Mijn moeder gaf mij een vies winkeltje om te runnen, maar toen het een succes werd wilde ze het aan mijn zus geven.

Mijn moeder gaf me een ranzige winkelruimte te huur, en toen het goed begon te lopen, wilde ze die ineens aan mijn zus geven.

Het begon op een dinsdagochtend, zoals altijd wanneer ze iets van me nodig had.

Lieverd, ik heb nog een pandje leegstaan aan de Korte Poten. Het is vies, verwaarloosd, maar als je wilt, is het voor jou.

Vies bleek een understatement.

Toen ik ging kijken, wilde ik het liefst direct omkeren. Er lag afval opgestapeld van weet-ik-hoe-lang geleden: gescheurde zakken, natte kartonnen dozen, borden die als gammele torens op elkaar stonden. In een hoek lag een bult vergeeld krantpapier die langzaam tot stof was vergaan. De muren zaten onder vlekken in een kleur die ik nergens terugvind in de natuur, en alles was bedekt met zon dikke, grijze laag dat het leek alsof er al jaren niemand meer binnen was geweest.

En de kakkerlakken. Och, die kakkerlakken. Sommige net zo groot als mijn duim, sommigen nog groter. Toen ik het licht aan deed, schoten ze allemaal weg alsof ík de indringer was.

De spinnenwebben hingen als oude gordijnen van het plafond tot de vloer. In een hoek vond ik een nest van iets geen idee waarvan en ik wilde er niet aan denken wat. En die geur die is nog steeds niet zonder kokhalzen te omschrijven: zwaar, wrang, alsof de rotte troep nog eens extra was vergaan.

Toch bekeek ik het van onder tot boven, en zag ik iets wat niemand anders zou zien.

Ik zag potentie.

En ik ben niet iemand die kansen langs zich heen laat gaan.

De eerste dag kwam ik opdagen met rubberen handschoenen tot aan mijn ellebogen, een stofmasker van de bouwmarkt en een vuilniszak zo groot als een jute zak.

Ik begon met de zakken. Eén voor één raapte ik ze op zonder te kijken wat erin zat, want anders kwam ik nooit af. De natte dozen stampte ik plat en stopte ze in een andere zak. Het krantpapier veegde ik bij elkaar tot een grote hoop en schepte het eruit met een schop. Vier, vijf, zes keer liep ik op en neer naar de container. Toen de buren me bezig zagen, brachten ze nog meer zakken.

Ah, de nieuwe dame van het pand! riepen ze. Heb je hulp nodig?
Ja hoor, geef mij maar meer zakken.

De borden waste ik één voor één onder de lauwe straal van de kraan. Sommige waren zo vies dat ik ze gewoon kapot gooide op de vloer. Ik was er niet om andermans troep af te wassen, ik was er om dit hok tot iets nieuws te maken.

Het nest in de hoek vond ik doodeng, ik ga niet liegen. Ik belde buurman Henk, die al twintig jaar alles in onze wijk repareert. Hij kwam aan met een lange schop en een serieus gezicht.

Dit is door een steenmarter zei hij.
Hier, in Den Haag?
Steenmarter, die wonen overal.

Hij schepte het nest in een speciale zak en vertrok. Ik bleef stilstaan bij het gat in de muur en kreeg nog dagen rillingen als ik eraan dacht.

De spinnenwebben waren de volgende klus. In de bouwmarkt haalde ik de langste bezem die ik kon vinden en mepte ze allemaal uit het plafond. De slierten kwamen als spookverf langs mijn hoofd en schouders naar beneden. Ik bond een sjaal voor mijn gezicht en zette Henks pet op om mijn haren te beschermen.

Een halve dag was ik alleen al kwijt aan de spinnenwebben.

De muren waren zo viezig dat niets ze schoon kreeg. Schrobben, wassen, nog eens proberen het hielp niet. Na een week stopte ik, ging terug naar de bouwmarkt, kocht vier emmers oranje verf dat leek me nou een vrolijke kleur en besloot: dan schilder ik het boeltje gewoon.

Laag na laag, muur voor muur, verfde ik alles. Toen ik klaar was, leek het alsof de kamer herboren was.

De vloer deed ik als laatste.

Die was zo goor dat ik op mijn knieën met een harde borstel en emmers azijn bezig was. Eén donkere plek dacht ik dat het een deel van de vloer was, maar het bleek gewoon een enorme vlek die pas na drie dagen schrobben verdween. Daaronder kwam een prachtige houten vloer tevoorschijn die gewoon nog leefde.

Drie weken lang sleurde ik, zwoegde ik, vulde ik zakken, vocht ik met beesten en geuren die ik nooit wil ruiken.

Maar toen ik klaar was, en vanuit de deuropening het resultaat bekeek, verscheen er een lach op mijn gezicht die niet meer weg ging.

Een maand later straalde de zaak. De oranje muren gaven de ruimte warmte, midden in een verder grauwe straat. Ik had een toonbank gevonden op Marktplaats en opgeknapt. Tafels netjes uitgelijnd met rood-witte zeilen erop. Er speelde jazz-muziek tot op de hoek van de straat. Ik verkocht tostis, koffie, verse jus, en ik lachte iedere dag met de klanten.

Het was van mij. Ik had het eigenhandig opgebouwd, vuilniszak na vuilniszak.

Het was echt.

En precies toen de tent begon te lopen, stond mijn moeder ineens op een donderdagmiddag voor de deur met die blik die ik maar al te goed kende. Ze ging aan een tafeltje zitten, bestelde een spa rood, en wenkte me even later.

Zeg, schat Vind je het niet fair als je zus deze plek overneemt? Zij heeft ook iets nodig.

Ik verstijfde. Keek haar alleen maar aan.

Hetzelfde pand dat je me vies gaf, dat ik zelf heb opgeknapt, geschilderd, omgetoverd tot iets moois dat, mam?

Ja, nou ja. Zij zit ook zonder

Nee. zei ik rustig, maar stellig. Dankjewel voor het vieze hok, écht. Maar dit is geen vieze winkel meer. Dit is van mij.

Ze keek me even aan, dronk haar spa leeg en vertrok zonder nog iets te zeggen.

Diezelfde week vertrok ik. Ik zocht een ander pand, kleiner, duurder, maar écht alleen van mij. Niemand kon het nog van me opeisen.

In die nieuwe hoek opende ik iets anders: de beste broodjeszaak van de wijk, waar mensen komen voor sfeer, geklets, en een goeie cappuccino. Ik doopte het De Lachsalvo.

En ja, mn moeder komt er nog steeds af en toe. Zit in het hoekje, bestelt een spa rood, en giechelt wat.

En ik? Ik reken haar de volle pond.

Rate article