Zussen: De Kracht van Verbondenheid en Samenwerking

30 oktober 1945
Vandaag heb ik weer stilgezeten in mijn kleine slaapkamer in het krakerscomplex De Vredeswijk, aan de rand van Amsterdam, en dacht ik terug aan de twee zusters die vroeger de gangen beheersten. Ik schrijf dit alsof ik een oude foto van hen bekijk, alsof hun grijze werkkleding nog steeds over de kale muren hangt.

Alida de Vries en haar jongere zus Vera Jansen waren de meiden van de gang. Ze waren niet tweeling, maar het leeftijdsverschil van slechts twee jaar maakte het voor de anderen moeilijk te zien dat ze geen klonen waren. Beide waren slank, fijngebouwd, met dunne, altijd getuite lippen en een strakke knot op hun hoofd. In dezelfde grauwe, utilitaire overaluniformen gekleed, werden ze door de hele bewonersgemeenschap jong en oud gevreesd, bemind en tegelijk minachtend bekeken.

Jongeren vonden het vreselijk dat ze voortdurend commentaar leverden en altijd ontevreden waren. Ze laaiden over te harde muziek, over de nachtelijke feesten en over de late thuiskomst van de jongens Kees en Jan. De kinderen schrokken, want de oudere dames meldden elke kleinste overtreding aan de beheerder: het laten branden van het licht in de toiletruimte, of een weggegooide snoepverpakking in de hal.

Madelief, de zoete en vriendelijke buurvrouw die altijd een glimlach klaar had, werd door iedereen gezien als de tegenpool van de zusters. Ze had zelf geen universitaire graad die hadden Alida en Vera wel en geen gezin of kinderen, maar toch werd ze wel geprezen om haar hoffelijkheid. Ze mengde zich nergens in de ruzies, negeerde de kinderstreken van Kees en Jan en liet de zusters hun tirade voortzetten. De kinderen hielden van Madelief; ze fluisterde geen woord aan de bewoners, maar knipoogde en lachte zachtjes wanneer ze langs kwam.

De krakerswoonwijk was altijd een kakofonie van stemmen, van kinderen die renden en schreeuwden. Vaak kwam Alida, de oudere van de twee, naar de gemeenschappelijke hal en sprak streng met samengeknepen lippen:

Zo niet, kan je niet zo hard roepen! Misschien rust iemand nu? zei ze, terwijl ze met de vinger naar de deur wees waar Vera een boek schreef. De hele gang lachte, en Madelief zette zich steeds wel bovenaan op de lijst van geruchten.

Vera, die haar lippen nog dunner trok, antwoordde niet, maar liep naar haar kamer en huilde stilletjes op de schouder van Alida:

Alida, waarom vertel je ze over dat boek? Ze lachen ons al genoeg.
Alida troostte haar: Laat ze maar lachen, ze doen het niet uit kwaadwilligheid. Ze zijn onze buren, bijna familie. Neem het niet zwaar.

In 1940 brak de oorlog uit, en in september 1944 begon de Hongerwinter. Eerst voelde het nog warm en leek de voeding nog wel te komen, maar al snel waren de voedselbonnen, de lege kamers en het schrale gezoem van sirenes alledaagse realiteit. De jongeren zongen niet meer op hun gitaren, de kinderen speelden geen verstoppertje. Het was doodstil, en die stilte sneed dieper dan het vooroorlogse rumoer.

Alida en Vera werden nog magerder, maar hun grauwe uniformen hingen nog steeds los om hen heen, als een oude gordijnstof. Ze hielden de orde, nu over een andere soort chaos: de tekortkomingen van de oorlog. Madelief kwam alleen nog uit noodzaak. Op een dag verdween ze volledig. De zusters zochten haar dagenlang, maar ze was als weggevaagd.

In de lente van 1945 kwam de eerste dood. De moeder van de jongen Tobbe stierf, en hij bleef alleen, een kind van elf jaar. De krakerswijk voelde medeleven, maar de oorlog liet weinig ruimte voor troost. Alida en Vera namen Tobbe onder hun hoede, voedden hem, en later ook de broertjes Bas en Jan, wiens vader al lang aan het front was. Zo werden ze de beschermers van bijna alle weeskinderen in de wijk.

Elke dag, precies om tien uur s middags, kookten de zusters één pot soep. Het was een magische, vette soep, hoewel er nauwelijks ingrediënten over waren. Ze noemden het Laks een woord dat in de wijk een eigen betekenis kreeg. Tobbe vroeg nieuwsgierig:

Alida, waarom Laks? Ik herinner me nog dat jullie Kees zo noemden.
Alida lachte en droop een traan: We maken die soep op lakschen wijze, met alles wat we vinden: gerst, spliterwten, soms een plakje kippendik! Een lepel vol liefde en een snufje hoop.
Vera voegde er een piepklein stukje suiker toe, die ze met een vinger afpakte en meteen in haar mond stopte, zodat er geen graantje verloren ging bij het doorgeven.

De kinderen verzamelden zich rondom het bord, en al snel kwam iedereen bij elkaar in de kleine ruimte, warm en niet meer zo eenzaam. Vera vertelde s avonds sprookjes uit haar onafgemaakte boek, en zelfs al lag het boek in de hoek om te verbranden, herinnerde ze elk verhaal levendig. Vertel me van de prinses uit de Sneeuwbergen, smeekte een jongetje. Dat doe ik, antwoordde Vera, en begon te weven.

De taken werden verdeeld: Tobbe stookte de kachel, Bas verzamelde brandhout, de meisjes haalden water, en iedereen kreeg kaartjes uitgedeeld om te ruilen. Ze zongen elke ochtend gezamenlijk, zelfs als de stem van Jan soms brak.

Aan het einde van de Hongerwinter waren er twaalf kinderen onder hun zorg. Ze overleefden een wonder, bijna een mirakel. De soep Laks bleef zelfs na de oorlog op de tafel staan. De kinderen groeiden, vertrokken, maar vergaten nooit Alida, Vera en de warme zorg van de moeders van de gang.

Alida en Vera leefden tot hun honderdste levensjaar. Het onafgemaakte sprookjesboek werd uiteindelijk Mijn geliefde krakerswijk genoemd. Elk jaar op 5 mei, de Bevrijdingsdag, kwamen de kinderen, nu volwassen, samen bij Alida en Vera die toen al onder ons waren om te herinneren hoe een pot soep, een beetje suiker, en een hoop liefde een generatie heeft gered.

En het belangrijkste gerecht op die tafel? Juist, de Laks de enige soep die ik ooit heb geproefd die me tegelijk de kou van de winter en de warmte van een thuis gaf.

Mijn notities,
Madelief.

Rate article