Dagboek, 22juni2026
Vandaag werd ik weer eens geconfronteerd met hoe weinig mijn collegachauffeurs mij even konden aanzien. Ik ben een nuchtere, ervaren vrachtwagenchauffeur, maar ik ben geen gezelligheidsmens. Niemand wil mijn partner in de cabine zijn, en dat vind ik wel prettig; zo kan ik alleen mijn eigen weg gaan. Op de routes noem ik me zelf Somber, een bijnaam die de andere langeafstandschauffeurs mij hebben gegeven. Ze roepen me niet meer bij naam, alleen nog bij die bijnaam.
De rit die ik vandaag moest maken leek niets bijzonders: een bekende route, een gewone lading. Ik hield de motor draaiende en keek af en toe uit het raam. Plots bij de berm lag iets dat zich in het gras kronkelde. Ik wilde er langsrijden, maar iets trok me aaneen stekende gevoel in mijn borst.
Daar lag een enorme, gestreepte kater die keihard sisde, duidelijk in de doodsstrijd. Ze schreeuwde alsof ze haar laatste negen levens wilde opgeven. Een van haar poten zat rot, en ze was overal bebloederd.
Wat is er met je gebeurd, poes? vroeg ik, terwijl ik over haar heen boog.
Ze beet terug met een grauwe miauw en leek te fluisteren dat ze geen hulp nodig had.
Ik herkende haar in een flits: een kat die ik als kind bij mijn oma had gedeeld, toen we onder de oude kachel huilden. Die herinnering raakte me hard.
Ik ben geen dierenarts, maar dit ziet er niet goed uit. Er is hier geen schuilplaats, dus laat me je naar een kliniek brengen, stelde ik voor.
Voorzichtig tilde ik de kat op en legde haar in de cabine. Ze kreunde een beetje, maar leek te beseffen dat er nu geen ergerovertuiging meer was.
Ik nam een afslag naar het kleine stadje EttenLeur en zocht de plaatselijke dierenartspraktijk. De oude dokter keek even op, zag de sombere man met een gewonde kat en liet ons zonder wachtrij binnen.
Gelukkig, jongen, zei hij. We desinfecteren, zetten een pleister en dan kun je weer verder.
Hoe moet ik nu verder? protesteerde ik. Ik heb een deadline!
Helaas, we hebben hier geen asiel voor dieren, zei de dokter. Jouw kat is geen kitten, dus hij kan niet zomaar worden opgevangen.
De kat staarde me met groene ogen aan; ik voelde een steek van schuld. Was het juist om haar te redden en dan zomaar te laten gaan?
Ik knikte, nam de kat mee naar de gang en liet de dokter de eerste zorg verlenen. Twee oudere dames kletsten luidkeels over hun buurman, een ruige man die nergens een partner voor vond. Ik luisterde niet goed; hun levensleed had niets met het mijne te maken.
Toen ik de kliniek verliet, zag ik langs de weg twee gestreste figuren: een vrouw die wild met haar hand waggelde en een klein meisje dat zich tegen haar schuilhield.
Sorry, ik neem geen passagiers! riep ik, want ik houd me aan mijn regel.
Miauw! klonk er plots achter me.
Ben je wakker? vroeg ik, alsof ik een kat verwachtte. Wat wil je?
Miauw! herhaalde de kat, alsof hij op een idee kwam.
Misschien ben je wel hongerig? dacht ik. Goed dat je het zei, anders had ik je misschien laten liggen.
Ik stopte en zette de kat op het gras. Hij kroop meteen tegen het meisjes been en spinde.
Waar gaat u heen? vroeg ik toen de vrouw met haar dochter naar me toe rende. We zijn ongeveer dertig kilometer van hier, we missen de bus.
Ik ben geen koerier, ik ben een vrachtwagenchauffeur! protesteerde ik. Ga op de volgende halte!
Hé, we hebben maar één rit gehad en we zijn al te laat, smekten ze. Help ons alstublieft, we zullen u eeuwig dankbaar zijn!
Ik zag de kat, die nu een stapje naar het meisje had genomen en zich tegen haar leunde. Ze aaide hem en hij spinde tevreden.
Zal ik jullie een stukje rijden? Jullie mogen de kat meenemen, stelde ik voor.
De vrouw, Elise, barstte in tranen uit. Ik werk in een dierenartspraktijk, ik hou van alle beestjes, maar we hebben nog geen plek voor hem.
Wat is er gebeurd? vroeg ik, terwijl ik het meisje, Marit, over mijn schouder liet leunen.
Elise vertelde dat haar man gewelddadig was en ze geen telefoon meer hadden; ze hadden zelfs geen geld om een nieuw huis te huren. Ze fluisterde zacht: We kunnen de kat niet meenemen, hij is te groot, maar wij hebben wel een plekje voor onszelf.
Ik gaf de kat een laatste aai en zette hem in de cabine. Marit hield haar hand stevig om de ruit, haar ogen glinsterden van tranen.
Dank u wel, chauffeur, zei Elise. Hoe heet u?
Frits de Vries, mompelde ik.
En hoe heet die kat? vroeg ze.
Hij heeft geen naam, hij is gewoon een kat, antwoordde ik.
We reden verder, de kat keek uit het raam en leek te begrijpen dat hij nu een soort medereiziger was.
Een paar kilometer later zag ik twee mannen in een roerige menigte langs de kant van de weg. Een van hen had een pistool in zijn hand. Plots kwam er een vliegende staart van een andere kat (een soort komet) langs de weg.
De gewapende man richtte het pistool op ons, maar de kat die ik bij me had sprong naar voren, krabde met al haar kracht in de arm van de aanvaller. Hij liet het pistool vallen en de andere man rende weg.
Ik greep het pistool, richtte het op de overgebleven crimineel en riep: Handen in de lucht!
Hij schreeuwde: Haal die kat weg, hij zal je oogen krassen!
Ik haalde de kat vast, sprong in de truck en reed weg. De politie arriveerde binnen een half uur; ze namen de twee bendeleden mee en prezen me voor mijn moed.
Jij bent een held, zei een agent, terwijl hij naar de kat keek. Maar je hoeft geen heroïsche verhalen te verzinnen.
Nee, zei ik, ik ben gewoon een vrachtwagenchauffeur met een kat als partner.
De kat keek me aan, knikte in zijn eigen taal, en ik voelde dat er iets in mij veranderde. De kou van de lange wegen leek te ontdooien.
Drie weken later, toen het gips van de kater werd verwijderd, reed ik weer naar EttenLeur, waar ik Elise en Marit laatst had ontmoet. Ik stapte de kliniek binnen en daar stond Elise, nog steeds met natte wimpers.
U bent hier! zei ze, verrast. Ik droomde vannacht dat u zou komen.
Dromen, antwoordde ik. En hoe gaat het met Marit?
Ze is gelukkig, fluisterde Elise, haar ogen groot. Mijn tante wil ons wel opvangen, maar we kunnen de kat niet meenemen.
Laten we het proberen, zei ik. Ik neem de kat mee, u kunt hem later misschien ophalen.
Ze knikte dankbaar. De kat, nu wat gezegter, sprong op haar schoot en spinde.
Later, een maand daarna, trouwde Elise met mij. Ik nam een baan aan als chauffeur voor een mobiel dierenziekenhuis, zodat ik altijd bij de katten kon blijven. De Vrachtwagenkat leeft nu bij ons, waakt over Marit en springt af en toe op de bank om te dromen over de open weg.
Wat ik heb geleerd: zelfs de hardste mens kan een zacht hart hebben, en een onverwachte vriend zelfs een kat kan je weer laten geloven in menselijkheid. Het is de kleine ontmoetingen die ons vormen.
Frits.






