De KwispelpartnerSamen trotseerden ze de gure grachten, terwijl de kermisklokken hun avontuur begeleidden.

Ik herinner me nog goed hoe ik, Dirk van denBerg, als vrachtwagenchauffeur op de lange, kronkelende wegen van ons kikkerlandje reed. Op de werkvloer werd ik niet gehaat, maar eerder vermeden. Een nuchtere man, een ervaren bestuurder en een ijverig werker, doch absoluut geen gezelligheidsdier. Niemand wilde met mij als partner opschuiven, en dat vond ik juist prettig. Een paar collegachauffeurs maakten een grapje en noemden mij de Grimmige. Het woordje bleef hangen; mijn echte naam leek soms vergeten, maar de bijnaam bleef klinken.

Die rit leek niet te verschillen van de vele die ik al maakte. Een bekende route, een gewone lading, gewoon de oude mantra: Hou de stuurwieltjes recht en kijk uit naar de horizon. Maar langs de berm, net bij de grens van een klein weiland, kronkelde iets levends in het gras. Ik wilde er niet omheen rijden, uit voorzorg voor eventuele dieren, maar iets in mijn borst trok me aan; ik kon niet meer loslaten waarom ik de vrachtwagen stopte en naar het bronzen gestreepte beest keek.

Voor mij lag een enorme, gestreepte kater, zijn snorharen trillerig en zijn blik dof. De oude volkswijsheid spreekt van negen levens; het leek erop dat deze kater al een paar had verloren, hij hijgde, zijn vacht was vuil en bevlekt met bloed, en één van zijn poten deed het bijzonder slecht.

Wat scheelt er, oude jongen? vroeg ik, terwijl ik mij over het dier boog.

De kater gromde zwak en mjauwde schel, alsof hij duidelijk maakte dat hij geen hulp nodig had en dat ik beter mijn eigen weg kon gaan.

Zo trots, zo eigenwijs, fluisterde ik, en hij deed me denken aan de pluche kat van mijn oma, met wie ik als kind op de warme haard sliep. Toen die kat en mijn oma verdwenen, bleef alleen de herinnering aan hun warmte bestaan.

Ik ben geen dierenarts, maar dit kun je niet zomaar laten liggen. Er is hier geen schuilplaats, dus laat mij je naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis brengen, stelde ik de kater voor.

Voorzichtig tilde ik de kreupelende dier op en legde hem in het laadsysteem van de vrachtwagen. Hij lag stil, misschien inmiddels berustend dat het niet erger kon worden.

We sloegen een omweg naar het kleine stadje Alblasserdam, waar een dierenkliniek lag. De oude dierenarts, Jan de Vries, zag ons meteen. Wat een geluk heb je, kat, zei hij terwijl hij de wond desinfecteerde en een gips aanbrak. Daarna kun je weer verder.

Waar moet ik hem toch heen brengen? protesteerde ik. Ik heb mijn eigen ronde.

Jan zuchtte. We hebben geen asiel, en er is geen pleeggezin vrij. Hij is geen kitten, hij is een volwassen kat, al redelijk gezond.

De kat staarde met groene ogen rechtstreeks in mijn ziel; ik voelde een steek van schuld. Was het goed om hem te redden, of had ik hem beter moeten laten gaan?

Goed, mompelde ik en liep naar de gang.

Daar zaten twee bejaarde dames te kletsen. De een zei: Liesbeth met haar dochter kwam gisteren weer bij mij langs, ze vluchtte voor haar man. De andere antwoordde met medeleven: Wat een pech voor haar! De man is een rotzak, het is alsof hij haar elke dag een klap geeft. De eerste knikte begrijpend: Daarom is ze niet meer gaan werken, ze draagt blauwe plekken.

Ik hoorde de verhalen van deze onbekende vrouwen, maar ik kon me hier niet mee bemoeien. Ook ik had ooit een verloofde die zwoer tot in de graf te blijven, maar het einde was een snelle scheiding en een nieuwe bruiloft; zo liep het soms.

Jan gaf me de kat terug. Hij zal goed genezen, over drie weken kun je de gips laten verwijderen. Ik bedankte hem en vervolgde mijn weg, niet wetende wat er met dit onverwachte cadeau moest gebeuren. De tijd was echter al schaars; ik moest eerst mijn lading afleveren.

Na een paar kilometer zag ik twee figuren langs de weg. Een uitgelaten vrouw zwaaide, en een verlegen meisje hield zich aan haar hand.

Sorry, ik neem geen passagiers! bromde ik.

Een schel Miauw! klonk van achteren.

Ben je wakker? vroeg ik. Wat wil je?

Miauw! herhaalde de kater vastberaden.

Misschien heb je honger? dacht ik. Gelukkig dat ik het vroeg had, anders zou ik je niet hebben gezien.

Ik stopte, zette de kat op het gras en hij hief meteen zijn staart, alsof hij mijn vermoeden bevestigde.

Waar gaan jullie heen? vroeg ik toen de twee vrouwen naar me toe renden.

Kort daarna kwam een wanhopige vrouw met een meisje van zon zes jaar, haar wangen nat van het huilen. Alstublieft! Neem ons mee, we zijn heel dicht bij hier, nog maar dertig kilometer!

Ik antwoordde: Ik ben geen taxichauffeur, ik ben een vrachtwagenchauffeur! Stap in de bus!

Het is één ronde, we hebben onze afspraak gemist! smeekte ze. We zullen God voor u danken!

De kater, die inmiddels wel de moed weer had gevonden, stapte naar het meisje, wreef zich tegen haar been. Het meisje bukte zich en aaide de poes. Het dier spinde.

Laat me jullie meenemen, en nemen jullie de kat? stelde ik voor. Kijk hoe hij zich aanhecht!

De vrouw barstte in tranen uit. We zouden het graag doen, ik werk in de dierenkliniek! We weten nog niet waar we kunnen logeren, maar mijn tante in Dordrecht zou ons kunnen opvangen.

Ik keek naar het meisje dat de kat streelde. Het was een lief, licht krullend kind, nog een beetje bang. De kat leek te genieten van de aandacht.

De vrouw, die zich later Ellen noemde, vertelde dat haar man een dronkaard was en dat ze geen telefoon meer had. Hij heeft alles kapotgemaakt, mompelde ze. Ik liet mijn telefoon uit de bak en gaf haar die. Ze fluisterde zachtjes tegen haar tante: Morgen bel ik, vraag of ze ons kan laten blijven, de kat kan ik niet meenemen, maar de kinderen wel.

Het meisje, Lotte, huilde zachtjes: Kattie, kom terug bij ons.

Ik grinnikte: Jullie hebben nu al een kat, laten we hem niet kwijt raken.

Ellen vroeg: Hoe heet jij?

Dirk van denBerg, zei ik nors. En jij bent Ellen, en je dochter heet Lotte?

Ja, knikte ze, maar haar gezicht vertrok van schaamte. Mijn man heeft ons verlaten, we hebben zelfs geen telefoon meer.

Ik boog me naar haar toe: Bel de tante, vraag het. Ik kan jullie wel even naar de volgende halte brengen.

Zonder veel meer te zeggen, zette ik de kat voorzichtig op de stoel achterin en liet het trio op mijn vrachtwagen plaatsnemen. Lotte zat achterop, Ellen naast mij, en de kat op het midden van de achterbank.

Betaal ik, geloof me maar, zei Ellen, maar ik trok alleen een grimmige grijns.

Zolang de kat je bevalt, ben ik tevreden, antwoordde ik. Bedank de kat!

Dankjewel, kat! riep Ellen, en vroeg: Hoe heet hij?

Kat is kat, zei ik schouderophalend. We hebben hem net op de weg gevonden.

Wat een goed mens! lachte Ellen. Hoe heet jij? Waar moet ik voor je bidden?

Dirk, gromde ik. Ellen, wat is je achternaam?

Van Dijk, fluisterde ze. Mijn tante woont in Dordrecht. Ze neemt ons op, maar de kat

Zij wil hem niet, zei Ellen, terwijl ze snikkend naar Lotte keek. Kattebaby, kom terug.

Al geregeld met de kater, bromde ik. Hij is al van ons.

Na een korte reis leverde ik Ellen, Lotte en de kat af bij het huis van haar tante in Dordrecht. De jonge Lotte weigerde de kat los te laten, omhelsde hem en kuste zijn snorharen. Plotseling rende ze naar mij en omhelsde mij met haar kleintjes handen.

Lotte, dat mag niet! riep Ellen geschrokken.

De vader mist haar, daarom zoekt ze troost, mompelde de tante.

Mijn hart trilde; ik had mijn eigen droom van een gezin met een lieve vrouw en kinderen opzij gezet, en nu werd die rust verstoord door een klein meisje met krullende lokken.

Kom je ons later nog opzoeken? vroeg Lotte, haar ogen groot van verwachting. Met de kat?

Dat zal ik proberen, fluisterde ik, terwijl ik haar niet kon weigeren.

Lotte rende naar huis, ik stapte weer in de cabine en reed verder. Het beeld van het meisje en haar bezorgde moeder bleef in mijn achterhoofd.

Waarom bestaan er zulke wrede mannen die op zwakke zielen losgaan? vroeg ik de kat, die slechts een nors gemiauw liet horen.

Ik zou hem zelf moeten vertellen waarom je niet op vrouwen en kinderen moet slaan! mompelde ik, terwijl de kat bevestigend knikte.

De kat, die zich nu Stoffel noemde, leek me gerust te stellen; het was de eerste keer dat ik op de weg iemand had om mee te praten.

Ik vertelde Stoffel over mijn ouders, mijn tijd in het leger, mijn meningen over de politiek. Hij luisterde, soms spinde hij instemmend, alsof hij mijn standpunten deelde.

Langs de kant zag ik een auto met twee mannen die ruzieden. Een van hen trok een pistool. Plots fladderde een valse, staartachtige schaduw voorbij!

Stoffel sprong met al zijn kracht op de aanvaller, gilde en krabde zijn gezicht. Terwijl de man zijn wapen liet vallen, sprong ik naar de grond, griste het pistool en richtte het op de overvalpleger.

Handen omhoog! riep ik.

De aanvaller schreeuwde: Laat die kat los! Hij zal me de ogen uitkrabben!

Ik keek naar de tweede boef die op ons af stormde; ik gaf hem een stevige klap tegen de kaak, pakte Stoffel en reed met de vrachtwagen weg.

Ik belde de politie van de Rijkswegpolitie; binnen veertig minuten waren de daders gearresteerd. De agenten vertelden me later dat de twee al vaker in duistere zaken verwikkeld waren. Een van hen had eerder geprobeerd me en de kat te overvallen, en zei: Het land moet haar helden kennen!

Helden? Ik ben geen hero, lachte ik. Een held zou beide van ons toch op de plek hebben gered.

De agent knikte: Het is geen pretje om met een gewonde kat te rijden. Maar jij hebt het goed gedaan.

Ik keek naar Stoffel. Stoffel keek naar mij.

Mijn partner, zei ik beslist. Hij heet Stoffel, de trotse vrachtwagenpartner.

De agent glimlachte: Je hebt de bende een flinke kop gegeven, Dirk.

Die woorden gingen als een echo door mijn hoofd. Het verhaal van de vrachtwagenchauffeur en zijn dappere kat verspreidde zich via het internet; mensen groetten ons, dankten ons. Ik voelde dat er iets in mij verschoven was, alsof het ijs op de grachten was gesmolten en er weer lucht in mijn longen kwam.

Drie weken later, toen de gips van Stoffel af was, reed ik weer naar het stadje waar ik Ellen en Lotte ooit had ontmoet. Ik opende de deur van de dierenkliniek en zag Ellen in de deuropening staan.

Ach, Dirk, dat ben jij! fluisterde ze, haar ogen glinsterend. Ik had vannacht een droom dat je hier zou komen.

Dromen hebben soms een eigen wil, zei ik. Hoe gaat het met jullie?

Alles goed, knikte Ellen. Mijn tante heeft ons geaccepteerd, en ik ben bezig met een scheiding.

Zou je misschien voor mij willen komen? vroeg ik dan, een onverklaarbare impuls.

Ellens ogen werden groot, ze opende haar mond en sloot die weer snel. Stoffel, die naast me stond, miauwde luid.

Ik heb een dochter, stamelde Ellen.

Ik heb een kat, antwoordde ik en vervolgde: Ik ben geen woordkunstenaar, maar ik weet wel dat deze ontmoeting niet toeval is. Denk er even over na, ik zal jullie beschermen.”

Stoffel spinde bevestigend.

Ik zal het overwegen, zei Ellen aarzelend.

Een maand later trouwden we, ik nam Ellen, Lotte en Stoffel mee naar mijn nieuwe baan als chauffeur voor een medisch transportbedrijf. Stoffel leeft nog steeds bij ons, waakt over Lotte en spint af en toe, terwijl hij terugdenkt aan de romantiek van eindeloze wegen, liggend op de brede bank in de woonkamer.

De romantiek mag dan wel een verhaal blijven, maar zonder een waakzame kat zouden we allemaal stuk gaan. Gelukkig bestaan er in Nederland nog wijze katten die ons op het juiste pad houden.

Rate article