Pootjes van een kat vastgevroren in het ijs, het dier zit helemaal klem bij -35℃

De pootjes van een kat vastgevroren in het ijs, het dier zo volledig verlamd bij -35

Het was lang geleden, op een ijskoude winteravond die me nog altijd helder bijstaat. Ik was op weg naar huis, dwars door de bittere kou van Amsterdam. De gevoelstemperatuur die dag lag ver beneden het vriespunt min vijfendertig, herinner ik me, wat ongekend was voor zon stad. Alles leek uitgestorven en zelfs de stoere Amsterdammers kozen massaal voor hun warme huizen, de schouders diep in de kraag getrokken. De lucht sneed bij elke ademhaling haast door je borst, terwijl de sneeuw onder mijn leren zolen kraakte als gebroken porselein.

Bij aankomst bij mijn portiek, viel mijn oog op een donker hoopje onder een geparkeerde fiets. Ik dacht eerst dat het misschien een weggewaaid plastic tasje was, weggeblazen door de gure wind. Maar toen ik naderbij kwam, zag ik haar een jonge poes. Niet meer echt een kitten, maar ook lang geen volwassen kat. Eerder een puber.

Ssst, meisje, ga weg! zei ik zacht, in de veronderstelling dat ze gewoon kwam schuilen voor de kou.

Ze schrok op. Haar enorme groene ogen sperden zich wijd open van angst… maar ze bewoog geen spier. Niet één poging om weg te kruipen.

Dit was vreemd. Ik knielde en keek haar aan. In die blik zag ik niet alleen schrik; het was pure paniek, berusting bijna. En plots drong het tot me door: ze zat niet, ze zat muurvast. Haar vier pootjes waren diep in een bevroren modderpoel onder de fiets gegleden, waar dooiwater tot ijs was gestold.

Lieve help mompelde ik.

Voorzichtig hurkte ik naast haar neer. De kat hield me angstvallig in de gaten, maar ze spartelde niet, haalde niet uit. Er lag zon intens verdriet en wanhoop in haar ogen, dat het me tot in mijn botten raakte. Alsof ze wist dat het eind nabij was. Hoe lang had ze daar zo gezeten, overgeleverd aan de snijdende winterkou? Haar pootjes moesten branden van de pijn, maar ze maakte geen geluid misschien waren haar krachten al lang opgegeven, zoals zoveel straathuisdieren zich bij hun lot neerleggen.

Toen pakte ik mijn telefoon en belde mijn vrouw thuis.

Marije, verwarm meteen water! Heel veel! En pak alle wollen dekens die je vinden kunt.

Wat is er aan de hand?

Leg ik zo uit. Maar wil je alsjeblieft snel doen?

Overbodige vragen stelde ze niet, niet na zoveel jaar huwelijk. Binnen een paar minuten stond ze naast me, met twee emmers warm water en een stapel fleecedekens.

Och arme ziel zei ze zacht, bij het zien van de poes.

Ik hou haar vast, giet jij het water heel langzaam, instrueerde ik. Niet te heet, hoor.

Voorzichtig tilde ik het diertje iets op bij haar buik. Ze verstrakte, een zacht, klaaglijk piepje ontsnapte haar bekje het eerste geluid sinds ik haar vond. Haar pootjes zaten nog steeds muurvast in het ijs, elke beweging moest helse pijn doen.

Het is goed meisje, rustig maar, fluisterde ik.

Marije liet druppelsgewijs het warme water over het ijs lopen. De kat trilde van pijn, angst en kou tegelijk. Haar vacht was keihard en wit uitgeslagen van de rijp, snorharen vol minuscule ijsdruppels. De tijd leek te kruipen, elke seconde een eeuwigheid. Ik voelde haar natte hartje als een razende trom in mijn handen, Marije wendde haar blik af bij het zien van de bloedende pootkussentjes waar de huid van het ijs werd los getrokken.

Nog even volhouden, meisje moedigde ze aan.

Uiteindelijk gaf het ijs mee. Eerst kwam haar linker voorpoot los, toen de rechter. De achterpootjes bleven nog langer vast te lang had ze daarop gehurkt. Toen ook die vrijkwamen, wikkelde ik haar meteen in een dikke deken. Ze verzette zich niet meer, ze lag uitgeput te knipperen naar het niets.

Thuis richtte Marije een ruime kartonnen doos in, bekleed met zachte theedoeken en zette die dichtbij de centrale verwarming. De poes krulde zich op tot een klein bolletje, haar lijfje schudde nog van de kou, maar het trillen hield langzaam op.

Ik belde onze buurman, dierenarts Bernard.

Bernard, het is dringend. Een poesje zat vastgevroren met haar poten, urenlang in de vorst.

Neem haar meteen mee.

Ze is te zwak om vervoerd te worden, ben ik bang.

Bernard zweeg even.

Geef je adres maar door, ik kom naar jullie.

Het wachten duurde eindeloos. Marije zat intussen naast de doos, en zette een schoteltje warme melk neer. De poes bewoog nauwelijks, sloot af en toe haar ogen. Ik keek haar aan, en probeerde me haar zwerfleven voor te stellen: snijdende nachten, honger, altijd op je hoede… en nu dit doodstil bevriezen onder een fiets.

Bernard arriveerde, onderzocht haar aandachtig en zuchtte diep.

Ernstige bevriezing van alle pootjes, volledige onderkoeling. Ik ga haar behandelen, infusen geven. Maar het blijft onzeker.

Doe wat je kunt, antwoordde ik beslist.

De poes liet alles gelaten toe, alsof ze wist dat we haar probeerden te redden. Toen Bernard vertrok, haalde Marije een matras, legde hem naast de doos en nestelde zich erbij.

Wat doe je? vroeg ik verbaasd.

Mocht het s nachts misgaan, ben ik dichtbij.

We hielden samen de wacht. Haar slaap was onrustig: soms miauwde ze zachtjes, alsof ze weer terug was in die koude, besneeuwde nacht.

In de ochtend hield het trillen op. Ze opende haar ogen en miauwde zacht maar vastbesloten. Marije pinkte een traan weg.

Na een dag dronk ze voor het eerst wat melk, later at ze een stukje kip, en na een week waggelde ze voorzichtig op haar nog gevoelige pootjes. Ik gaf haar de naam Noortje, een naam die zomaar bij me opkwam. Noortje werd een enorme knuffelpoes, kroop tegen je benen aan en snorde alsof ze je wilde bedanken.

Houden konden we haar niet, want Marije had een heftige kattenallergie. We gingen op zoek naar een nieuw thuis. Ik zette een filmpje online, en binnen de kortste keren ging haar verhaal viral door heel Nederland. Mensen lieten lieve berichtjes achter en boden hulp aan.

Een van de reacties kwam van Lotte, een vrouw die kort daarvoor haar kat was verloren. Lotte kwam kennismaken, en Noortje koos meteen: ze sprong bij haar op schoot en begon hard te spinnen. Marije en ik wisten direct: dat is haar mens.

Een maand later kregen we een foto. Noortje was veranderd in een stevige, gelukkige huiskat met glanzende vacht. Haar pootjes waren helemaal genezen, en ze lag spinnend te luieren op de vensterbank, heerlijk in het winterzonnetje.

Soms denk ik dat het zo moest zijn, zei Marije dromerig, kijkend naar de foto. Jij móést daar die avond onder die fiets even kijken.

Ik sloeg mijn arm om haar heen.

Misschien is dat zo. Of misschien is het gewoon goed dat er mensen zijn die niet weglopen voor andermans leed. Zelfs als het maar een doodgewone zwerfkat is.

Noortjes verhaal werd voor velen een les: soms sta je tussen leven en dood, met niet meer dan een paar emmers warm water en wat vastberadenheid. En elke geredde ziel is onbetaalbaar.

Rate article