Aan de militaire academie doceerde ooit een dokteres, mevrouw van den Broek. Heel haar leven werkte ze op de kinderafdeling van een ziekenhuis in Utrecht. Op een winderige dag, in een droom die niet ophield, vertelde ze iets bijzonders aan haar studenten. Haar eigen kinderen, Lieve en Merel, waren ziek geworden van alle mogelijke kinderziekten, hoewel zij als arts alles goed wist over hygiëne en preventie. Alsof de ziekten de deurmat opsprongen zodra ze thuiskwam. Zelfs haar hondje, Snuf, keek haar soms verbaasd aan wanneer ze weer met een doosje paracetamol thuiskwam.
Elke dag kwam mevrouw van den Broek thuis vanuit het ziekenhuis. Ze gooide haar fiets tegen de gevel, deed haar jas in de wasmand, waste haar handen drie keer en douchte zo lang dat het raam besloeg, maar toch werden haar kinderen steeds ziek van precies de infecties waar zij overdag patiënten mee behandelde. Als er een bijzonder zwaar geval op haar pad kwam, voelde ze het s avonds al in haar nek: straks zijn Lieve en Merel weer aan de beurt. Vitaminen hielpen niet, koude douches en frisse lucht leken evenmin te werken, en haar moederhart werd er moedeloos van.
Op een kille avond gebeurde het: een hardnekkige griep woedde op de afdeling en ze voelde de vermoeidheid als een mistbank in haar hoofd. De gedachte om weer naar huis te gaan hing zwaar als een natte jas om haar schouders. Plots besloot ze niet recht naar huis te fietsen, maar de bioscoop in te duiken. Ze keek, half dromend en half schuldig, in de Kriterion naar een film over een Nederlandse avonturier op de fiets in Indonesië. Toen ze daarna naar huis fietste, voelde ze zich ongemakkelijk opgetogen, maar de lucht was fris en de stad lichtte vriendelijk op. Thuis merkte ze dat Lieve en Merel nog vrolijk door het huis stoven en helemaal niet ziek waren.
De volgende dag, op een golf van nieuwsgierigheid, ging ze na haar werk op bezoek bij haar vriendin Anouk in een huis met scheve gevels langs de gracht. Daar kreeg ze thee en spritsen aangeboden, hoorde een doldwaze mop, lachte tot haar wangen gloeiden, en fietste met lichte tred naar huis. Opnieuw: nergens snotterende kindjes in haar huiskamer.
Langzaam ontstond er een nieuw ritueel. Wanneer mevrouw van den Broek uit het ziekenhuis kwam, draaide ze een rondje door het parkje bij haar flat, waar tulpen en blauwe druifjes groeiden en een fontein zachtjes pruttelde. Soms zat ze op een bankje en luisterde naar het klateren van het water tot haar hoofd rustiger werd. Pas daarna ging ze naar huis, ook al wachtten daar bergen was en huiswerk. En merkte dat haar kinderen plots nooit meer ziek werden.
Ze trok de conclusie dat het niet alleen de microben waren. Het was misschien de onzichtbare informatie, de stemming die ze mee naar binnen sloeg, die alles besmettelijk maakte. Die zwaarte kon ze blijkbaar op haar kinderen overbrengen zonder een woord te zeggen. Vanaf die tijd bleef het huis gezond.
Dus ja, het is beter om na een rotdag eerst de straten op te zoeken, ergens door de regen te lopen, even in het park de ganzen te tellen of zelfs naar een rare film met een stroopwafel in de hand te kijken. Daarna pas thuiskomen bij wie je liefhebt, met een vrijer hoofd. Hoe het werkt, zijn wetenschappers nog aan het uitzoeken. Maar dat het werkt, dat weet mevrouw van den Broek heel zeker, want Snuf kwispelt tevreden en haar kinderen stuiven weer door het huis.






