Onoverwinnelijk
Liesbeth stond op de hoge houten veranda van haar oma en keek neer op de zelfingenomen jongen die voor haar poseerde. Wat nou, dacht ze, het is ook eigenlijk gewoon een kerel uit de polder: amper een meter tachtig (met klompen aan), beentjes als kromme fietsspaken, een hoofd als een baksteen en dan nog die voortanden op de vlucht. Toch is hij de haan van het dorp. Alle meiden staren hem aan, hopen maar dat hij ze meevraagt naar het zomerbal in het dorpshuis.
Liesbeth kon een lach niet onderdrukken. Sander mocht dan wel menig meisjeshart sneller laten kloppen, dansen kon hij voor geen meter. Hij walst als een dronken stier over andermans tenen, schudt zijn hoofd erbij zoals t Tante Nel dr gans deed, en tijdens de levendigere dansen gaan zn schouders zo ritmisch op en neer dat zn flaporen ervan gaan wapperen. Waarom vallen ze toch allemaal op hem? En hijzelf, die waant zich de koning van de polder, wat zeg ik: koning der koningen!
Zoals nu, terwijl Sander nonchalant een grassprietje kauwt, haar lodderig aankijkt en wacht tot zij hem om de nek vliegt. Dan kan hij haar met zeemans-stap richting dorpshuis loodsen. Nou, mooi niet!
Lies, nou kom op, ga je mee? bromde Sander, spuugt het grassprietje uit, schuifelt wat onhandig en kijkt beschaamd omhoog, want door het raam staart Liesbeths oma, mevrouw Annetje.
Met mij dan! Ik nodig jou uit, speciaal.
Gottegot, eet ie weer gras, hoor ik in de keuken, waarna emmers rinkelen, Lies! Kom terug! Het gaat zo regenen, voor je het weet zak je tot je enkels in de klei! En met hem, ze wijst nijdig naar Sander, laat ik je hier echt niet gaan! Sander, kerel, ga alsjeblieft ergens anders je charmes tonen, Liesbeth moet mij helpen met de augurken. Annetje zwaait het keukendoek alsof ze de duivel wegjaagt.
Liesbeth, neusje hoog, beent naar binnen, slaat de deur dicht en gluurt stiekem door het raam naar Sander, die teleurgesteld over het pad sjokt, zijn stapjes extra breed om stoer te lijken.
Och, het mannetje is zo vol van zichzelf, het loopt er zo vanaf! zucht Annetje achter Liesbeth. Net zn vader: veel praatjes, weinig wol. Allebei een bult eigendunk, maar als je goed kijkt: nèt kleine vliegjes, Lies. Gelijk heb ik, toch?
Liesbeth haalt haar schouders op en trekt zich terug in haar kamer. Liggend op bed, hoofd in de hand, tuurt ze naar het houten plafond. Daar vormen de knoesten de mooiste patronen: honingkleur, oker, hier haast oranje en een stukje verder donker chocobruin met een druppeltje hars die in het licht glinstert. Mooi is het hier. En ergens ja, Sander is best knap, denkt ze met lichte tegenzin. Maar zijn charme? Nee, daar zit voor Lies niks bij. Veel te veel poeha, precies wat oma altijd zegt.
Sander sloft ondertussen naar de veranda waar de jeugd samenklit, uit de hutsepot van het dorpshuis naar buiten gevlucht vanwege de muffe lucht binnen. De avondzon plakt dikke oranje plakken op het houten vloertje, waar sierlijke blote meisjesbenen dansen en stoffige jongensschoenen achteraan stampen. De schaduwen klimmen omhoog langs de wanden, maken iedereen extra lang, extra slank.
Sander knikt breeduit naar zijn vrienden, trekt een shaggie en steekt hem aan. Met wie zal hij dansen? Knippert hij, staan alle meiden naast hem! ALLEMAAL! Maar hij wil Liesbeth. Zonder oma had hij haar wel overtuigd, zeker weten! Hij moet de volgende keer wat meebrengen, een nieuwe steel voor haar schop of een bos bloemen. Zo krijg je die oude dametjes wel om.
En, waar is je ijskonijn nou? Afgewezen? lacht Jurre, ploft van de railing op de grond. Genoeg keus hier toch, Sander, wat zijn we slim dat we elk jaar weer terugkomen!
Ja ja, Sander haalt een hand door zijn weelderige lokken, likt snel zijn lippen en begint swingend op de muziek mee te bewegen, knikt met zijn hoofd en haalt zijn schouders op naar de meisjes in het groepje. De koning van de polder, altijd en overal. Met Liesbeth of zonder!
De stadskinderen komen hier elke zomer, iedereen weet precies wie wie is. Liesbeth, de zomergast, moeder wilde geen kind naar een massaal jeugdkamp, maar lekker veilig onder toezicht van oma. Sander helpt zijn ouders in het bouwvallige huisje met overwoekerde tuin, waar ze oogsten slepen naar de stad: potten jam, potten ingemaakte augurken, allemaal voor de flat in Rotterdam. Sander voelt zijn armen met elke pot langer worden. Straks loopt hij als Tarzan. Maar die spieren en het kekke kleurtje staan goed in het openluchtzwembad. Op de toren wacht hij altijd extra lang met duiken, spant zijn borstkas, showt zijn spieren zodat iedereen, ook Liesbeth, goed ziet hoe geweldig hij is.
Een steel voor de spade kopen en Liesbeth voor zich winnen, kwam er niet van. Zij vertrok plots, zonder afscheid, er was thuis iets gebeurd. Oma Annetje was Sander ook meer dan zat, stuurde hem met zachte maar resolute hand weg, hij had meer dan genoeg aangebeld die zomer.
Niet veel later vertrok de hele jeugd. Studentenleven, kamers, de stad het dorp liep leeg.
Sander hield altijd van Liesbeth. Al als kleuters: hun zandbak, hun schepje. Sander raakte die van hem altijd kwijt, Liesbeth ruimde alles netjes op, klopte het zand van haar rokje. Sander hobbelde mee naar huis, schopte steentjes voor zich uit en vertelde flauwe mopjes die hij van zn vader hoorde. Liesbeth glimlachte vriendelijk, beetje neerbuigend, alsof Sander een ongelukkige tamme eend was die ze uit medelijden meeneemt. In de zomer zwommen ze samen; grote opblaasmatras, de hele polder over. Een keer duikelde Liesbeth van het matras en kwam vast te zitten: Sander redde haar spectaculair en was daar weken vol van.
Ze groeiden samen op, zagen wie mooi werd en wie niet zo, aten handjes wilde frambozen, kletsten uren bij het gouden avondlicht. Soms kwam Sander bij Liesbeth thuis; zij verwende hem met verse aardbeien in de melk. Hij hing onderuitgezakt, voeten op tafel, blufte dat hij naar de diplomatenopleiding in Den Haag zou gaan. Liesbeth luisterde nauwelijks, genoot van de aardbeien. Oma Annetje snoof hoorbaar bij elke grote mond van Sander. Drie keer raden waarom!
Liesbeth heeft nooit gehoord dat hij haar leuk vond. Hij wachtte op hét moment, hoopte dat zij hem ooit achterna zou lopen. Maar dat deed ze niet en nu was ze weg ook.
Vier jaar later kwamen ze elkaar opnieuw tegen. Oma Annetje ontving haar kleindochter luid en emotioneel, terwijl er al een compleet banket klaarstond, alsof Liesbeth uit een hongersnood terugkeerde. Het hek kraakte, hakjes klikten, gezichten doken op achter de ruit.
Sander keek stiekem naar het buurperceel: daar liep Liesbeth in badpak haar oma te helpen met de moestuin. Ze zakte uitgeput neer op een bankje, knabbelde op een kraakverse komkommer en dook in een boek. Oma was boodschappen doen. Sander, na het leegplukken van de braamstruiken en een korte blik in de achteruitkijkspiegel, liep naar de erfgrens. Ze hadden van jongs af aan een plank los, een geheime doorgang. Sander grijnsde, probeerde de plank, maar die zat muurvast een gloednieuwe spijker priemde dreigend zijn kant op.
Zou je oma niks beters te doen hebben? mompelde Sander, mopperend teruglopend. Dan maar netjes door het hek. Met een mand frambozen als vredesoffer.
Hoi! fluisterde hij en plofte naast Liesbeth. Ze rook lekker naar parfum, haar gebruinde benen. Sander voelde zich een pauw, terwijl hij onhandig bessen naar haar mond hield.
Liesbeth week terug en sprong op.
Sander, doe even normaal! Die bessen lijken niet eens op die uit het bos! En ik eet niet uit jouw hand! Echt gewoon Ze moest lachen, sloeg haar boek dicht.
Vroeger wel, fluisterde hij. We waren elf, weet je nog? Jij at uit mijn hand O Lies.
Ze lachte nog harder. Sprong naar het huis.
Sander, ga weer lekker naar je eigen huis. Ik moet leren voor m’n tentamen!
Lies! Hij holde haar achterna, trok haar in de hal naar zich toe, duwde haar, probeerde haar te zoenen. Maar zij was niet gek: gaf hem een ferme tik met de bezem die toevallig binnen handbereik stond en schopte hem het portiek uit. De frambozen rolden de trap af. Sander vertrapte ze kwaad, gooide zijn blauwe wilgentenen mandje in de plantenbak en beukte uit frustratie het hek daar schoot een paumel los.
Dat was allemaal lang geleden. Annetje overleed, Liesbeth kwam met haar ouders terug voor de begrafenis. Raampjes dicht, huisje op slot, gordijnen dichtgetrokken.
Lies, wat moeten we nou met dat stuk grond? snikte haar moeder, zegend op Liesbeths schouder.
We houden het. Ik blijf komen. Verkoop het niet, antwoordde Lies resoluut.
Op het buurperceel sloop een scharminkelige zwerfhond rond. Sander en zijn ouders kwamen al jaren niet meer. Geruchten in het dorp: hij zit voor zaken in Zuid-Amerika, ouders werken nog altijd te veel.
Jaren later parkeerde een enorme zwarte SUV voor het ouderlijke huis van Sander. Twee hoofden kwamen nieuwsgierig tevoorschijn. De eerste: Sander zelf, hip kapsel, glanzend van de gel met lokken waar elke vlieg op af komt, gluurde even arrogant en dook weer terug.
De tweede: een vrouw met een vrolijk paardenstaartje, geen make-up, een lief gezicht vol sproeten en een guitig neusje, zwaaide breed.
O Sander! Wat een lucht hier, wauw! lachte ze. Je hebt gelijk, wat heerlijk! Midas, Fenneke, wakker worden! We zijn er!
Achterin rommelde het: kinderen gilden, riemen klikten los. “Waar ben je nu weer mee bezig?” kraaide Fenneke, de dochter.
Ach joh, ze snappen het niet, grijnsde Iris, springt vrolijk uit de auto in een luchtig katoenen zomerjurk. Bijna als een stereotype, ontbreekt alleen een strooien hoedje vol bloemen, Kom, laat die wesp met rust, ze heeft het druk. Kijk hoe harig en gezellig: schattig toch!
Ies, hou op met die beesten, rilde Sander terwijl hij met zijn glimmende schoenen aan de grassprieten blijft hangen. Nou, dat is het dus. Mijn roots. Hier ben ik man geworden.
O ja joh, aan de Graafstroom zuipen en roken? Dat deed je in Rotterdam ook al volgens de jongens, giechelde Iris. Sorry hoor, grapje. Nou hup, Dames en heren: inslaan! Zet ons neer op het grasveld, leg dat deken uit, we eten buiten!
Sander zwaaide af.
Sorry, schat, ik ga het erf verkennen. Sleutels hier Jullie redden je wel toch? Midas, gooi dat pak melk even in de koelkast.
Ik wil naar huis! jammerde Midas van negen achterin. Maar papa was al op pad, de hond Sherlock aan de riem, melancholiek kijkend naar de vijver waar hij vroeger onderuitging.
Iris zuchtte, ging neuzen in het huis, al jaren niet bezocht sinds ze met Sander drie nachtjes logeerden in het jongste begin van hun huwelijk. Toen lag het vol luchtmatrassen en mintsnoepjes. Zwemmen, houtskool, barbecueën dát waren dagen. Nu zijn Sanders ouders dood, het huis moet verkocht worden Sander wil ervan af. Maar eerst, een picknick! Al moet Iris die alleen voorbereiden want Sander verdrinkt in weemoed.
Fenneke, Midas, kom! Frambozen in de tuin! riep Iris, neusde in haar rugzak naar de juiste huissleutel, vergiste zich prompt. O nee toch, hij blijft vastzitten!
Ze wilde Sander roepen, zag door het raam dat die alleen maar om zichzelf lachte in de reflectie van de Audi van de buren.
Sander! Het lukt niet met dat slot!
Mopperend kwam haar man terug.
Zie je nou, je luisterde weer niet: die andere sleutel is van het huis! Moeilijk is het niet. snauwde hij, pakte haar vol sleutelbossen af. Ik zeg altijd alles helder, maar bij jou lijkt het wel of ik Arabisch praat.
Sorry, ben moe. Voel me sloom door die hitte, zuchtte Iris.
Maak anders snel het eten klaar, dan ga ik even hoor bij de Graafstroom.
Iris knikte en richtte zich op het huishoudelijke. Sander speelde belangrijke meneer in zijn linnen maatpak al aardig gekreukeld met daarop een horloge van een paar duizend euro. En alsof dat niet genoeg is, parkeert hij een zwarte Volvo van een halve ton in de Dorpstraat.
O, kijk! Het is Sander-de-Vliegenvanger! schalde het plots achter de heg, Tante Greet stak haar hoofd over het rotte tuinhek. Je hebt het voor elkaar, jongen! Vertel ik het niet altijd? Je roots trekken altijd! Tante Greet prikt in Sanders imago van elitaire tuinarchitect met gekochte vliegenmepper.
Sander groette, gepijnigd lachend, snel een blik naar het huis om te kijken of Iris alles gehoord heeft.
Dag Tante Greet. Deze hut wordt verkocht, staat te rotten. En u, alles goed? Hij drapeert een verloren haarlok terug, shirt iets verder open, het gouden kettinkje met dik kruis in beeld.
O, dat zie ik! Sjongejonge, Tante Greet bekeek de ketting en knikte goedkeurend. Maar waarom dat kruis eigenlijk? Jij bent toch niet zo van de kerk? Mis je soms wat?
Ze spuugde op het tuinpad en waggelde weg, Sander stond beteuterd te kijken.
Ondertussen, aan de andere kant van het hek, maakt Liesbeth kennis met Iris.
O, wat leuk, zegt Iris. Wij blijven maar een nachtje hoor, alles moet opnieuw georganiseerd nu we van de snelweg af zijn. Waar woont u precies?
Liesbeth knikt, wil verder, ziet dat Iris onwennig om zich heen kijkt in de overwoekerde tuin, biedt snel aan:
Kom lekker bij ons lunchen! Alles staat klaar. Hier is het gras gevaarlijk hoog voor je het weet zit er een teek op de kids.
Iris protesteerde, hield het niet droog, voelde zich half niet lekker haar hart bonkte veel te snel vandaag. Liesbeth regelde snel een stoel in de schaduw, schotelde haar koud vlierbessensap voor.
Gaat het wel? Wilt u dat mn man kijkt, hij is huisarts?
Och ja, misschien handig, Iris pakt haar handtasje dat nu ineens onvindbaar is, ik geloof dat ik medicijnen vergeten ben.
Jonas! roept Liesbeth haar man. Kan jij even komen kijken?
Jonas nam even haar pols.
Je hart is aan het stuiteren?
Komt wel meer voor, knikte Iris stilletjes.
Medicijnen bij? Wij hebben anders ook voorraad, Jonas knipoogde, wij zijn zowat het dorpshulppunt.
In de tas, bij de voordeur, zegt Iris.
Hé Lies, loop je even mee? En, waar is Sander eigenlijk?
Die is de hond aan het uitlaten, mompelt Iris. Sherlock moet zijn rondje.
Huh, Sherlock, zo heet jullie huisdier? Grappig, Jonas lacht. Oké, even dat stoel in de zon zetten!
Sherlock blijkt echter een varkentje aan een roze riem, niet een hond. Liesbeth gooit haar lach moeilijk in bedwang als Sander het erf op paradeert met zijn charmante huisgenoot.
Snappen jullie het nou niet? Honden zijn zooo 2019… Wij hebben ook een leguaan en een vogelspin, verklaart Sander gewichtig.
Hallo Sander. Je vrouw en kids zitten al bij ons. Iris rust even uit, Liesbeth knikt even kil, dat varkentje is een hit trouwens.
Dus jullie wonen hier nu? Sander werpt een licht jaloerse blik op het solide bakstenen huis, Is een knap optrekje geworden.
Tja, moeten toch wat, hé. Trouwens: kom je? Iris zit al te wachten op haar pillen.
Sander grijpt de tas, Liesbeth leidt hem naar het huis. Terwijl ze langs hem loopt ruikt hij haar parfum, frambozengeur, zomer. Oude tijden herleven, maar Liesbeth duikt handig weg voor Sherlocks riem. Sander bukt zogenaamd, raakt haar ongemerkt aan. En héél even is er iets.
Lies, ik heb je gemist, fluistert hij.
Kom nou maar, je vrouw heeft je nodig.
Tijdens de lunch schuiven ze aan in de prieel, precies op de plek van hun oude zandbak. Nu een zonovergoten terras onder druivenranken en koperen lampen. Midas en Fenneke eten ineens heel gedisciplineerd hun bordje leeg. Jonas serveert satéstokjes, Liesbeth een veldsla, Iris snijdt volkorenbrood, schenkt frisse karnemelk bij.
Wat doen jullie straks met het erf, joh? Afbreken, bouwen, beleggen? vraagt Jonas.
Ach, waarom zou je bouwen in een dorp vol dieven? gniffelt Sander, Paar jaar terug alles gestolen: de grasmaaier, de slijptol, tweemaal ingebroken. Volgens mij zijn bouwvakkers allemaal rovers, ja toch. Of niet, Jonas?
Jonas recht zn rug.
Valt wel mee. Ik ken ze allemaal en ik vertrouw ze allemaal. En die nieuwe woning hebben we zelf gebouwd, met eigen handen. Vraag gerust na.
Op het gras zwijnt Sherlock vrolijk met Liesbeths hondje. Sander staart naar Liesbeth, schat de kansen. Jonas doet een voorstel:
Verkoop het stuk aan ons, Sander. Dan wordt het één mooi erf. Wat wil je ervoor hebben?
Aan jou verkopen? Ha noem eens iets geks: 200.000! Sander glimlacht uitdagend naar Liesbeth. “Zie je wel, Jonas is een brave borst in versleten tuinkloffie, ik ben hier de baas.”
Pakweg een glas whiskey later trekt Sander een gitaar tevoorschijn, rommelt wat aan de snaren en begint voor Liesbeth een smartlappig dranklied. Iris schiet in de lach.
Volgens mij is het tijd voor koffie, jongens, zegt Jonas droog, O, wat dacht je van echte theekrans met appeltaart?
Kleine handen grijpen naar dropjes. Sherlock en de hond racen gillend achter elkaar aan over het grasveld.
Sander, help je even met afruimen? fluistert Liesbeth.
Ach, laat maar. Ik doe het, lacht Iris, Anders valt er nog servies, met al je tactiek en charmant gewiebel.
Binnen in het huis lachen Iris en Liesbeth in de keuken. Iris merkt op:
Mag ik je Ies noemen? Vind dat zon schattige naam. Wist je dat ik mijn dochter zo wilde noemen toen ze werd geboren?
Tuurlijk joh, noem me hoe je wil, lacht Iris. Plots zucht ze. Maar sorry dat wij zo binnenvallen. Je hebt het vast druk en alles en dan komen wij hier zo je gras platlopen Jij moet zelf rusten!
Liesbeth bloost, beschermt haar buik haast instinctief.
Het is onze zesde poging, zegt ze ineens, tranen in de ogen. Ik weet niet of ik het volhoud als het wéér niet lukt.
Iris slaat zonder aarzelen een arm om haar heen.
Hé joh, dat komt goed. Jonas is een kei, jij bent een bikkel. Niet opgeven, echt niet! Ze zwijgen samen heel even, terwijl buiten Jonas de theepot klaarzet.
En zo genieten ze alle van thee, appeltaart en een opnieuw opflakkerende Hollandse zomerzon.
Op een zeker moment beslist Sander dat hij naar de rivier wil.
Kom jongens, naar het water. Midas en Fenneke springen op. “Vader, wáár is die boot?”
Avond wordt het. Nu niet meer zwemmen. Iris is moe, ik moet werken. Morgen beter, Liesbeth schudt haar hoofd. Sander is al wankelend op pad, Sherlock gezellig aan zijn zijde.
Maak zelf je bed op, Sander, roept Liesbeth nog. Iris blijft hier.
Juist, hart niet negeren, beaamt Jonas. Wij helpen wel.
Iris en Liesbeth trekken zich terug op zolder. Buiten ruikt het naar open vuur en rivier, de avondzon zakt.
Later loopt Jonas met zn handdoek richting rivier: Sander is nergens te bekennen. Misschien even verderop? Kan niet, daar is drijfzand. “Hé, daar ligt een badlaken!” roept Iris plots, paniek in de stem.
De kinderen rennen naar huis voor een telefoon, terwijl Jonas, zonder twijfel, het water induikt. Ooit redde hij een hond uit het meer, dus deze rivier kenmerkt zich niet door haar vriendelijkheid. Oja, en bellen: “Petra! Brandweer!” schreeuwt Liesbeth. Petra gromt wat over weer zon stadsmens, maar zegt dat de boot eraan komt.
Jonas zwemt, weer naar boven, weer onder water. “Alles goed, Liesbeth,” roept hij uit het water. Iris trilt door water én zenuwen.
Opeens kraakt er iets in het riet. Daar verschijnt… Sander. Droog. Een beetje gniffelend: “Tjongejonge, jullie gingen er even flink in hé? Ik zat gewoon te luisteren in het riet, jeetje zeg!”
Ssst… dan zakt de spanning pas goed. Iris zakt als een vaatdoek in het zand, haar gezicht asgrauw.
Je grote grapje had iemand het leven kunnen kosten, snauwt Liesbeth. Tante Greet veegt haar handdoek langs Iris koortsige voorhoofd.
Sander probeert charmant te doen, wil Iris omhelzen, maar krijgt een klap voor zn kop.
Hoe haal je het in je hoofd?! Iris schreeuwt tegen hem. Tweedehands Casanova! Iedereen moet altijd om jou huilen?! Dat noem je liefde? Je bent een vet moddervarken, Sander!
Sander wil haar omarmen, maar Iris stuift op: Sla er maar op los! Of beter: kruip in dat modderslootje en kopje onder! Je kinderen houden van je, ze vinden je zelfs de beste vader. Jij moet altijd de beste zijn. Dáár heb ik van geprofiteerd, want zo heb ik rust gekregen. En nu ben ik het zat, Sander. Trek je kroontje af en leef normaal of we kappen ermee. Anders: ik verkoop het huis. Met jou erbij als kelderkast!
Iris loopt weg, Liesbeth schudt haar hoofd.
Liesbeth pakt Sander beet.
Sander, als je was verdronken, was ik niet eens echt verdrietig geweest. Erg voor de kinderen, tuurlijk, maar voor jou? Nee. En je flauwe grap? Jonas had kunnen verdrinken!
Jonas onderbreekt het spektakel.
Genoeg drama, grijnst hij. Kom, allemaal aan tafel. Fenneke, Midas, pak het ijs uit de vriezer. Sander? Blijf staan waar je staat.
Op weg naar huis denkt Sander na: waarom lachen ze niet meer om hem? Waarom luisteren ze niet meer? Wat nu?
De dag erna verkoopt hij alle spiegels, doet het varken Sherlock niet weg, maar de leguaan en spin mogen naar het asiel. Hij blijft piekeren: loopt Iris echt weg? Ze zegt niks. Alleen dat hij het huis niet mag verkopen. Zou hij zich dan niet beter alsnog willen bewijzen? Eerst maar even naar de kapper.
Waarheen? snauwt Iris vanuit de keuken. Sta je weer bij die spiegel?
Ik? Nee joh! Kan ik iets doen?
Haal boodschappen. Ik app je het lijstje. En waag het niet te verdrinken. Sherlock, hou hem in de gaten!
Met zn roze staartje wiebelend sjokt Sherlock achter Sander aan, op weg naar de winkel. Alleen wel naar die dure, want zomaar in de dorpssupermarkt dat is niet des Sander.
Iris, intussen, besluit nog helemaal niets. Ze houdt een kleine Hollandse pauze, denkt er rustig over na. Zoals het hoort.






