Reizigster
Het was al een tijd dat ik gewoon in mijn auto bleef zitten, nippend aan een lauwe kop koffie uit een plastic bekertje. De sneeuw hier in Utrecht bleef maar vallen, een dikke witte deken over de motorkap, het voorruit dichtgeplakt, spiegels nauwelijks zichtbaar. Zo gezellig winters als je maar kunt wensen maar mijn gemoed was allesbehalve licht. Terwijl ik een slok nam moest ik Nienke gelijk geven, die altijd riep dat koffie uit een automaat puur vergif is.
“Koffie, Lex,” zei ze, “dat drink je alleen in een echt café, een waar ze weten hoe het moet. Dan is koffie krachtig, smaakvol, niet bitter, niet aangebrand! Dat probeer ik je nu alweer uit te leggen…” En daar stopte ze vaak al: een zwiep met haar hand, haar gezicht de andere kant op. Altijd dat gezicht wegdraaien. Zodra ik ook maar iets verkeerd doe, trekt ze haar lippen in een pruillipje, keert me haar achterhoofd toe en ademt diep en zwaar, alsof ze ongetraind de Domtoren op is gerend. Eigenlijk als een kind! Zeg toch gewoon wát er schort, wat haar dwarszit, waarmee ik haar alweer geërgerd heb. Nee, dan moest er eerst een dramatische pauze vallen, en eigenlijk zó lang dat ze vergat waar ze zich überhaupt aan geërgerd had.
Zoals vanavond ook. Ik kom de flat binnen, krijg geen begroeting, wel een diepe zucht. Wat is het nou weer?
“Nienke, liefje, ik heb een taartje voor ons gekocht!” probeerde ik haar op te beuren, maar ze pakte het gebak en zette het goddank niet uit het raam op het balkon. Geen dankjewel dat ik juist kers had meegenomen, terwijl dat haar favoriet was. Ik, Lex, weer thuis, moe, uitgeput, handen vol werkplekken, zelfs een snee in mn vinger nog geïmproviseerd gefikst met blauwe tape… “Wat is er nou weer, Nien?”
Stilte. Alleen het gepruttel van de lichtknop in de keuken. Ik zuchtte diep, klopte mezelf op het hoofd. Oh ja, de lampen! Ik had beloofd nieuwe lampen te kopen. Niet gewoon gloeilampen, nee, een speciaal soort die nergens te koop waren behalve bij Van den Heuvel Bouwmarkt.
“Nien,” probeerde ik zachtjes, liep naar haar toe en legde mn handen op haar schouders. “Zullen we het gezellig maken, zo met kaarsjes? Jij en ik, vlammetjes… En daarna misschien ook warme vlammen tussen ons?” Ik fluisterde in haar hals, ze rilde en keek me strak aan.
“Oh ja? Dan mag ik zeker in het donker koken? Of heb je plakband voor al mijn vingers? Want ik gá vanavond niet koken. Jij denkt alleen maar aan eten. Waar was je eigenlijk? Waar bleef je nou weer?”
Ze smakte de keukenla dicht; het bestek rinkelde nagalmend na. Mijn geduld was inmiddels bijna op. Het was allemaal zo vermoeiend geworden. Vroeger was het fijn, rustig alleen in mn Utrechtse appartementje, soms kwam Nienke een nachtje, bakte iets lekkers, was ze lief vervolgens vertrok ze weer. Geen gedoe, geen ruzie. Maar nu woonde ze hier, in vrije verbintenis, want trouwen, dat was niks voor haar. Kom nou, Lex! We leven modern, anders gaan we gewoon door! riep sie vrolijk. Ik dacht: waarom niet de rest van mn leven delen? Maar zij lachte dat weg.
En nu, deze zelfstandige vrouw, stond ze driftig dingen over me te verkondigen: dat ik niets kan, dat ik huishoudelijk een ramp ben, dat ik de plinten niet eens kan fixen, enzovoorts…
We zaten al een tijd op een doodlopende weg samen. Maar uit elkaar gaan? Dat leek ook niets; het betekende het toegeven dat de liefde op was. Pijnlijk. Dus deden we door, zonder vonk, zonder sprankel waar je iets aan had. Zij ergerde zich, ik sloot mijn ogen daarvoor…
“Rot op, Lex! Ga weg! Ik kan niet meer ademhalen naast jou,” snauwde Nienke en draaide zich demonstratief weg.
Stilte viel. Zelfs de lucht leek te bevriezen.
Ik griste mijn schoudertas van het kastje, gooide mijn leren winterjas om, nam een besluit en trok de deur achter me dicht.
Lex! Waar denk je heen te gaan, zo laat? riep ze achter me aan, op sloffen de trap af. Kom terug, Lex! Ik zei: kom terug!
Ik ga inderdaad weg! riep ik, de vrieskou in, de sneeuw stortregen tegemoet…
Lang stond ik nog in de file, op weg naar de rand van Utrecht waar Van den Heuvel Bouwmarkt als een verlicht ruimteschip in het duister straalde. Alles hadden ze daar, van schroeven tot complete badkamers. Ook de rare lampen.
Terwijl ik over grasmaaiers liep te dromen zon mooie voor mijn tuin straks dwaalde ik tussen de planken, gereedschap, stroomdraden. Nienke wilde ik eigenlijk niet meer in gedachten nemen. Laat haar vrij, ik ben het ook.
Heeft u alleen lampen? Hoeveel? vroeg de caissière vermoeid.
Vijftig, graag, antwoordde ik stoïcijns. Voor de voorraad.
De vrouw knikte, pakte alles in, glimlachte wat ongemakkelijk, wenste me een fijne avond.
Jij ook een hele prettige, knikte ik terug.
Dank u, echt waar, bloosde ze en vertelde dat ze wijn met een vriendin zou gaan drinken, met kaas en druiven, lachen om oude Nederlandse komedies…
Net toen ik de smerige koffie op had, zag ik rechts buiten onrust. Een man en een vrouw, kennelijk een stel, in conflicten rond een Jeep. De man schreeuwde, smeet de autodeur dicht, de vrouw probeerde krampachtig een doos uit de kofferbak te trekken, liet die weer staan om zich aan hem vast te klampen, weer tevergeefs. Hij duwde haar opzij, smeet de deur opnieuw dicht, trapte tegen een band, sprong in de auto, gaf gas en spatte haar onder met smeltwater.
Ze bleef beteuterd achter, rommelend in de sneeuw, haar spullen werden bedekt door de snel vallende sneeuwvlokken. Ze probeerde te bellen, waarschijnlijk een taxi vergeefs. Haar berg spullen was in een mum één grote sneeuwwal. Ze begon van de kou te huppelen.
Ik wilde eigenlijk naar huis, toen ik een bericht van Nienke kreeg. Kort, bits, zon app waarmee ze me besloot alle zegen van de wereld te wensen, maar dan uit wraak.
Ik legde mijn telefoon weg, startte de auto en reed naar de trillende, rillende onbekende.
Het raampje naar beneden, vroeg ik: Kan ik u misschien ergens naartoe brengen? Geen taxi te krijgen?
Wat? Oh, u bedoelt mij?
U ja. Ik kan u wel even brengen, hoorde ik mezelf zeggen.
Nee hoor, hoeft niet… Echt veel te ver, taxis willen niet eens. Ik pak wel de bus…
We keken samen naar de berg dozen in de sneeuw. Ze zuchtte moedeloos.
Ik betaal u wel. Zegt u maar hoeveel, ik heb geld! Maar het is echt ver, u vindt het vast niet fijn
Ik stapte uit, opende de kofferbak. Geen handschoenen, dus met blote handen naar de dozen happend.
Voorzichtig! Daar zitten breekbare dingen, riep ze onrustig. En daar de lamp, daar servies en die doos…
Gaat u maar gewoon zitten, daarachter is verwarming, zei ik. Ze knikte, kroop naar de passagiersstoel.
Mag ik voorin zitten? Kan ik de weg aanwijzen…
Natuurlijk! blufte ik, sjouwde dozen in het rond. Och, wat een gedoe. Zoals oma zou zeggen.
Toen alles was ingeladen, zat ik eindelijk achter het stuur, stampte sneeuw van mijn schoenen als een zeeleeuw tijd om te gaan.
Waar moet u heen? vroeg ik.
Naar Chaam, zei ze zacht. U heeft vast thuis iemand wachten…
Chaam? Nee hoor, niemand wacht. Dus…, ik zocht Chaam op het navigatiesysteem een kronkelige, eindeloze route. Het is ver…
Zie je nou, daarom wilde geen enkele taxi erheen. Vindt u niet erg? Ze prutste zenuwachtig met haar bloem in pot, die ze vasthield als een pasgeboren kind. Ik herkende ‘m: een vetplant, Kalanchoë. Mijn moeder had vroeger een bloemenwinkel, ik leerde het zo.
Houdt u van planten? vroeg ik.
Ja, maar deze is voor mijn moeder, ze wilde er graag een… Ik ben trouwens Paulien.
Lex.
We reden lang zwijgend Utrecht uit, Paulien keek nadenkend uit het raam, ik focuste op het verkeer. Toen belde ze.
Mam, ik ben onderweg. De wegen zijn helemaal dichtgesneeuwd. Verveel je je niet?
Het antwoord klonk als een geruststellend gepiep. Ze glimlachte.
Zet anders muziek op, mama. Maar géén werk! Rust uit, hoor. Ik breng een verrassing mee! Wacht op me, goed?
Weer gepiep, Paulien zuchtte van opluchting.
Liefs, mam! Oh, en verwacht de auto niet. Die heeft Peter meegenomen. Leg ik thuis wel uit. Doeg!
Ik hoestte nerveus.
Dus je woont in Chaam? Is dat een dorp?
Half-dorp, half-plaats. Best een rare naam, ik weet het, maar het is niet anders. Mijn moeder vindt het een fijne plek.
Ik schudde mijn hoofd. Ik hield nooit van het buitengebied. Nienke zei altijd: Lex, er wonen óók mensen hoor! Mooie architectuur daar, geschiedenis! Ik knikte dan, maar voelde altijd een melancholie bij die godverlaten straatjes, goedkope huizen met afgebladderde kozijnen, kerkhoven aan het einde van het dorp, de oude kerk.
Wat bracht jullie daar eigenlijk? vroeg ik.
Het is een ingewikkeld verhaal, zei Paulien, haar handschoenen uitwringend. Misschien wilt u liever niet… Ik kan uitstappen hoor, een lift proberen.
Nee, nee. Mijn ex-girlfriend kijkt me altijd verwijtend aan als ik over dorpen praat. Maar ik voel vooral medelijden met de mensen daar. Zie het maar als een kwaal: ik kan niet tegen achterstallig onderhoud, treurige oude huizen waar niemand om geeft. Mijn vader was architect, getekend door de vergane glorie van oude villas en boerderijen. Waar ooit pracht was, blijft over: rotzooi en stof. Hij probeerde te vechten, initiatieven voor restauratie begonnen, maar gaf het tenslotte op. Ik nam die weemoed van hem over.
Ik geloof dat ik u wel begrijp… zei Paulien. Chaam is totaal anders hoor. Het is een soort fabrieksdorp. De fabriek bestaat niet meer, maar de mensen wel. Alles is er netjes, huizen allemaal hetzelfde type, zelfs dezelfde vitrage. Alleen de kerk is nog oud, een ruïne eigenlijk. Mijn moeder wandelt daar graag en zegt dat haar hoofd daar rustig wordt.
Rust… Houdt u van rust? vroeg ik, net toen de ruitenwissers het weer opgaven.
Het was een ongemakkelijke stilte, totdat ik over de ruzie met de man bij de winkel begon.
Was dat je man, die je net daar?
Paulien bloosde. Nee, dat is mijn broertje. Peter. Hij zat even zonder auto, dus nam hij de mijne maar mee. Voor hem is dat logisch. Hij is altijd zo verwend geweest, altijd centraal. Hij is slim en succesvol, weet je.
Maar wel een egoïst, mompelde ik.
Misschien ook. Maar hij was ziek als baby, lag maanden in het ziekenhuis. Vandaar dat we hem met zn allen verwende.
En hoe is dat dan voor jou, altijd inschikken? vroeg ik.
Ze glimlachte pijnlijk. Ik cijfere mezelf weg, altijd. Zolang iedereen gelukkig is…
Ik schoot in de lach. Dus echt zon brave katholieke dochter?
Ik geef gewoon liever dan dat ik strijd, zei ze met rood hoofd. Toen: Mijn moeder schrijft sprookjes. Ze vond inspiratie in Chaam daar kon ze eindelijk weer schrijven. Ik werk thuis, kan overal werken. En eerlijk, het leven is simpel daar. Ik help buren met klusjes, geef spullen aan de school, organiseer handwerklessen. En weet je misschien heb ik alles in Amsterdam verloren, mijn opleiding, mijn kansen, mijn woning, maar ik voel dat ik betekenis heb. En dat is genoeg.
Ik moest lachen. Ze ratelde over het leven in Chaam, hoe ze bezig was met alles voor de gemeenschap, en nodigde me uit: Als we straks aankomen, kom je gewoon binnen, Lex! We hebben stamppot, ik zet koffie, écht lekkere koffie.
Ze keek me aan, vastberaden als een dominee op de kansel. Met een toefje slagroom op haar bovenlip, grote vriendelijke ogen, rode wangen van de kou. Ik moest me inhouden haar niet te kussen. Dit was geen gewone vrouw meer voor mij.
Goed. Zeg jij maar hoe we moeten rijden, want de navigatie is uitgevallen, bromde ik.
Via kronkelwegen, langs de spoorlijn, tussen weilanden door leidde ze me naar haar flatje. En geen medelijden! Ik ben geen zielig geval, hoor, voegde ze er streng aan toe.
Dat weet ik. Zeker geen geslagen hond, grapte ik, de oprit opdraaiend. Alles rammelde, dozen stuiterden; ze hield haar plant stevig vast.
Rond elven kwamen we aan. Paulien sprong eruit, opende met snelle vingers de deur, begeleidde me via de brede trap naar de derde verdieping. Centrale verwarming op standje tropisch.
Kom binnen, Lex. Ga zitten, ik haal koffie en maak het eten warm!
Pauliens moeder, Paulina van Dam, gleed de woonkamer binnen in een enorme roze ochtendjas en was meteen vol lof over mij (Wat een redder, zo’n prins!). Het interieur was nog niet af, maar gevuld met licht en een sfeer van saamhorigheid warm en uitnodigend.
Terwijl de koffie borrelde en de damp de kamer vulde, keken we samen door het raam naar de slingerende Mark, langzaam ijvend, onder een volle maan. Verderop zaten vissers op klapstoeltjes bij een wak een typisch Hollands plaatje.
Geen pannenkoek meer, Lex? Nog een bakje koffie? Paulien was onvermoeibaar.
Jullie laten me ontploffen! zei ik lachend.
Hij brengt de spullen voor Geertje, zei Paulien. Hij heeft de schroevendraaiers voor meneer de Vries, de staafmixer voor juf Lotte… Zijn hulp is van onschatbare waarde!
Toen ik wegging, probeerde Paulien me nog vijftig euro te geven. Ik sloeg het af. Mijn enige vraag was: En die auto, komt dat goed?
Paulien knikte. Hij brengt hem wel terug. Mama heeft m vandaag als vermist opgegeven bij de politie.
Haar moeder lachte breed: Ja Lex, je moet jezelf soms beschermen, ook als moeder! Oh, ik heb trouwens weer een hoofdstuk af van mijn boek, Paulien!
Paulien luisterde niet: ze was ineens verdwenen in de kleine, gezellige gang stond ze me te kussen. En ik haar. Ze hoefde niet te zuchten naast mij, we konden gewoon dicht bij elkaar zijn, zonder theater.
Paulina van Dam gluurde om het hoekje en dacht: Wat een prachtig tafereel! Dat moet ik onthouden, perfect voor in een nieuw sprookje…
Die nacht kwam ik laat thuis. Op de keukentafel lag een briefje van Nienke: ze was voorgoed vertrokken. Ik keek om me heen, voelde me een beetje schuldig om alle stilte en geluk. Maar ik belde Paulien meteen, nerveus hakkelend over de rit. Ze luisterde, zacht trommelend op mijn geluk.
Precies zoals het fijn hoort te zijn.






