Nergens heen
– Johanna, herkent u me niet? Ik ben het, Bram… Uw enige neef.
– Bram?!
Mevrouw Verhoeven hapte even naar adem.
– Jeetje, ik dacht werkelijk dat je al dood was, of dat ze je vast hadden gezet. Je belt of schrijft nooit iets…
*****
“Waarom nou juist nu?!” vroeg Bram zichzelf af, terwijl hij voor zijn laptop zat en luisterde naar het oorverdovende kabaal van een boorhamer in het appartement naast hem. Niet dat hij het wilde horen; niets hielp tegen dat lawaai.
Bram had al geprobeerd zijn oren dicht te drukken, koptelefoons te dragen, zijn hoofd onder een kussen te stoppen…
Het was allemaal nutteloos.
Elke nieuwe klap van de boorhamer ging gepaard met een snerpend geluid en een metalen gekras, zodat het leek alsof Bram niet in een appartement woonde, maar op een bouwplaats zat.
– Wanneer houdt dit eindelijk op? Hoeveel kunnen mensen verdragen?
Bram had ontzettend de neiging om op te staan, de gang op te rennen, een trap tegen de metalen deur te geven en eindelijk die gehate boor bij zijn buurman weg te pakken.
Maar dat soort daden kwamen alleen voor in zijn wilde fantasieën, of anders…
…op de pagina’s van zijn nieuwe boek.
In het echte leven zou buurman Rick hem waarschijnlijk die boor op zijn hoofd slaan.
Voormalig commando.
Grote vent, breed als een tweepersoonsbed, met zo’n doordringende blik dat je er kippenvel van kreeg
Dus Bram moest zich eenvoudigweg neerleggen bij de situatie.
Dat had hij best gekund, als er niet net één belangrijk ding speelde…
De directeur van een gerenommeerde uitgeverij had hem benaderd nadat hij Brams vorige boek een thriller over een mysterieuze gebeurtenis in een klein fictief stadje had gelezen.
De deal was aantrekkelijk. Groot geld, had de directeur hem beloofd.
– Ik doe het! riep Bram opgewekt.
– Prima, maar één voorwaarde: het boek moet binnen drie maanden af zijn, sprak de uitgever.
– Geen probleem.
Bram was dat wel vaker: hij zei meteen ja, en dacht pas later na.
Ook nu had hij toegestemd, zonder te weten waar hij over zou moeten schrijven.
Natuurlijk moest het een spannende thriller zijn. Als ervaren schrijver leek dat zo bedacht. Maar in de praktijk…
Een echt spannende thriller begint met het vinden van het juiste idee, het uitwerken van een plot, interessante personages… En, vooral, het bedenken van een misdaad.
Maar een goede misdaad bedenken, is makkelijker gezegd dan gedaan Je moet er echt voor gaan zitten.
Zijn vorige thriller had hij in een half jaar geschreven. Toen had hij alle tijd. Nu kreeg hij slechts drie maanden.
Uitgerekend nu hadden de buren renovatieplannen. En met het geluid van die boor kwamen bij Bram alleen gedachtes over de dood op.
Bram had Rick, toen hij hem buiten op het balkon zag roken, gevraagd hoelang zijn verbouwing nog zou duren.
– Drie maanden, schat ik. Is het hinderlijk?
– Nee hoor, ik vroeg het alleen even, – zei Bram, wit weggetrokken, en vluchtte weer naar binnen.
Het besef groeide: in dit huis zou hij nooit een boek schrijven. Dus: vluchten. Maar waarheen?
Een hotel bleek veel te duur. Huur leek aantrekkelijker, maar ook niet zonder risico. Want…
– Wie garandeert dat mijn nieuwe buren niet óók gaan verbouwen? vroeg Bram zich af.
Geen garanties.
En zelfs als aan de andere kant geen verbouwingen zijn, dan zit je misschien naast een gezin dat een maand lang het leven viert van een pasgeboren baby.
Of een meisje achter de muur die piano leert.
“Huur is te riskant, en misschien nog duurder als je steeds moet verhuizen.”
In de buurwoning stortte iets met een ongelooflijke klap neer, Bram schrok zich rot, vergeten dat hij op bed zat waardoor hij zijn hoofd hard stootte tegen de boekenplank boven zich.
Met zijn zere hoofd dacht Bram opeens aan zijn tante, Johanna Verhoeven.
Met haar had hij geen goede en geen slechte band. Geen band eigenlijk. Het was zeven jaar geleden sinds hij haar zag op de begrafenis van zijn moeder.
Raar genoeg kende hij haar telefoonnummer uit zijn hoofd zijn eigen nummer wist hij niet eens meer. Na die klap tegen de boekenplank kwam het nummer zomaar bovendrijven. Dit kon geen toeval zijn.
– Hallo! klonk Johannas bekende stem. Bram was opgelucht dat ze nog leefde.
– Dag tante Johanna, met Bram.
– Bram… Bram… De loodgieter soms? Maar ik dacht dat ik u helemaal betaald had voor die kraan in de keuken Of is er nog iets?
– Tante Johanna, kent u mij niet? Ik ben Bram… uw enige neef.
– Brammeke?!
Een paar tellen hoorde hij haar zwaar ademhalen.
– Ik dacht eerlijk waar dat je dood was, of opgepakt Je belt nooit, je schrijft nooit…
– Nee hoor, ik ben nog in leven. Het is alleen druk met het werk, ik kwam er maar niet toe te bellen, – probeerde Bram zich eruit te praten.
– Al zeven jaar druk? Geen minuutje vrij? Je bent toch niet in slavernij terechtgekomen?
– Nee hoor. Ik ben schrijver. Ik schrijf boeken. Thrillers vooral, want daar is vraag naar.
– Schrijver? Maar waarom heb je dan gestudeerd voor kernfysicus? Wat hebben jouw moeder en ik niet geïnvesteerd in jouw opleiding Is dat nu allemaal voor niets?
– Ik heb gewoon gemerkt dat het niks voor mij was Tante Johanna, ik wilde u eigenlijk iets vragen
– Aha, dus je belt niet zomaar om te horen hoe het met me gaat. Je wilt iets van me?
– Ja Of eigenlijk nee Ik wil wel graag weten hoe het gaat, maar nu eerst even een vraag.
– Geld nodig?
– Nee. Uw tuinhuis.
– Wat? Je wilt mijn tuin nemen? Wat vraag jij veel, jongetje Ben je soms op je hoofd gevallen?
– Hoe weet u dat? zei Bram verbaasd, terwijl hij zijn zere hoofd betastte. – U begrijpt me verkeerd, tante… Ik wil alleen een tijdje in uw huisje wonen.
– Ik ben het huis eigenlijk net aan het verkopen. Nou ja, de makelaar handelt dat af.
– Kunt u de verkoop even uitstellen? vroeg Bram, met een zweem van hoop. Slechts drie maanden maar.
– Missschien
– Echt waar?!
– Maar dan wil ik wel weten waarom je zo nodig dat tuinhuis moet hebben. Als je er meiden stiekem mee naartoe neemt, dan meteen: NEE!
– Meiden? Welnee! En ik ben niet eens getrouwd…
Bram vertelde haar de waarheid, inclusief het geluid van de eeuwige boorhamer op de achtergrond.
– Hoort u dat? Ik lieg niet. Tante, alstublieft, help mij!
Johanna kreeg medelijden en beloofde Bram dat hij drie maanden in het tuinhuis mocht, onder één voorwaarde: hij moest het terrein netjes houden voor potentiële kopers.
– Geen probleem! stemde Bram in. Mail me gerust de gegevens van de makelaar zodat ik de sleutel kan ophalen.
Later besefte hij met schrik: wanneer ging hij tijd vinden om op te ruimen? Maar hij hoopte dat als het stil was, hij zijn boek snel af kon maken, en de rest van zijn tijd kon besteden aan het opruimen.
*****
Bram dacht alles slim geregeld te hebben. Het was eind zomer, de meeste mensen waren al terug naar de stad.
Hij was er zeker van dat hij alleen zou zijn in het tuinhuis-complex.
Het was nog lekker weer, een gebrek aan luxe in het huisje vond hij niet erg.
Door een wildernis aan onkruid baande Bram zich een weg naar het huis, toen plotseling…
– Ho! Wie is daar?!
Bram bleef staan.
– Nou?! Ik vroeg iets! Waarom zeg je niks? de stem uit het niets werd strenger.
– Bram, ik ben Bram.
– Wat doe je hier?
– Ik kom logeren.
– Bij wie? Er woont hier al zeven jaar niemand! Vast een inbreker!
– Het is het huis van mijn tante, Johanna Verhoeven. Ze zei dat ik er kon verblijven. Hier is de sleutel.
– Loop naar het hek.
– Welke kant? vroeg Bram, om zich heen kijkend.
– Linksaf.
Bij het hek zag Bram een oude man met een hond. Een grote hond, met zon blik dat het leek of hij Bram als avondeten beschouwde.
Misschien wilde de hond dat niet echt, maar Bram was altijd al bang voor honden.
De oude man bleek echter praatgraag. Hij stelde zich voor als Willem.
Toen hij zeker wist dat Bram echt de neef van Johanna was, begon Willem meteen te vertellen. Kennelijk was hij al jaren erg eenzaam.
– Ik woon hier alweer zeven jaar, Bram. Mijn flat heb ik aan mijn dochter gegeven ze is getrouwd en ik ben hier gaan wonen. En toen kwam Max erbij. Nu leven we samen.
– Aha, – mompelde Bram, zonder Max uit het oog te verliezen. Max bleef hem ook strak aankijken.
– Ook let ik een beetje op alle tuinhuizen als mensen weg zijn, want iedereen heeft tvs, magnetrons, koelkasten Ik werk als een soort nachtwaker, ook al betaalt het haast niks. Kom jij dus voor drie maanden?
– Ja, voor drie maanden. Ik moet een boek schrijven. Ik heb rust nodig. In de stad is dat onmogelijk.
– Dan zit je hier goed, Bram. Buiten mij en Max is hier verder helemaal niemand!
*****
Bram zei Willem gedag en bracht daarna zijn spullen uit de auto: tassen met eten, laptop, magnetron. Er was zowaar al een koelkast, en tv vond Bram onnodig. Daar kwam hij niet voor.
Toen hij naar het terrein keek, zuchtte Bram eens diep. Hij besloot al snel dat er schoon schip gemaakt moest worden.
“Laat ik het hier netjes maken als ik er drie maanden ga wonen. En Willem heeft het hier keurig”
De daaropvolgende vier dagen was Bram uitsluitend bezig met opruimen. Op dag vijf was elk sprietje onkruid verdwenen.
Alle bergjes afval lagen netjes op een hoop: “Je weet maar nooit wie compost maakt.”
Gedurende die dagen hield Max Bram zwijgend in de gaten. Er zat iets in het zwijgen van die hond… Iets onheilspellends, waar Bram koude rillingen van kreeg.
Gelukkig was er een hek. Bram vond die draadomheining net zo geruststellend als een flinke dosis valeriaan.
“Nu eindelijk aan de slag met het boek,” glimlachte Bram terwijl hij zijn laptop opende.
Hij lachte, want hij had nog tijd genoeg, en het was heerlijk stil. Geen auto’s, geen hanen die kraaien, geen buren met boorhamers en schroevendraaiers. Maar het geluk duurde niet lang.
Toen Bram zijn eerste regels typte, begon Max opeens te blaffen. Hard en langdurig. Alsof hij niet anders deed.
Raar, want al die dagen tijdens de schoonmaak had Max geen kik gegeven. En nu…
Als Bram naar buiten kwam, stopte Max gelijk met blaffen en kwispelde hij. Maar zodra Bram in huis ging, begon het geblaf opnieuw.
– Wat moet ik nu doen?
Bram vroeg Willem om raad, maar die haalde zijn schouders op: “Ik snap het zelf ook niet. Hij mag je, denk ik.”
Als Willem Max aan de ketting deed, werd het geblaf nog erger. Dus dat hielp niets.
Bram probeerde te werken, maar kreeg niets uit zijn handen steeds hoorde hij in zijn hoofd alleen dat geblaf.
Was hij niet zo bang voor de hond, hij had hem allang een lel verkocht. Maar Bram durfde in werkelijkheid nog geen drie meter uit de buurt van het hek te komen. Max deed hem te veel aan Rick denken.
“Wat nu? Eigenlijk zou ik weg moeten. Maar waarheen? Ik heb geen uitvlucht, en er is al een week voorbij.”
Het ergste was, dat de stress verhinderde dat Bram ook maar kon nadenken.
De hele dag staarde hij naar een leeg scherm. Soms zette hij zijn handen op het toetsenbord, maar ze lieten hem in de steek.
In plaats van te werken, liep Bram doelloos rond door de tuin en werkte de etensvoorraden weg.
– Willem, leg me eens uit: waarom begint jouw hond direct te blaffen als ik naar binnen ga?
– Hoe moet ik dat weten? Maar volgens mij mag hij je wel…
– Nou, ik hem niet bepaald…
– Je zal eraan wennen, jongen. Mensen die zeggen nooit van honden te zullen houden, lopen er vijf jaar later nog mee te kroelen. Max is ooit gedumpt, dat merkte ik meteen.
– Dan zijn dat geen mensen, Bram geen mensen…
*****
Diezelfde avond kwam er een ambulance het terrein op en Willem werd op een brancard uit zijn huis gehaald. Bram, die in het toilet zat en het van een afstandje bekeken had, kon horen hoe Willem tussen zijn zware ademhaling door zei:
– Hoe moet dat nu? Wie zorgt er voor Max? Die redt het nooit alleen…
– Komt goed, maakt u zich geen zorgen! hoorde Bram een ambulancebroeder zeggen. U wordt weer beter, dan kunt u zo weer hier naartoe.
Die nacht lag Bram wakker, luisterde naar het gejank van Max onder de maan. Tegen de ochtend viel hij eindelijk in slaap, pas laat werd hij wakker.
Elke volgende nacht hetzelfde: Max jankte de sterren van de hemel, tot… op een dag een politieagent kwam.
Hij liep zwijgend naar Max, bleef een uur in het huis van Willem, en plakte toen zegels op de deur.
– Meneer, wat is er gebeurd? vroeg Bram, net op tijd buiten.
– Wie bent u?
– Ik verblijf hier tijdelijk.
Bram vertelde precies wat hij bij Willem verteld had, liet zijn paspoort zien, gaf zelfs het nummer van tante Johanna. Toen kreeg hij het slechte nieuws.
– Uw buurman is overleden. Hartaanval.
– Wat jammer zo’n aardige man. En de hond dan? Die zit hier nu alleen.
– Nou, neem hem mee. Of laat hem los. Denk niet dat hij wegrot.
“Laat hem los,” dacht Bram en keek naar Max, die inmiddels hongerig en troosteloos aan de ketting lag.
– Je hebt vast honger? zei Bram, meteen beseffend dat het een domme opmerking was.
Twee vingers dik worst haalde Bram uit huis. Van een afstand probeerde hij het naar Max te gooien tevergeefs, hij was altijd al slecht in gooien geweest.
Na de derde mislukte poging liep Bram nerveus naar Max, zijn benen trilden als rietjes. Max keek hem steeds aan, kwijlend van de honger.
Bram legde de worst dichtbij de mand, Max slikte hem razendsnel door.
Ook de andere stukken worst verdwenen acuut in Max’ bek.
Wat Bram toen deed, heeft hij zich achteraf vaak beklaagd. Hij maakte Max los, maar toen hij een paar meter wegliep, begreep hij het niet eens… Max sprong bovenop hem, drukte hem tegen de grond en… begon hem in zijn gezicht te likken.
– Aaaah! schreeuwde Bram.
Maar niemand hoorde hem. Het tuinhuis-complex liep leeg.
Volgens de agent moest Bram Max maar vrijlaten, maar Max was niet van plan op te stappen. Hij volgde Bram overal.
– Wat ben je van plan? gromde Bram. Je denkt toch niet dat ik jou ga houden?
– Woef!
– Je hebt pech. Mijn tante heeft verboden dat ik dieren in huis neem. En ik ben voorlopig sowieso werkloos, want dat boek ik ga het niet redden. En het is allemaal jouw schuld!
– Woef!
– Juist, door jouw gejank en geblaf is er niks uit mijn handen gekomen, – mopperde Bram.
Het was vergeefs gemopper.
Max vroeg niet om toestemming. “Jij bent nu mijn baas en ik blijf bij jou,” stond in zijn ogen geschreven.
En Bram schikte zich.
Tot zijn verbazing was Max daarna stil en hinderde hem totaal niet bij het schrijven. Daar kun je blij mee zijn, zou je denken Maar Bram kreeg niks op papier. Zelfs het idee voor een verhaal wist hij niet te bedenken.
Hij was zo ontwend geraakt aan de stilte, dat zijn geest ervan blokkeerde.
Bram kreeg zelfs heimwee naar zijn gehorige appartement. Misschien had hij daar, onder die herrie, tenminste inspiratie gehad voor een spannend moordmysterie rond Rick en zijn boorhamer. Maar nu presteerde hij niets.
Wel had hij zowaar de hondenmand van Willem zijn terrein op gesjouwd een zware klus, want alles zat op slot en een karretje kon hij niet vinden.
Helaas hielpen zijn maatregelen weinig. Zelfs toen Max tijdens het eten in zijn mand moest, bleken na terugkomst van een kopje thee de borden alweer leeg.
Tot Bram op een dag besloot om zijn eten in de gaten te houden. Het bleek een grote, grijze kat: die opende de kooi van Max, waarna zij samen de tafel leeghaalden.
Zo werd de kat, die Bram “Stout” doopte, een permanent lid van het huishouden. Brams pogingen tot strengheid liepen uit op niets.
Evenmin jaagde hij de kat nog weg. Dat was alleen maar gezellig, zo met z’n drieën: Bram, Max en Stout.
Terwijl Stout zn dankbaarheid bewees door het huis muisvrij te maken (en alle vondsten steeds keurig voor Brams bed legde wat luid gevloek tot gevolg had).
– Even een tussenstand mompelde Bram tijdens zijn thee. Twee weken om, niets geschreven. Wel een hond en een kat… die gevoerd moeten worden! Met wát…?
De koelkast bleek leeg. Bram moest naar de stad voor boodschappen. Hij wilde alleen gaan, maar Max en Stout hadden andere plannen.
Toen Bram de deur opende, doken ze samen de auto in.
Dus reed hij met beesten en al naar Utrecht voor boodschappen, wat met alle tussenstops toch drie uur kostte.
Na terugkomst besloot Bram: morgen belt hij naar de uitgever om de opdracht stop te zetten.
Hij wilde naar huis.
Maar zoals altijd liep het anders.
Toen het donker werd en Bram aan zijn derde kop thee zat, hoorde hij het gebrom van een motor. Geen auto, duidelijk een bestelbus.
Bram belde direct de wijkagent.
“Ik kom langs,” zei deze. Ondertussen zag Bram vanuit de schaduw een bestelbusje dicht bij Willems huis stoppen. Zelf zat Bram op het toilet Max en Stout bewaakten buiten alles en niemand zag Bram, maar hij zag de indringers wél.
Het waren inbrekers, daar twijfelde hij niet aan.
Wat moest hij doen? Wanneer de agent zou komen, was onzeker. De dieven konden elk moment verdwijnen.
Hij moest nú handelen.
Bram sloop naar de bestelwagen, zag alle witgoed en tvs in de laadbak.
Toen hij naar het huis liep, kwamen twee jongens naar buiten.
– Hebben we ze lekker even uitgekleed, – grijnsde de één, mini-tv onder zijn arm.
– En er lagen nog medailles, die kunnen we mooi slijten.
Ze zagen Bram.
– Wie ben jij?!
– Politie! riep Bram meteen. Je bent op heterdaad betrapt. Rustig omdraaien, en handjes omhoog!
Alleen ooit in een politieserie gehoord, maar het kwam eruit alsof hij het meende.
– O shit, – riep de jongen met de tv.
De ander…
– Man, dat is geen agent. Willem sprak laatst over een buurman die een boek kwam schrijven. We dachten dat hij raasde…
– Oh, ja! lachte de ander herkenbaar.
Bram kon niet vechten, dus hij dacht al dat het zijn einde was tot Max en Stout opeens uit het donker opdoken. De kat sprong met een flinke sprong op het hoofd van de een en begon driftig te trappelen, Max werkte de ander tegen de grond en gromde diep.
– Aaaah! – schreeuwde de jongen.
Bram bond de handen van een van de boeven zo goed als hij kon met Max’ ketting.
Even later arriveerde de politie. De agent lachte breed terwijl hij de boeven overnam.
– Goed gedaan, Bram! zei de agent opgewekt terwijl hij hem de hand schudde Niet bang, gewoon aanpakken.
– Ik was niet alleen… glimlachte Bram en wees op de hond en kat. Mijn vrienden hielpen.
– Goede vrienden. Daar kun je op rekenen. Koester ze…
“Daar kom ik ook niet zomaar meer vanaf,” dacht Bram.
– Zeg, wie zijn die jongens eigenlijk? Ze komen me bekend voor!
– Werknemers van de ambulance… Waren maanden onder de radar. Doorjou zitten ze nu vast.
En in één klap kreeg Bram het idee voor zijn boek.
*****
Twee-en-een-halve maand later leverde Bram zijn manuscript in bij de uitgever, die het in één ruk uitlas.
– Fantastisch, Bram! Dit wordt een bestseller! Je krijgt je geld ná publicatie, plus een percentage van de verkoop.
Kort daarna verkocht Bram zijn appartement in Utrecht en kocht van zijn tante het tuinhuis.
Hij nam ook Willems terrein erbij, en liet er een echt huis bouwen, met een wc binnen, goede verwarming, alles erop en eraan.
En zo ging Bram buiten wonen. Met Max en Stout. Waarom niet?
Rust en vrede om hem heen… maar het allerbelangrijkste: zijn beste vrienden altijd bij hem.
Overdag werkte Bram aan zijn verhalen, ‘s avonds slenterden ze samen over het terrein en hielden ze een oogje in het zeil.
Bram dankte het lot (en Rick met zn boorhamer) dat alles zo liep. Want soms verandert tegenslag je leven op een prachtige manier. Juist wanneer je nergens heen lijkt te kunnen, ontdek je dat de beste bestemming soms gewoon op je wacht samen met echte vrienden.






