Vandaag heb ik meer dan 300 kilometer met de trein gereisd om mijn zoon te zien. Zodra hij me zag, keek hij op zijn horloge en zei: “Je bent 13 minuten te vroeg. Kun je nog even buiten wachten?”
De koude wind kroop langs de randen van mijn jas, maar het was vooral de blik van Martijn die me van binnen deed rillen. Ik stond op de stoep voor zijn huis groot, onberispelijk verzorgd, in een stille nieuwbouwwijk aan de rand van Utrecht. Mijn vingers waren verstijfd rond het handvat van mijn kleine koffer.
Binnen hoorde ik zachte muziek en het klinken van glazen. De geur van gebraden vlees en dure geurkaarsen drong tot me door.
Mam, zei Martijn.
Hij deed geen stap achteruit om me binnen te laten. Hij bleef midden in de deuropening staan, en hield zo de warmte van zijn huis gevangen.
We hadden toch om drie uur afgesproken, zei hij.
Ik keek op mijn horloge.
14.47 uur.
Ik weet het, lieverd, fluisterde ik. De trein was gewoon wat eerder en ik kon niet wachten om jullie te zien. En de kinderen.
Voor vandaag had ik mijn mooiste jurk uit de kast gehaald. Smaragdgroen. Speciaal gekocht voor deze dag.
Ik wilde er zo graag uitzien alsof ik bij zijn leven hoorde.
Maar Martijn glimlachte niet.
Hij wierp een korte blik over zijn schouder, naar de gang waar zijn vrouw Maaike met bijna pijnlijke precisie de tafel dekte.
Maaike is nog bezig alles klaar te zetten, mompelde hij. Je weet hoe ze is alles moet perfect zijn.
Op dat moment besefte ik het.
Hij keek niet naar me als zijn moeder.
Hij keek naar me als een ongemak in zijn planning.
Geef ons tien minuutjes, goed?
Hij begon de deur dicht te trekken.
Ik hoorde het klikken van het slot.
En daar stond ik. Buiten.





