Weet je, laatst hoorde ik iets wat me echt raakte. Stel je voor: een verliefd stel, laten we ze Jasmijn en Mees noemen, slentert samen door zo’n hooglands weiland aan de rand van een dorpje ergens vlakbij Amersfoort. De avondzon schijnt door het lange gras, ze kijken elkaar verliefd aan, nog volledig opgaand in hun eigen wereldje. Door hun wandeltempo en geklets letten ze haast niet op waar ze lopen, tot Jasmijn ineens schrikt, haar hand tegen haar mond slaat en een stap achteruit zet. Mees doet meteen wat iedere jongen met een beetje ruggengraat zou doen: hij stapt voor haar, klaar om haar te beschermen. Maar, eerlijk gezegd, was er niet echt direct gevaar.
Tussen het gras, een paar meter verderop, lag een paard. Althans, wat daarvan over was. Het dier leek meer op een uitgemergeld skelet met huid eromheen dan op een gezond dier. Door haar schrik bewoog het stel zich langzaam dichterbij. Je zag de botten, ieder rib stak uit onder de dunne, droge huid. Overal zaten schilfers en korsten, vliegen zwermden er omheen.
Jasmijn fluisterde aangedaan: “Dit arme dier!” En alsof haar stem het leven even stilzette, was het opeens doodstil.
Maar… het paard begon lichtjes te bewegen. Je zag Mees en Jasmijn nog net niet wisselen van kleur kippenvel, haren recht overeind. Ze schrokken zich rot en renden terug richting de zandweg, pas halverwege de eerste huizen in het dorpje kwamen ze tot stilstand, allebei zwaar ademend.
Niemand had hen gevolgd, natuurlijk, maar toch zaten ze nagloeiend van paniek. Pas na een paar minuten snapte Jasmijn: “Hij leeft nog…” Mees knikte somber. “Maar het ziet eruit alsof ie al dood is,” zei hij.
De gedachte dat het paard misschien werd aangegeten vanbinnen liet Jasmijn rillen ze weigerde terug te gaan en stuurde Mees op pad. Hij sloop voorzichtig het hoge gras weer in en kwam tot zijn schrik tot de conclusie dat het paard écht nog leefde er was ook niemand anders bij. Het dier probeerde haar kop te draaien, liet een zwak snuiven horen, maar dat was alles. Haar ogen zaten grotendeels dicht onder een rode waas; haar lip hing slap naar beneden, benen roerloos, alleen soms wiebelde er een oor, of het de wind was
Ze had zichtbaar haar laatste reserves opgebruikt. Mees keek rond, probeerde uit te vogelen hoe het paard daar terechtgekomen was, maar blijkbaar lag ze daar al langer. Hij sprintte terug en vertelde wat hij had gezien. Jasmijn haalde haar schouders op. “Hoe ze er kwam maakt nu niet uit, maar, wat moeten we doen?” vroeg ze, zichtbaar bezorgd.
Opeens herinnerde Mees zich dat een boerderij iets verderop paarden hield, bij Soesterberg. Daar kwamen regelmatig mensen uit de buurt paardrijden. Ze wisten het nummer en belden meteen. De boer schrok van het verhaal, maar beloofde snel te komen.
Binnen een half uur hobbelde vanaf de weg een auto met paardentrailer het veld op. Jasmijn en Mees zwaaiden heftig. De boer, zijn vrouw en hun dochter stapten uit, zagen van een afstand al hoe slecht het paard eraan toe was, en toen ze dichterbij kwamen, sloeg de schrik hen zichtbaar om het hart. Het dier kon onmogelijk zelf opstaan, laat staan de trailer in lopen.
Met hun vieren kregen ze het niet voor elkaar om het zwakke dier op te tillen. Dus rende Mees terug naar de straat om nog meer buren en vrienden te halen. Toen iedereen er was, tilden ze haar heel voorzichtig op met behulp van een stevig zeil. Het paard sperde haar ogen wijd open van schrik, maar had amper genoeg kracht om een hoef te bewegen. Toch kregen ze haar in de trailer.
Samen met de boer reden ze zo snel mogelijk richting de manege. Daar wachtte al een dierenarts met wat helpers, meteen aan de slag. De dierenarts schrok: ze was uitgedroogd, zat onder de huidontstekingen, had een akelige huidinfectie veroorzaakt door een mijt, en haar derde ooglid was opgezwollen misschien een tumor.
De politie kwam ook nog voor een proces-verbaal wegens dierenmishandeling, namen verklaringen op van iedereen. Maar ja, oude eigenaar vinden? Kansloos volgens hen.
De dierenarts behandelde de wondjes, gaf infuus en medicijnen, en met hulp van vrijwilligers verhuisden ze het dier naar een zachte box met veel stro. Het beestje at amper, dronk met moeite. Met speeksel en infusen werd ze in leven gehouden; de huid werd langzaam beter, de mijten bestreden.
Die eerste dagen was de situatie kritiek. Jasmijn hield haar vaak gezelschap, aaide haar neus en praatte zachtjes tegen haar. Steeds slechter zag ze, dus volgde ze geluiden en aanrakingen. Maar heel langzaam, na weken elke dag zorg, liefde en aandacht, ging het een pietsie beter. Ze kon zich omrollen, zich rechtop houden, uiteindelijk zelfs wat staan met veel hulp.
Het grootste probleem: ze kon niet op eigen kracht haar benen gebruiken. Spieren waren volledig verslapt. Dus moesten ze haar ondersteunen, zo’n acht man sterk, met een speciaal tuig van dekens en banden. Het kostte bloed, zweet en tranen, en het gewicht werd alleen maar zwaarder omdat ze aansterkte maar iedereen stond klaar, avond na avond.
Bijzonder genoeg vond de hele buurt het een prachtig project. Iedereen kwam helpen: buurjongens, dorpsvrienden, soms zelfs de bakker. Lopen ging eerst rampzalig, daarna met veel gestuntel, tot ze eindelijk zelf een paar passen kon zetten. Dagen werden weken, weken maanden. Toen kon ze zelfstandig staan en zelfs lopen wel voorzichtig, maar ze wilde niets liever dan weer naar buiten.
Voorzichtig bouwden ze haar wandelingen uit. Later was ze sterk genoeg voor een kleine oogoperatie in de kliniek in Utrecht. Het was spannend, maar achteraf vooral een opluchting: ze kon eindelijk weer duidelijk zien. Ze herkende Jasmijn, Mees en haar nieuwe verzorgers. Ze genoot zichtbaar van ieder mensenwoord, comoedicoog gericht op haar.
En die zomer, na maanden zorg, liep ze met twee andere pensionpaarden in een groot weiland achter de boerderij. De kale plekken groeiden weer dicht, een glanzende bruine vacht kwam terug. Niet meer dat schrale skelet. Als je het niet wist, zou je nooit raden wat ze had doorstaan.
Ze nam haar plek in tussen de andere paarden en was opvallend zachtaardig, zelfs naar de jonge hengst op stal. Iedereen op de manege hield van haar, en eerlijk waar, ze leek precies te weten wie haar gered had. Soms tikte ze ongeduldig met haar hoef als ze het zadel zag. Als haar nieuwe eigenaar haar meenam voor die eerste rustige rit rond het weiland, straalde ze: oortjes naar voren, hoofd trots omhoog.
En zo liep dat paard, ooit achtergelaten in het gras, nu met geborstelde manen en een sprankelende blik haar rondjes in het weiland, geen dag meer alleen gelaten. Want ja, zo zijn wij Hollanders zorgen voor elkaar, mens én dier, hoe zwaar het soms ook is.






