Kleine stapjes
Waarom jij, mijn zoon? Waarom moest jij gaan en niet ik? Het is een vraag die me iedere ochtend wakker houdt. Ik lig dan weer te mijmeren onder het dekbed, het hoofd diep weggestoken, het lijf zwaar en leeg. Niet dat de ochtenden me nog iets geven. Eigenlijk niets meer. Hoe gaat een vader dóór als zijn zoon er niet meer is? Zelfs ademhalen doet pijn laat staan leven.
Weer een slapeloze nacht is voorbij. Verloren, verdwenen, samen met mijn zoon Lucas. Vaak dacht ik erover om net zo geruisloos weg te drijven met zo’n nacht, gewoon verdwijnen en verlost worden van het verdriet. Niet denken, niet voelen dat zou mooi zijn.
Bas, de kat die Lucas ooit vond op het stationsplein, was het enige stukje dat ik nog van hem had. Deze magere kater sprong vanochtend voor de zoveelste keer tegen mijn ribben aan, gaf een zacht mauwtje en krabbelde tegen mn arm om aan te kondigen dat het weer ochtend was.
Ja, ja, ik kom al, Bas zuchtte ik, terwijl ik het dekbed weglegde.
Die kater was alles wat me nog aan Lucas bond. De kleine miauwende dondersteen was me overhandigd door zijn oude studievriend en collega-verpleger, Pieter.
Hier, Lucas wilde dat jij Bas zou krijgen als hem iets zou overkomen
Maar wat is er dan precies gebeurd, Pieter? Ik weet nauwelijks iets
Jouw Lucas Hij redde ons allemaal, maar redde zichzelf niet. Je mag trots zijn, pa. Wat een zoon heb jij!
Toen pas barstte ik in tranen uit. Niet bij het bericht van Lucas dood. Niet bij zijn begrafenis, toen de buurt fluisterde waarom ik droog bleef bij het graf van mijn enige kind. Niet eens toen mijn zus me kwalijk nam dat ik het verzekeringsgeld niet wilde delen met de familie.
Niemand snapte dat ik niet kón huilen. Mijn hart lag als ijs op de bodem van een gracht, gevoelloos en verlaten, als bevroren in de tijd. Alles was met Lucas verloren gegaan
Tot het moment dat Bas bij me in huis kwam. Mager, luidruchtig maar o zo aanhankelijk en toegewijd overgedragen door Pieter, die bij Lucas was op die dag dat Lucas, in zijn witte jas nog, in het ziekenhuis een gewonde afleide, zijn eigen leven op het spel zette, en de anderen daarmee tijd gaf.
En wat moet ik met jou, makker? vroeg ik vertwijfeld aan Bas, die tegen mijn hand aan duwde. En eindelijk kwamen de tranen, lieten dat dikke, zwartgeblakerde verdriet uit mijn hart spoelen.
Mijn jongen hé, hij had niet anders gekund. Zo was hij altijd al geweest, vanaf zijn jeugd opgegroeid tussen hardwerkende ouders. Hij keek altijd vol bewondering naar zijn moeder die als arts het leven van zovelen redde, dat ze de tel kwijt was. Zelf wilde hij chirurg worden, maar koos toch voor het ambulancewerk een beslissing waar ik eerst niets van moest hebben.
Dit is nodig, pa! Ze hebben me nodig daar.
En zelfs toen huilde ik niet. Kruisigde alleen zwijgend zijn voorhoofd en vroeg hem voorzichtig te zijn.
En toch, daar, met Bas in mijn armen toen huilde ik eindelijk, vastklampend aan de kat en de arm van Pieter, die ineens evenveel op Lucas leek als dat kleine beestje. Zijn stem, schor en zacht, klonk als thuiskomen: Pa!
Waarom noemde Lucas mij zo? Niet papa, niet vadertje. Gewoon Pa.
Jij bent voor mij als Nederland zelf, pa! Je bent er altijd, je bent uniek. Dat klinkt stoer, toch? Of het nu de koningin is, of het water dat naar het verre IJsselmeer stroomt dat is mooi, pa!
Mijn zoon hield van geschiedenis. Hij lachte vaak over mijn smakeloze grappen, maar zijn eigen toewijding zette alles in een ander licht. Pieter begreep dat blijkbaar, want hij hield me stevig vast en veegde onopvallend een traan weg toen Bas een miauw liet horen uit protest.
Hij is hongerig, zei Pieter, we zijn lang onderweg geweest.
Ik raapte mezelf bij elkaar, haalde melk uit de koelkast, en zocht brood. Even was ik afgeleid: Bas en Pieter aten als dreumesen gehaast, maar met smaak. Voor het eerst in maanden kon ik zelf ook een hap nemen. Sinds Lucas weg was, verplichtte ik mezelf tot alles ook tot eten.
De twee uurtjes die Pieter bij me was, waren zo om. Ik bleef hem vragen over die laatste uren van Lucas, hield Bas als een houvast, onbewust voelend dat mijn leven voortaan zou veranderen.
Bas bleek vanaf de volgende ochtend een echte wekker. Sindsdien kwam ik elke dag net na zonsopkomst mijn bed uit want Bas accepteerde geen maaltje zonder mij. Pas als ik aan tafel zat, zette hij zijn bakje in. Rustig nou, Bas, de buren slapen nog!
Het nieuwe ritme deed me goed. Er viel altijd wat te doen voor de lunch, en ‘s avonds viel ik van vermoeidheid in slaap. Verdriet kreeg amper nog ruimte.
Toch bleef het zwaar om te wonen in het huis waarin Lucas was opgegroeid, tussen zijn speelgoed en fotos. Oom en tante kwamen plots vaker langs maar vreugde voelde ik nauwelijks. Ze wilden geld, dat wist ik.
Karel, waarom heb jij zoveel geld nodig? Jij bent maar alleen! Wij hebben kinderen!
Voor het eerst vroeg mijn zus dat. Ik wist niet wat ik moest antwoorden. Blij dat hun kinderen leefden, ja, maar mijn Lucas
Nee! Dat zou onmenselijk zijn om te zeggen. Dus zweeg ik. Het maakte ze alleen maar bozer.
Jij bent vreemd! Je wilt alles houden wat je voor Lucas kreeg. Hij zou het niet snappen!
Die woorden waren als een klap. Ik zette mijn mobiel uit, deed de deur op slot en verbrak al het contact met familie die niet begreep wat het betekent je enige kind te verliezen.
Het idee alles weg te geven aan het Leger des Heils schoot door mijn hoofd, tot mijn beste vriend Frans me tegenhield.
Niet doen, Karel! Wacht even. Je moet niet vanuit emotie handelen. Denk aan wat Lucas altijd zei: alles op zijn tijd.
Dat zei hij inderdaad vaak, ja
Zie je wel. Stap voor stap vooruit, Karel. Kleine stapjes dat zou Lucas willen!
Och Frans, wat mis ik hem! Zelfs even zijn gezicht, zijn stem horen! Ik kan niet geloven dat hij weg is. Mijn jongen kan niet zomaar verdwenen zijn! Wat van hem blijft, is zijn herinnering dromen, hoop Dus leeft hij misschien toch.
Zeker. Zolang jij hem herinnert, leeft hij.
En als dat ophoudt? vroeg ik angstig.
Frans wees naar Lucas oude bureau, brieven uitgestald van collegas en mensen die hij ooit had gered. Dat stelde me wat gerust. Lucas leven was niet vergeefs.
Waarom blijft het dan toch zon pijn doen
De tijd kroop, de dagen leken een sleur. Werken, Bas voeren, het huis doen, en denken dat mijn leven nooit meer zou veranderen. Maar het lot had andere plannen.
Laat een avond toen ik eens laat thuiskwam na extra uren op mijn werkplek in het ziekenhuis nam ik een taxi. De chauffeur, een jonge vent vol praatjes, hield me geamuseerd bezig onderweg. Hij vertelde dat chauffeur zijn zijn uitlaatklep was, eigenlijk had hij een groot bedrijf.
Ik lachte om zijn dromen, bedacht me ondertussen dat Bas chagrijnig zou zijn zo laat was ik nog nooit thuisgekomen sinds ik hem had.
Toen ik bij de flat kwam, zag ik naast het portiek een opmerkelijke scène. Op het bankje zaten een vrouw met een baby in haar armen, koffers naast zich en een jongetje van een jaar of vijf aan haar zijde.
Wat bijzonder mompelde ik, terwijl de taxichauffeur bezorgd vroeg of ik nog iets nodig had.
Nee, dankjewel! Fijne avond!
Momentje! De jongen holde om de wagen, opende mijn deur en boog overdreven. Voor u! U bent een wonder!
Ik grijnsde terwijl ik uitstapte:
Omdat ik u liet kletsen?
Omdat ik mocht praten! Dat zegt mn moeder altijd, ik hou niet op.
Fantasie brengt je ver in t leven. Denk er eens over na! En bedankt dat u me veilig thuis heeft gebracht.
Ik zwaaide hem na en liep naar mn flat, de ogen schuin gericht op die vrouw op het bankje.
Waarom hield ik stil?
Misschien omdat zij er verslagen uitzag, haar schouders naar voren, haar kind beschermend in de armen. Dat jongetje ook hij stond stil, geen gezeur, geen tranen alleen maar met grote ogen, beschermend tegen haar been gedrukt.
Vreemd genoeg kan ik me niet eens meer herinneren hoe ik naar het bankje liep of het eerste gesprek begon.
Wacht u op iemand? Bent u niet opgehaald?
Haar blik was traag, vermoeid, haar stem zacht maar duidelijk:
Nee. Niemand komt voor ons.
Meent u dat? Heeft u dan nergens een plek om heen te gaan? U hebt kinderen!
Nee, antwoordde ze, wiegde automatisch haar baby. En toen begonnen de tranen, stil, machteloos. Dát herkende ik maar al te goed uit mijn eigen ervaring.
Kom, u hebt het vast koud. De kinderen moeten slapen! Ga met mij mee naar binnen.
Twijfel, haar hand beschermend om het jongetje, angst in de ogen.
Dat simpele gebaar vertelde alles over haar situatie.
Ik woon alleen, zei ik geruststellend. U kunt vannacht bij mij terecht, dan zoeken we morgen verder.
En bent u dan niet bang? vroeg ze, terwijl ze haar neus ophaalde.
Niet meer. Alles dat me angst aan kon jagen, is al gebeurd. Kom binnen. De ochtend is altijd wijzer dan de nacht.
De hectiek vulde het uur erna. Alles klaarmaken voor mijn nieuwe gasten, kinderen eten geven, badderen en de moeder zelf in de douche. Pas toen ik Bas in mn armen had en de stilte voelde, realiseerde ik me dat ik haar naam nog niet wist, of die van de kinderen.
Ach, dat komt morgenvroeg wel, dacht ik, en viel zonder slaapmiddel in een diepe rust voor het eerst sinds Lucas dood.
De ochtend brak aan met een schok een slaperig jongensgezichtje boven mijn bed, haast kopie van Lucas als kind.
Bent u mijn oma? vroeg hij, licht slissend, terwijl hij Bas kriebelde.
Nee, klein ventje, antwoordde ik, streelde hem over zijn wilde haren. Waarom ben je al wakker? Het is nog vroeg!
Mama is wakker, dus ik ook. Heeft u tekenfilms?
Terwijl ik zijn aandacht afleidde met Bas speelstokje, wist ik dat alles goed zou komen.
Zijn moeder trof ik in de keuken aan, druk in de weer.
Sorry, ik moest het flesje klaarmaken. Ik hoop dat u het niet erg vindt
Helemaal niet! We waren elkaar je naam nog schuldig gisteren. Ik ben Karel de Vries.
Anna de Jong, en de jongens zijn Max en Timo.
Mag ik vragen, Anna, hoe jullie hier belandden vannacht?
Ze pakte een stoel, haalde diep adem en vertelde haar verhaal. Haar man, vrachtwagenchauffeur, was door een ongeluk omgekomen oververmoeid achter het stuur. Ze was hem verloren, te jong, met twee kleine jongens. Haar schoonmoeder wees haar de deur, haar eigen vader was onbereikbaar door drank.
Geen uitweg meer. De huisbaas had haar het contract opgezegd, de huur konden ze zonder twee inkomens niet bolwerken.
Tranen, woede, onbegrip alles vloeide in Annas woorden als ze sprak over het onrecht. Waarom mocht haar verdriet geen plek krijgen? Haar zoontjes waren ook de kinderen van haar schoonmoeder, toch weigerde die te helpen.
Ik sloeg mijn armen om haar heen, troostte haar als een kind teder, zoals ik vroeger bij Lucas deed.
Rustig, meisje. Verdriet slaat bij iedereen anders uit. Je schoonmoeder zal haar fouten ook inzien. Geef het tijd.
Langzaamaan vond Anna een thuis bij mij. Ik gaf haar de kamer van Lucas, hielp met papierwerk en nam contact op met haar schoonmoeder met die vrouw viel nog te reden. De jongens hadden haar tenslotte als oma nodig, maar ik hield voorlopig de touwtjes in handen.
Twee jaar gingen voorbij. Anna vond werk, Max mocht soms bij zijn oma, Timo vond een plek op de crèche. Met hulp van mij, en een kleine lening voor de aanbetaling wist Anna een appartement te kopen.
Ze nam het geld in lening aan maar nooit als gift.
Mijn kinderen moeten zien dat hun moeder het redt, zei ze. U heeft al meer dan genoeg gedaan.
We hadden samen geleerd: echte steun is niet geld, maar hart en daad.
Mijn dagen kregen weer betekenis. Ik kocht ontbijt voor Bas, glimlachte naar Lucas foto, en knikte naar de lucht, als antwoord op zijn stille blik:
Ik leef, jongen! Ik doe mijn best. Stap voor kleine stap kom ik dichter bij jou, geen tranen meer nou, misschien een klein beetje dan. Anna lacht erom, maar soms huilt ze zelf om haar man. De jongens groeien Max is slim en nieuwsgierig, Timo is teder, Bas vindt hem leuker nog dan mij! Dus maak je geen zorgen, jongen. Het komt goed. En ooit, als de tijd daar is, zien we elkaar weer.
Als Bas met zijn poot zachtjes mijn wang aantikt, sta ik op. Ik groet weer een nieuwe dag, vol herinneringen én nieuwe stappen.
Ja, ja, ik ben al onderwegDie ochtend, met de zon die haar eerste stralen door het keukenraam gooide en Bas spinnend aan mijn voeten, besefte ik iets eenvoudigs en groots. Verdriet neemt nooit echt afscheidhet verweeft zich, vager, zachter, tot je het als een melodie door je dag leert dragen. Anna zette koffie, Max lachte luid toen Timo met Bas door de gang rende. Zelfs Lucas’ oude mok stond achteloos tussen de nieuwe kopjes, alsof het altijd zo hoorde.
Aan tafel, terwijl Anna met nat haar de jongens boterhammen sneed en opkeek naar de lichtvlekken op de muur, voelde alles even licht. Ik dacht aan Lucas: aan zijn moed, zijn kleine grappen, het liedje dat hij als kind neuriedetot ik pardoes zelf hummend in de keuken stond, tot verbazing van iedereen.
Dat is mooi! riep Max, Wat zingt u daar, opa Karel?
Ik wist het niet precies. Maar het deerde niet meer. Elke toon hoorde nu bij mijn verhaalbij ónze verhalen. Zoveel verloren, zoveel opnieuw gevonden. Leven bleek niet alles verzamelen, maar soms ook durven delen, alles verliezen en toch iedere dag opnieuw een beetje meer durven leven.
Die avond, toen alles stil werd in huis en ik Bas zachtjes boven Lucas foto tilde, keek ik nog één keer omhoog, naar de sterren achter het raam. Voor het eerst, sinds lange tijd, voelde ik geen lege gaten, maar wegenwegen die verdergaan, zelfs als je niet weet waarheen.
Toen ik het licht uitdeed, fluisterde ik: Dankjewel, jongen. Alles op zijn tijd. Ik ga verdervoor jou, voor hen. Kleine stapjes, altijd vooruit.
En zo viel ik in slaap, gedragen door herinneringen én hoop, Bas spinnend tegen mijn borstmet het gevoel dat Lucas glimlachte, ergens vlak achter de ochtend.






