Mama die haar baby met liefde grootbrengt, terwijl haar man het niet wil.
Elke ochtend word ik gewekt door het zachte gehuil van Lieke. Ze is zo klein, zo volmaakt. Haar vingertjes krullen zich om de mijne als ik haar oppak, en ineens lijkt de wereld weer zin te hebben.
“Goedemorgen, schat,” fluister ik terwijl ik haar uit haar wieg til. “Heb je lekker geslapen?”
Uit de keuken hoor ik de zware voetstappen van Maarten. Hij is altijd een man van weinig woorden geweest, maar sinds Lieke er is, is hij nog zwijgzamer geworden.
“Praat je weer tegen jezelf?” vraagt hij in de deuropening, met die blik die ik nooit kan lezen.
“Ik praat niet tegen mezelf. Ik praat tegen Lieke.”
Hij zucht en haalt zijn hand door zijn haar.
“Fenna, we moeten praten.”
“Later,” antwoord ik, terwijl ik haar zachtjes wieg. “Eerst moet ik haar voeden.”
Ik zie hem weglopen en voel even een steek van schuld. Ik weet dat Maarten iets moeilijks doormaakt, maar Lieke heeft me nodig. Ze is zo kwetsbaar, zo afhankelijk van mij.
Overdag, als hij aan het werk is, hebben Lieke en ik onze vaste routine. Ik zing haar slaapliedjes, was haar voorzichtig, lees haar voor. Ze luistert met die stralende oogjes die elk woord lijken te begrijpen.
“Papa gaat van je houden,” zeg ik terwijl ik haar verschoon. “Hij heeft alleen even tijd nodig om eraan te wennen.”
Als Maarten s avonds thuiskomt, verzint hij altijd een reden om haar naar een andere kamer te brengen. Hij kijkt niet naar haar, vraagt niet naar haar. Soms hoor ik hem huilen in de badkamer, en ik begrijp niet waarom.
Op een avond, nadat ik Lieke in bed heb gelegd, vind ik Maarten op de bank, een foto in zijn handen.
“Wat is dat?” vraag ik.
Hij kijkt op, zijn ogen rood.
“Herinner je je dit nog?”
Het is de echo. Onze allereerste echo, acht maanden geleden. Ik herinner me die dag nog precies: de opgewektheid, de plannen, de namen die we samen hadden bedacht.
“Natuurlijk herinner ik me dat,” zeg ik en ga naast hem zitten. “Dat was toen we wisten dat Lieke zou komen.”
Maarten sluit zijn ogen, en de tranen rollen over zijn wangen.
“Fenna… Lieke is er niet.”
“Waar heb je het over? Ze slaapt in haar kamer.”
“Nee, lieverd. Er is geen babykamer. Geen wieg. Geen Lieke.”
Ik spring op.
“Je bent gek! Natuurlijk is ze er! Ik heb haar net in bed gelegd!”
Ik ren naar de kamer, maar Maarten volgt me. Als ik de deur open, doet hij het licht aan.
De kamer is leeg. Geen wieg, geen mobiel aan het plafond, geen piepkleine kleertjes die ik die ochtend dacht te hebben gewassen. Alleen stoffige dozen en oude meubels.
“Lieke…” fluister ik.
“We hebben Lieke zes maanden geleden verloren, Fenna,” zegt Maarten met een gebroken stem. “Na 32 weken. Weet je het niet meer? De navelstreng… de dokters zeiden dat er niets aan te doen was.”
De beelden komen terug als glasscherven: het ziekenhuis, de stille monitoren, mijn lege armen.
“Maar ik draag haar elke dag… ik geef haar eten… ze lacht naar me…”
Maarten omhelst me terwijl ik in elkaar zak.
“Je hebt een dekentje vastgehouden, schat. Ertegen gepraat. Ik zag je het wiegen, de ‘luier’ verschonen. Ik heb gewacht tot je het je weer herinnerde, tot je terugkwam bij mij.”
Ik kijk naar mijn lege armen en voel ze voor het eerst in maanden echt leeg. Het gewicht dat ik dacht te voelen, de fluisterstemmetjes die ik dacht te horen, alles lost op als rook.
“Lieke… mijn Lieke…”
“Ik weet dat het pijn doet,” fluistert Maarten. “Het doet mij ook elke dag pijn. Maar we moeten samen verder, zonder haar, maar samen.”
Die nacht huil ik voor het eerst sinds de begrafenis die ik me niet kon herinneren. Ik huil om mijn kindje dat nooit thuiskwam, om mijn man die mij in een fantasie zag verdwijnen en geduldig wachtte tot ik terugkeerde, om al die maanden die ik aan echt verdriet heb ontdaan.
Maar ik huil ook van opluchting, omdat ik eindelijk kan beginnen met helen.
En Maarten is hier, wachtend op me, zoals hij dat altijd is geweest.





