Op Weg Naar Een Beter Leven

Naar een beter leven

Ik stond bij de sigarettenkiosk naast de kruidenier op de Willem de Zwijgerlaan. Februariwind trok venijnig aan mijn capuchon, sneed door mijn handschoenen en prikte haast in mijn roodbevlekte, gebarsten handen. Mijn nagels? Bijna tot aan het vlees afgebeten. Oma Bepia schaamde zich altijd voor mijn handen.

Jurgen! Jij bent toch een nette jongen? Je zit toch op het gymnasium, je bent geen timmerman! Hou nou op met die nagels! Anders smeer ik er mosterd op!

Omas stem galmde altijd in mijn hoofd als de kou mij bijten wou. Ze was vaak bits geworden, vooral sinds mama, Karin, na de scheiding van mijn vader Dirk van der Pol bij haar introk.

Vader woonde nog steeds in zijn grote, zonnige appartement aan de Javastraat, op drie hoog, in een huis waar vroeger alleen notabelen zaten. Hij drentelde doelloos door de kamers, terwijl mevrouw van den Berg, de huishoudster, het stof afnam en de bladeren van zijn grote groene palm oppoetste. Zij sprak Dirk aan als “Dirkje”, zacht en heel vertrouwelijk.

Vader had altijd beweerd dat we afstamden van oude VOC-kooplieden. Sommigen lachten hem uit, maar mevrouw van den Berg geloofde erin. Zij kende zijn moeder nog, zelfde praatje altijd: “Niks meer van over? Dat geeft niet als iedereen het maar weet!”

Oma Bepia wist het dus ook. En vooral dat wij ik, mama en zij er geen deel meer van uitmaakten. Na de breuk moesten we met z’n allen op een klein flatje in Purmerend samenleven: ik, mama, oma en ome Kees, de oudste zoon, die regelmatig dronk. Het was anders; niks geen cadeaus meer van de rijke schoonzoon, geen grote verhalen dat haar dochter zo goed getrouwd was: alles was weg.

Mama had lang nodig om zich te herpakken: stil, huilend als ze dacht dat niemand het zag. Op mijn twaalfde begreep ik wel dat ik haar vooral met rust moest laten. Ik had medelijden en haatte vader, machteloos om ook maar iets te veranderen.

Je bent zelf schuld, Karin! beet oma haar soms toe als ik niet thuis was. Moet je nu met die bottenkomen soep? Voor de honden op mijn werk! En moet je zo vies kijken? Jij wilde per se hierheen! Dirk was een prima vent, en bijdehand! Pak die kruimels van tafel ook!

Oma veegde de kruimels gewoon in mama’s schoot, gooide de vod terug op het aanrecht, greep snel naar de tv en keek zonder te zien.

Vroeger was ze zo trots: haar dochter met een goede baan en een eigen plek! Dat zei ze graag bij het raam naar haar buurvrouwen: “Bij die mensen eten ze van gouden borden!” De buren lachten haar uit, maar oma liet zich niets wijsmaken.

Ome Kees werd stiller als hij dronk, maar soms riep hij dat oma papa had doodgemaakt en gaf hij mama de schuld als hij de flat met haar moest delen. Maar wat moest ze dan? Met haar twee kinderen, weduwe sinds haar vierentwintigste, de handen altijd tot vuisten gebald.

Toen ik naar het Vossius Gymnasium mocht, glom oma weer eventjes van trots: nu zou het beter worden. Ik zou hen eruit trekken, was haar overtuiging.

Mama werkte halve dagen op het kantoor, leerde hard, en stuurde het grootste deel van haar salaris naar huis. De rest slokte ome Kees op, als hij niet weer even op het idee kwam te verhuizen naar Drenthe om daar schoon te beginnen. Maar het kwam er nooit van.

Op een kille novemberavond liep mama richting haar studentenflat op de Hugo de Grootkade. Doodmoe. Colleges, werk, nauwelijks eten. De huisarts, mevrouw Oosterweel, mopperde altijd dat ze verstandig moest eten.

Gaat prima, zei mama, dat heb ik elke herfst.

Ze vertelde niet dat haar geld telkens naar huis ging, dat het haar maag pijn deed van zorgen.

Precies op zon avond stopte er een stralende witte BMW naast haar. Een keurige jongen, een paar jaar ouder dan zij, stapte uit en stelde zich vlot voor als Diederik Vermeer.

Mag ik u naar huis brengen?

Mama hief amper haar hoofd. Het enige waar zij aan dacht: naar haar kamer, warme thee, broodje, slapen.

Laat me toch met rust, zei ze en liep door.

Maar hij liep mee hielp met haar boeken, hield haar overeind op de spekgladde trap van het studentenhuis. Voor het afscheid groette hij: het was fijn om samen stil te zijn, zei hij, en dat ze zo mooi lachte.

Mama was niet gewend aan tederheid of aandacht. Maar Diederik liet niet los: etentjes, wandelingen, zomeravonden in het Vondelpark, wijn drinken bij het schemerlicht. Hij was charmant, deelde gul al kreeg mama er maagpijn van, goede voeding was ze niet gewend.

Niet lang daarna trok ze bij hem in op de woonboot aan de Amstel. Diederiks huishoudster, mevrouw van den Berg, liet meteen merken dat ze het niet op haar had: een eenvoudige, het huis niet waardig. “Weet jij wel van wie Diederik afstamt?” vroeg ze streng. Mama zei maar weinig.

Diederiks ouders woonden in Zwitserland, ze zagen haar even kort via een videoverbinding, keken kil en hingen snel op.

Vond je ze niet aardig? vroeg mama bezorgd.

Ach, het maakt toch niet uit als wij maar gelukkig zijn!

En dat was ze. Ze bakte appeltaart en poffertjes, bracht ontbijt in bed en studeerde ijverig om “passend” te zijn. Maar mevrouw Van den Berg foeterde dat ze alles verkeerd deed. Diederik vond het allemaal best zolang hij maar op tijd te eten kreeg.

Snel was ik er ook: geboren in een lange, warme zomer. Oma kwam naar het ziekenhuis, stond achteraan toen Diederik met ballonnen en geschilderde “Welkom thuis”-tekst op het trottoir zijn vrouw en zoon Juup verwelkomde. Toch mocht oma niet mee. “Dit is geen museum,” snauwde Diederik.

In het ziekenhuis stond ome Kees met een bos tulpen zijn zeldzame heldere moment. Maar Diederik duldde hem niet. “Instappen nu! Niet omgaan met dat sujet,” gromde hij.

Eenmaal thuis werd Juup vakkundig verzorgd door mevrouw van den Berg. Mama werkte binnen een half jaar alweer: geld was nodig. Ze moest klokslag zeven thuis zijn. Elke overwerkvraag werd afgesnauwd door Diederik: “En wat krijg je ervoor? Dat mag zeker op mijn rekening?”

Oud-studievriendin Tanja kwam wel bij het koffie drinken bij haar, maar bij ons over de vloer kwam bijna niemand. Niet toegestaan; Diederik wilde het niet.

Toen Juup twaalf was, stortte de wereld van mama in. Diederik was een paar dagen weg. Tijdens het schoonmaken vielen er foto’s uit een mapje: Diederik met andere vrouwen, omarmend, lachend op strand en bij lunches. Haar adem stokte.

Toen hij terugkwam, zei ze niets hij ook niet. Maar mevrouw van den Berg verklikte haar. Diederik gooide haar en mij met al onze spullen het huis uit. Haar spaargeld? Weg. Zelfs de ketting die oma had gegeven van haar moeder verdwenen.

We sliepen een week bij Tanja. Mama liep als een schim, sprak bijna niet.

Dit is gewoon een nieuw begin, suste Tanja. Hij had niet het recht alles af te nemen.

Maar ik heb niks meer, snikte mama, hij heeft alles gepakt.

En jij stuurde toch altijd geld naar huis? Weet je dat mijn broer alles opzoop wat mijn moeder binnenhield? zei Tanja. Ergens anders heen kon ik ook niet.

Uiteindelijk gingen we weer bij oma wonen. Ome Kees kwam af en toe langs met een andere vrouw aan zijn zij. Oma was streng, gaf alles de schuld maar verwelkomde ons toch.

Ik bracht altijd geld en kwam als ik vrij kreeg, zei mama zacht.

In de maanden die volgden, kwam ons leven op gang. Mama werkte, ik deed mijn best op school, Juup voetbalde buiten, en oma mopperde in de keuken.

Op een ijskoude februariavond stond ik zoals altijd op haar te wachten bij de kiosk. Maar die avond zag ik mama niet alleen aankomen: een onbekende man droeg haar tassen, ze lachte, keek ontspannen.

Iets stak in mijn borst. Was ik niet degene die haar moest beschermen? Kwaad en verdrietig sprong ik achter de kiosk vandaan.

Mam! Jij zei toch altijd dat En nu ga maar weg dan! riep ik. Ik stormde de besneeuwde straat over, voelde de tranen opwellen, hoorde haar nog roepen.

Na een paar minuten rende de man Alexander achter me aan, in zijn sokken! Hij lag met één schoen in de sneeuw, lachend en stuntelend.

Onwillekeurig moest ik lachen. Hij zag er gek uit, zo ploeterend op zijn sokken. Hij wilde zelfs weglopen als ik dat wilde.

Maar ik schudde mijn hoofd: voor mama zou ik dit verdragen.

Samen gingen we terug naar huis. In de keuken at Alexander de pannenkoeken van oma en prees haar, zo echt, dat oma bijna moest huilen.

Misschien, dacht ik, kun je alles opnieuw beginnen, als je maar vriendelijk genoeg bent voor elkaar. Misschien is dat het enige wat we nodig hadden een goed woord voor elkaar.

En nu, terwijl ik dit schrijf, weet ik dat het met mama, oma en zelfs ome Kees ooit goedkomt. Er moet gewoon iemand zijn die blijft geloven. En zorgen voor elkaar dat blijkt het allerbelangrijkste.

Vandaag heb ik geleerd dat, hoeveel je ook verliest, zolang je elkaar vasthoudt, je altijd weer op kunt staan. Nederlandser kan haast niet.

Rate article