Vijftien jaar stilte
Heb je nou alweer die rommel gekocht?
Corrie de Vries zette haar boodschappentas op het aanrecht en keek niet achterom. Ze wist precies wat ze zou zien: Henk, die bij het raam zat met zijn Volkskrant, waar hij toch niet in las, glurend over zijn halfgele bril. Precies zoals altijd over zijn bril heen. Alsof ze een brugklasser was die t huiswerk van een ander had overgeschreven.
Kwark, Henk.
Ik zie dat het kwark is. Maar waarom neem je altijd die met het blauwe wikkel mee? Die is altijd zuur.
Die is niet zuur, gewoon minder vet dan die slobberkwark die jij wilt.
Dus je koopt de kwark die jij lekker vindt, niet die ik wil.
Corrie sorteerde de boodschappen. Appels in de schaal, brood in de houten broodkist, melk in de ijskast. Alles automatisch: na achtendertig jaar weet je handen t allang.
Ik heb beide soorten gepakt kijk maar.
Henk keek niet in het tasje, sloeg zijn krant weer open.
Geef volgende keer gewoon aan dat je voor twee soorten gaat. Dan had ik me niet zo opgefokt.
Corrie wilde eigenlijk vragen waar hij zich precies druk om maakte, maar ze hield zich in. Zo’n vraag stel je alleen in je hoofd; hardop wordt het een relletje, een relletje wordt drie dagen zwijgen, en drie dagen zwijgen is op je tweeënzestigste lastiger dan op je dertigste.
Ze is tweeënzestig. Henk vijfenzestig. Ze wonen in Haarlem, op de vijfde verdieping, geen lift, en de laatste tien jaar telt Corrie de traptreden alleen naar beneden; dat gaat altijd makkelijker.
Dochter Jet belt diezelfde avond natuurlijk net weer alsof ze het aanvoelt. Jet woont in Amsterdam, regelt logistiek bij een groot bedrijf, heeft een man Sven en een zoon Freek van zeven en belt Corrie steevast elke dinsdag om een uur of acht.
Alles goed daar?
Prima, Jettie. Vader leest de krant, ik heb gepoetst, alles rustig.
Mam, je zegt altijd alles rustig. Dat is bijna verdacht gewoon.
Wat een onzin.
Nee hoor, geconstateerd feit. Gemiddelde mensen zeggen weleens top! of kapotmoe of ruzie gehad over onzinnigs. Jij: altijd rustig.
Corrie verhuisde van de bank naar de stoel bij de hal, ver van Henk als de tv aanstond, hoorde je hem daar tenminste niet.
We hebben woorden gehad over de kwark, grinnikte ze haast.
Over de kwark?
Ik nam het blauwe pak. Hij claimt dat die zuur is.
Aan de andere kant van het land even stilte. Corrie stelde zich Jet voor in haar Amsterdamse keuken, warm rommelig, vol kindertekeningen op de ijskast, nadenkend over iets wat ze toch niet direct uitspreekt.
Mam, het gaat niet echt over de kwark.
Jet
Laat nou even. Drie jaar wil ik dit al zeggen. Papa breekt je langzaam af, mam. Dat zie ik élke keer als ik langskom. Je loopt over eieren. Eén misstap en je lijkt te schrikken.
Je overdrijft.
Echt niet. Januari, toen je een beker liet vallen? Je schrok meer dan normaal. Je handen trilden. Ik dacht: een gemiddeld mens windt zich op of lacht het weg. Jij keek alleen naar papa.
Lang bleef het stil.
Het was een oude beker, zei Corrie uiteindelijk schamper, beetje jammer gewoon.
Mam…
Het is al laat, Jet. Freek ligt nog niet op bed?
Jet zuchtte. Niet geïrriteerd, niet verwijtend gewoon moe. Zoals iemand die al honderd keer iets probeert uit te leggen, hopend dat het ooit wél binnenkomt.
Hij slaapt. Bel je donderdag weer?
Tuurlijk, lieverd.
Corrie bleef nog even zitten. In de hal brandde het oude gele lampje uit de jaren tachtig, met zon befaamde glazen kap die de val van het Sokol pand nog overleefd had. Ze had hem gekocht in 1987, toen Jet er nog niet eens was, en het lampje heeft zes verhuizingen en één val overleefd.
In de keuken begon de waterkoker te pruttelen; Henk stond dus op.
Corrie liep ernaartoe.
Hij stond bij het fornuis, turend naar de nacht, naar de straatlantaarn en de kastanjeboom, die elk voorjaar gerooid zou worden, maar nooit écht verdwijnt. Henk droeg zijn eeuwige groene ochtendjas ooit voor zijn vijftigste verjaardag gekregen. Elk jaar zei Corrie: tijd voor een nieuwe. Elk jaar bleef dezelfde hangen.
Kun je de slaap niet vatten?
Gaat wel, moest gewoon thee.
Ze pakte twee mokken. Zijn blauwe, Beste Vader van Nederland Jet gaf die vijftien jaar geleden, en haar kleinere, effen witte.
Ga maar zitten, ik schenk wel in.
Ze zaten stil, het soort stilte dat niet drukt niet zoals overdag. Dat is vol lading. In de nacht is t gewoon stil.
Jet gebeld? vroeg Henk.
Ja, alles goed.
En Freek?
Gezond. Gaat binnenkort naar school.
Al zo snel?
In september.
Henk knikte, wiegde zijn mok, zette hem terug.
Je bent boos over de kwark, stelde hij. Geen vraag.
Ben ik niet.
Zeker wel. Je gezicht zegt genoeg.
Corrie keek hem aan. Hij keek terug, en in dat moment was er iets dat ze lang niet zag, misschien nooit écht had gezien. Iets van moeite.
Henk, ik ben niet boos. Gewoon moe van het steeds uitleggen dat twee soorten kwark best kan.
Ik vraag alleen.
Je vraagt alsof ik weer wat verkeerd doe.
Dat bedoelde ik niet.
Das je toon.
Hij nipte.
Je zoekt altijd iets om over te beginnen, zei hij. Vroeger was je gewoon stil.
Daar zijn we weer. Corrie sloot haar handen om de mok om zich te warmen, zei niks. Gesprekken liepen altijd weer dood op dit vaste punt de plek waar doorkletsen zinloos is.
Een week later ging Corrie naar Amsterdam. Niet speciaal omdat Jet haar riep (al was die daar meester in), gewoon even naar de huisarts vriendin van vroeger, Mevrouw van Leeuwen en gelijk een nachtje logeren bij dochterlief. Henk gaf geen bezwaar, deed dat zelden. Zijn behoefte aan stilte begreep Corrie nooit helemaal.
Amsterdam verwelkomde haar met fietsbellen en metrogeur. Jet haalde haar en Freek van het station. Freek klampte zich direct aan haar boodschappentas.
Die roltrap, die gaat vanzelf! legde hij uit, mocht ze het nog niet weten.
Ja jongen, ik weet dat-ie gaat.
Jet liep kritisch naast haar moeder niet afkeurend, eerder als een dokter die wil weten: is het niet erger geworden.
Je bent afgevallen, constateerde Jet in de auto.
Welnee.
Jawel, je wangen zijn ingevallen.
Dat is gewoon het licht hier.
In de metro? Das nooit flatteus licht, mam maar ik zie het heus.
Achterin fabriceerde Freek een vingerpistool; Corrie keek naar hem en dacht: wat groeien ze toch hard. Afgelopen februari leek-ie nog zoveel kleiner.
Hoe is het met pa? vroeg Jet.
Best. Beetje wisselvallige bloeddruk, loopt steeds bij het gezondheidscentrum.
Nee mam, ik bedoel: tussen jullie.
Ach Jet, nu even niet.
Goed. Laat ik t nu even.
Ze hield zich echter geen minuut in. Die avond, toen Freek lag te ronken en Sven in zijn mancave verdwenen was, zaten zij en Corrie in de keuken, precies zoals die altijd klonk aan de telefoon warm, rommelig, veel magneten en prenten. Op één kindertekening een groep poppetjes. Corrie tuurde ernaar; wie was zij ook alweer?
Mam, mag ik iets kwijt? Belooft: niet direct afwimpelen?
Schiet maar op.
Ik heb me de laatste maanden verdiept in psychisch geweld in relaties. Niet voor niks jij loopt thuis altijd op je tenen. Je hebt overal uitleg voor. Zelfs als dat nergens voor nodig is. Vanmiddag in de auto ook weer: ik zei dat je was afgevallen, meteen hoorde ik een verklaring.
Is dat erg dan?
Wat bij anderen misschien overdreven of paniekerig heet, is bij jou gewoonte. Je verontschuldigt je voor alles, zelfs als niemand wat vraagt.
Corrie schraapte de maanzaadkruimels van de tafel.
Jet, we zijn achtendertig jaar samen. Dan maak je wat mee.
Tuurlijk, niemand is perfect. Maar jij kijkt altijd alsof je elk moment een standje kunt krijgen.
Waar dan?
Bij jouw ogen. Alsof je verwacht dat iemand je berispt.
Corrie keek schaapachtig naar de kindertekening. Op het vel stond een oranje poppetje, nekloos, omringd door grote en kleine. Vast zijzelf.
Henk is niet slecht, Jet.
Slechte mensen doen het niet altijd expres. Soms word je gekwetst gewoon door hoe iemand is. Dat maakt het niet minder pijnlijk.
Je spreekt als een boek.
Heb er trouwens een paar over gelezen, ja. Maar ik heb het over jou. Mam, wanneer deed je voor het laatst eens iets zomaar? Omdat je zin had? Zonder dat het moest, of omdat iemand dat verwachtte?
Corrie dacht na. Dat bleek lastiger dan het klonk.
Vorig jaar op de volkstuin, zei ze. Heb ik vingerhoedskruid gezaaid, omdat t mooi is. Henk vond het onzin, neem aardbeien. Ik toch vingerhoedskruid.
En?
Zei het werd echt mooi.
Jet legde haar hand op die van haar moeder.
Dan ben jij er dus gewoon nog, mam.
Corrie vroeg niet wat dat bedoelde. Maar ze bleef de halve nacht wakker, luisterde naar de adem van slapende Freek achter de muur. En dacht aan het vingerhoedskruid roze, slordig, eigenwijs.
De volgende ochtend ging Corrie naar Mevrouw van Leeuwen.
Die was acht jaar ouder, gepensioneerd, maar hield een paar trouwe patiënten. Twintig jaar geleden nog werkte ze in Haarlem, sindsdien kende Corrie haar goed. Geen dikke vriendinnen, maar vertrouwelingetjes, dat wel.
Laat eens zien, sprak mevrouw Van Leeuwen, haar bril op de punt van haar neus exact zoals Henk over zijn krant keek, maar dan vriendelijk.
Ik ben wat afgevallen, gaf Corrie toe.
Ik zie het ja. Bloeddruk meten?
In orde.
Slaap je?
Redelijk duurt soms even.
Hoe lang al?
Een jaar, misschien langer.
Van Leeuwen noteerde iets in haar papieren notitieboek, die was oud, met leren kaft ze bleef categorisch op papier schrijven.
Waar denk je aan als je wakker ligt?
Corrie was verrast: ze verwachtte vragen over cholesterol, niet over gedachten.
Van alles eigenlijk.
Vooruit, van alles: is dat over vroeger of toekomst?
Meestal de dag doornemen. Wat ik zei, wat ik had moeten zeggen.
Van Leeuwen legde haar pen neer.
Corrie, ik ken je je bent niet dom. Vertel nou gewoon, wat is er aan de hand?
En opeens praatte Corrie. Niet voorzichtig, maar ongecensureerd: over de kwark, het zwijgen, haar eeuwige apologetische houding. Over het vingerhoedskruid.
De dokter luisterde en zweeg.
Heb je ooit gedacht: dit is niet normaal in de zin van: ik word er niet gelukkig van?
Nee, dacht: dit is gewoon hoe het gaat.
t Kan anders. Ik geef je een naam een psycholoog in Haarlem, goeie, jong maar slim. Gewoon eens proberen.
Maar ik ben tweeënzestig. Ga je dan naar zo iemand?
Juist. Op die leeftijd lost het zich niet vanzelf op.
Corrie heette officieel Cornelia de Vries. Nooit Corrie, altijd volledig. Haar moeder vond een stevig naam nodig, zodat een mens zichzelf kent. Cornelia de Vries, geboren Haarlemmer, dertig jaar lesgegeven op de basisschool in Haarlem-Noord. Met pensioen vijf jaar terug, zonder toeters of bellen. Bloemen van groep 7 en klaar.
Werk, dat had ze lief. Zeker als een kind plotseling echt iets begreep, iets zinnigs zei en je besefte: t gaat niet over dat boek, maar over henzelf.
Daar dacht ze aan onderweg terug naar Haarlem. In haar jaszak zat het lummelige papiertje met de aanbeveling: Lisette van Dijk.
Henk ontving haar zwijgend thuis. Maakte soep (twee dagen over gedaan met gort, waar hij normaal een hekel aan had).
Wat is dit? vroeg Corrie.
Soep.
Waarvan?
Van wat er nog lag.
Ze proefde. Stiekem: best aardig.
Lekker hoor.
Henk keek achterdochtig, alsof ze hem belachelijk maakte greep alweer naar zijn krant.
En Jet?
Goed. En Freek is nu echt groot.
Binnenkort school.
In september.
Dat heb ik toch pas ook gezegd?
Jij vroeg opnieuw.
Hij zweeg. Corrie at haar soep, deed de was, ging naar haar kamer en haalde het papiertje tevoorschijn: Lisette van Dijk. Het telefoonnummer stond er sierlijk bij.
Drie dagen later belde Corrie. Eerst twijfelde ze, toen dacht ze: het is idioot om het niet te proberen, en toetste ze het nummer in.
Met Lisette van Dijk?
Uhm… Ik kreeg uw nummer van dokter Van Leeuwen. Ik wil graag een afspraak maken.
Natuurlijk, uw naam?
Cornelia de Vries.
Prima. Heeft u al enig idee waar u aan wilt werken, of wilt u het eerst zien?
Eerst maar even kijken.
Maakt niet uit, alles telt. Woensdag om vier uur?
De praktijk zat midden in Haarlem, in een statig pand zonder poespas. Corrie bereidde zich onderweg voor: wat als iemand uit de buurt haar zag? Dan zou ze gewoon eerlijk zijn: ik ga naar een specialist, volwassen mens toch.
Lisette was jong, eenendertig vijfendertig, rustig, kort donker haar, aandachtige blik. In de kamer stonden twee stoelen, en bijzettafeltje met water.
Vertel maar, begon Lisette.
En Corrie vertelde nóg uitgebreider want Lisette stelde vragen, en uit iedere vraag dwarrelde iets open wat Corrie dacht te hebben weggepoetst.
Als u zegt: Henk kijkt zo over zijn bril… Wat voelt u precies?
Ongemak.
Wat voor ongemak?
Het idee dat ik weer iets verkeerd doe.
Altijd?
Meestal.
Heeft u echt iets misdaan?
Nee. Alleen, ik kom thuis met boodschappen.
Dat gevoel komt dus niet door de situatie, maar door context. Hoelang speelt dat al?
Niet altijd zo geweest. In het begin was het anders.
Hoe dan?
Lichter. Of: boeiender, zeg maar. Hij had altijd alles zo zeker voor elkaar, daar viel ik op. Zelf was ik onzeker, dacht dat hij wel wist hoe het hoorde.
En nu?
Nu zie ik dat hij vooral zo doet, niet per se dat hij gelijk heeft.
Wanneer werd dat duidelijk?
Lang geleden. Maar snappen en accepteren zijn verschillende dingen.
Lisette knikte.
Corrie, mag ik een observatie delen? Wat u schetst is geen lastig karakter, ook niet gewoon een moeilijke periode. Dat heet structurele ondermijning: iemand laat (bedoeld of onbedoeld) merken dat jouw keuzes, gedachten, gevoelens tweederangs zijn. En dan ga je dat geloven.
Maar hij doet het niet expres.
Misschien niet, maar de vraag is wat het met u doet.
Corrie keek naar buiten. In april was de kastanje alweer groenig.
Wat moet ik ermee?
Alleen al beseffen is verandering. Niet groot, wel echt.
Op de terugweg dacht Corrie na over dat woord: ondermijning. Geld kon ondermijnd worden, werk ook. Maar mensen… Toch herkende ze dat woord meteen.
Ze ging nog weken naar Lisette. Steeds verliet ze de praktijk niet beter of slechter, vooral helderder.
In juni kwamen Jet en Freek logeren. Sven moest werken. Tien dagen trokken ze bij Corrie en Henk in. Freek denderde hele dagen met een bal door het hofje. Henk en Jet zaten op het balkon, boeiden zich ogenschijnlijk in lange fluistergesprekken. Corrie luisterde niet meer mee.
Eén avond betrapte Jet haar toen Corrie foto’s aan het uitzoeken was, zomaar. Ze vond het eerste album.
Wanneer was dit? Jet dook erbij.
Geen idee, ergens in het begin. Voor jij er was.
Op de foto stonden Henk en Corrie bij het IJsselmeer. Henk lachte. Zij ook, maar niet in de lens alsof ze iets zag wat alleen zij zag.
Je was knap, mam.
Was?
Ben nog steeds mooi, bedoelde jong.
Vierentwintig. Pas een jaar getrouwd.
Hij lachte vroeger veel meer.
Jet legde de foto terug.
Mam gaat het écht?
Ik ga naar een psycholoog, zei Corrie. Niet gepland, ze flapte het eruit.
Jet verstijfde even.
Sinds wanneer?
Sinds april.
En?
Raar. Maar best fijn. Ik snap nu meer van mezelf. Waarom ik zo leef.
Jet keek haar lang aan.
Weet hij het?
Nee.
Ga je het zeggen?
Weet ik niet. Waarschijnlijk niet.
Waarom niet?
Hij vindt het overbodige kosten. Normale mensen lossen hun problemen zelf op.
Zeg je dan niks?
Corrie schoof het album terug de kast in.
Geen idee. Voor het eerst denk ik erover; eerst zou ik meteen zeggen: je hebt gelijk.
In juli reden Henk en Corrie samen naar hun oude tuinhuisje net buiten Haarlem: een houten huis, een veld dat elk jaar een puinhoop werd genoemd door Henk, en elk jaar weer door Corrie werd opgeknapt. Het vingerhoedskruid stond te bloeien, roze en wit, een tikje rommelig precies zoals gewenst.
Henk keek langs het bloemenperk.
Je moet onkruid trekken, zei hij. Het groeit helemaal dicht.
Dat is geen onkruid, dat is vingerhoedskruid.
Vingerhoedskruid neemt maar plek in.
Genoeg plek, hoor.
Hij bleef staan, keek haar aan, keek naar de planten, weer naar haar.
Je bent anders geworden.
Hoezo?
Veel tegenspraak. Vroeger liet je het erbij. Nu niet.
Corrie voelde iets in haar borst: geen angst, maar stevigheid.
Ik heb wat te zeggen, antwoordde ze.
Zit Jet achter je te porren?
Niemand port. Ik denk zelf na.
Hij keek nog even beduusd, wandelde terug naar het huis. Corrie bleef. Ze streelde een bloem; de blaadjes vochtig van dauw.
In augustus vroeg Lisette aan Corrie:
U doet dingen anders. Hoort u dat zelf?
Ik houd vaker voet bij stuk. Geen ruzie, gewoon niet inslikken.
Hoe reageert Henk?
Hij kijkt raar. Af en toe geprikkeld. Maar vooral verbluft.
Levert het spanning op?
Zeker. Het voelt als tegen een wind in lopen waar je aan gewend was maar nu de andere kant op.
Lisette lachte.
Mooie metafoor, Corrie. Literatuurdocenten, hè.
Allebei glimlachten ze. Corrie voelde zich ineens licht alsof lachen normaal was. Vroeger was ze altijd op haar hoede, zelfs op de goede momenten.
Corrie, wat wilt u verder gaan doen? Wat zou u nodig hebben om u levendig te voelen zonder anderen, alleen voor uzelf?
Het woord levendig bleef even hangen.
Ik wil schrijven.
Wat dan?
Geen idee nog. Op school schreef ik weleens. Notities, verhalen. Later niet meer. Henk had één verhaal gelezen en zei: Geknutsel. Toen stopte ik.
Hoe lang geleden?
Vijftien jaar inmiddels.
Hebt u die schriften nog?
Vast ergens.
Vinden en lezen dan, zei Lisette.
In oktober vond Corrie het schrift, helemaal bovenin de kast. Donkerblauw, dik, een heel oubollig schoolschrift. De eerste zin las: De herfst kwam onverwacht, zoals gewoonlijk.
Ze lachte, moest toch even huilen, schonk zichzelf thee in en las verder.
November: ze schreef een kort verhaal. Niet voor iemand, gewoon voor zichzelf. Over een vrouw die bloemen plant en steeds hoort: zinloos. Maar de vrouw in het verhaal was niet Corrie, en toch ook wel.
Jet belde die week.
Alles goed?
Ik schrijf.
Echt waar?
Ja. Lach niet, hè.
Ik lach niet, ik vind het geweldig! Mag ik lezen?
Misschien.
En Henk?
Weet het niet.
Wil je het vertellen?
Corrie keek uit het raam. Novembergrijs, kastanjeboom kaal, mussen bol op de takken. Maar achter die mussen zag Corrie lucht niet grauw, maar haast witmelkachtig. Echt Nederlands novemberweer.
Ik zeg het straks wel een keer. Stuur het liever niet. Maar zeggen, ja.
En wat denk je dat-ie doet?
Hij vindt er natuurlijk iets van. Maar ik ben minder bang voor zijn oordeel.
Das winst, mam.
Precies.
In december vertelde Corrie het.
Ze zaten na het eten, hij met krant, zij met haar schrift. Hij keek naar het schrift: niet vragend, gewoon.
Wat schrijf je?
Verhalen.
Hij deed zijn krant dicht, keek haar recht aan zonder die blik over zijn bril.
Al lang?
Sinds de herfst.
Waarom niks gezegd?
Dacht niet dat het zin had.
Hoezo niet?
Dat was nieuw. Corrie keek hem op haar gemak aan.
Je noemde het ooit geknutsel.
Henk fronste.
Echt? Wanneer?
Vijftien jaar terug, je las een verhaaltje. Noemde het geknutsel.
Hij zweeg, het stond op zijn gezicht: hij wist het niet meer, en schaamde zich daarover.
Het was vast niet zo bedoeld.
Dat weet ik.
En toch vijftien jaar niks geschreven?
Jij was niet de enige reden. Maar ik onthield het.
Stilte. Hij legde de krant weg dat was zeldzaam.
Laat je nog eens wat lezen?
Misschien.
Goed. Thee?
Graag.
Hij liep naar de keuken. Corrie keek hem na en dacht: zo werken dingen. Niet door grote gesprekken, maar door kleine verschuivingen.
Of er werkelijk iets veranderde, wist ze nog niet.
Januari kwam met een belletje van Jet.
Mam, wil je volgend jaar niet met pa naar ons met oud en nieuw? Freek is er klaar voor, opa mag komen.
Ik overleg met pa.
Wil je zelf dan?
Ik wel.
Overtuig hem dan.
Corrie lachte.
Jet, dat tekeningetje op je koelkast dat oranje poppetje zonder nek?
Ja, dat ben jij.
Ik dacht het al; de kleinste dus.
Mam, je staat middenin. Das Freek, hoor: het midden is het belangrijkste zegt ie altijd. Want die houdt iedereen bij elkaar.
Ze zei even niks.
Middenin dus.
Zo is het, mam. En trouwens: ik ben trots op je. Je hóeft niets meer te veranderen, maar je doet het toch. Dat is echt dapper.
Corrie bleef even stil. Buiten was het januari; kastanjeboom vol sneeuw, bolle mussen.
Ik weet nog niet wat het oplevert, gaf ze toe.
Niemand weet dat vooraf. Dat is normaal.
Jet, ben jij gelukkig?
Meestal wel. Soms niet werk, Sven, kind, je weet hoe het gaat.
Fijn, Jet.
En jij? Ben jij gelukkig?
Corrie dacht. Echt. Niet te snel.
Ik weet het niet precies. Vroeger dacht ik van wel. Nu denk ik: geluk is momentjeswerk, niet een toestand.
Heb jij die ook?
Ja. Soms als ik schrijf, als ik een goed boek lees, als ik aan vingerhoedskruid denk.
Plant het dan opnieuw deze zomer.
Doe ik. Volop.
Ze zwegen samen. Zon stilte die alleen tussen moeders en dochters kan bestaan, vol gezegds en ongezegds.
Toen vroeg Jet:
Nog een rare vraag mag toch?
Altijd.
Als je toen, 24 jaar oud, wist wat je nu weet… was je dan toch met pa getrouwd?
Corrie dacht. Weer oprecht.
Weet ik eigenlijk niet. Maar dan had ik jou niet gehad. Of Freek. Of het vingerhoedskruid.
En nu?
Leven. Schrijven. Naar Lisette. Niet meer bang voor het woord geknutsel.
Mam?
Ja?
Laat je ooit een verhaal lezen?
Corrie keek naar haar schrift, op de vensterbank, in het licht.
Zodra ik vind dat het goed is, Jet. Mijn keuze.
Eind februari schreef Corrie zich in voor een schrijfcursus. Geen psychologie, geen EHBO gewoon schrijven. In het cultureel centrum van Haarlem, groepje volwassenen, elke donderdag.
De eerste avond zei ze nauwelijks iets. Luisterde vooral. Liep na afloop naar huis en dacht: is dit gek op mn tweeënzestigste?
Toen dacht ze: nee. Het is niet gek, alleen nieuw. Nieuw is niet hetzelfde als dom dat weet ze nu.
Thuis vroeg Henk direct:
Weer bij die psycholoog geweest?
Nee, schrijfcursus.
Hij keek verbaasd niet boos, vooral onthutst.
Echt waar?
Ja.
Waarom?
Omdat ik het leuk vind.
Hij knikte langzaam, alsof hij probeerde te snappen waar het zin in had.
Nou, mooi dan. Zin in eten? Heb aardappels gekookt.
Lekker.
Ze deed haar jas uit, hing hem op, liep de keuken in. De aardappels smaakten goed, niet zo raar als de gortsoep. Henk zat tegenover haar, blik op zijn bord.
Is het ver lopen, dat groepje?
Halfuur, te voet.
En s avonds laat op pad?
In februari is het vroeg donker. Maar de straatlantaarns branden.
Had ook met de bus gekund.
Kan. Maar ik loop liever. Kan ik nadenken.
Hij knikte weer. Werd toen stil. Maar dit keer was het een andere stilte: een aarzelende, als iemand die om woorden zoekt.
Cor, zei hij ineens.
Ja?
Ik ben soms niet makkelijk.
Corrie legde haar vork neer.
Klopt, zei ze.
Niet expres.
Weet ik.
Ik wil gewoon dat alles klopt. Als dat niet zo is word ik chagrijnig.
Maar zoals het hoort is ook maar net wat je gewend bent, Henk, niet universeel.
Dat besef ik.
Eerlijk?
Steeds beter. Ben je daarom naar een psycholoog gegaan?
Deels.
Wat leer je daar dan?
Eerlijk horen wat ik voel. Wat ik wil. Wat voor mij telt.
En dat deed je vroeger niet?
Corrie nam haar vork weer op.
Voelde het wel, maar vond het niet belangrijk genoeg.
Hij dacht na. Stond op, ruimde zijn bord af.
Misschien zouden we eens echt moeten praten. Maar ik weet niet hoe dat moet.
Ik leer het net.
Hij keek een tijdje naar haar, lang.
Samen leren?
Corrie antwoordde niet direct. Ze dacht aan de foto bij het IJsselmeer, aan haar schrift, bloemen die groeien tegen de klippen op, en aan Jets kindertekening met dat oranje poppetje in het midden.
Aan wat Lisette laatst zei: je kunt alleen jezelf veranderen. Soms verandert daardoor om je heen ook iets. Niet altijd. Maar soms.
Of dat bij haar zou lukken kende ze nog niet.
Henk wachtte.
Laten we het proberen, zei ze.
Hij knikte, ging zitten, schonk thee in.
Blauw voor hem. Wit voor haar. Koekjes met maanzaad tussen hen in.
Corrie warmde haar handen aan haar mok.
Buiten sneeuwde het op de kastanje. Onder die bevroren grond sliepen bollen vingerhoedskruid. Roze en wit, een beetje slordig. In het voorjaar zouden ze weer bovengronds komen. Dat wist Corrie zeker.
Henk opende zijn mond, sloot hem weer, en vroeg toen tóch:
Vertel je ooit wat je schrijft?
Als ik eraan toe ben.
Bepaal jij dat?
Corrie keek hem geamuseerd aan over haar mok.
Ja Henk, dat beslis ik zelf.
Hij knikte. En ze zwegen. Maar het was een ander soort stilte.






