heb je hem toch meegenomen? vroeg ze geamuseerd.
Ja, hij is zo klein en schattig, stamelde ik, terwijl ik de kitten voorzichtig op de vensterbank zette.
Hij snuffelde nieuwsgierig en begon zich te settelen in zijn nieuwe omgeving.
Terwijl ik de kitten observeerde, twinkelden mijn ogen van geluk. Marijke omhelsde haar stevige, ietwat norse echtgenoot; zij wist als geen ander dat er een zacht hart onder die ruwe buitenkant schuilde.
De vriendschap tussen een oude man en een klein zwart katje is misschien anders dan die tussen twee mensen, maar zowel ik als Pekeltje weten dat er geen ruimte is voor verraad, leugens of vleierij. Het is een vriendschap die geduld, vertrouwen en een warm hart vraagt.
Lesson: zelfs wanneer het leven je zonder baan en zonder zekerheid laat staan, kun je door kleine daden van vriendelijkheid voor mensen én voor dieren een nieuwe betekenis vinden. Het is het eenvoudige gebaar van een broodje worst dat eenzaamheid tot leven wekt en ons herinnert dat echte vriendschap nooit vergaat.






