Ze komt thuis na een lange werkdag, net zo moe als jijmisschien zelfs nog een tikkie vermoeider.
Maar waar jouw werkdag eindigt zodra je je fiets in het rek parkeert en je schoenen uittrapt, begint die van haar eigenlijk pas goed.
Want nee, die berg wasgoed springt hier niet uit zichzelf in de wasmachine. De kruimels springen ook niet vrijwillig terug naar het broodzakje. En de avondmaaltijd verschijnt niet magisch op tafel tussen zes en zeven. Oh, en kinderen? Die vallen hier niet vanzelf in slaap, troosten zichzelf zelden en groeien beslist niet automatisch op zonnekracht.
En jij?
Jij zakt op de bank, graait naar je telefoon, zet het journaal aan en roept opgelucht:
Eindelijk! Even rust na zon zware dag.
En zij?
Zij zwijgt. Geen drama, geen klaagzang. Strakke kaak, rechte ruggewoon doorgaan, want ja, zo is haar altijd geleerd: Een vrouw moet alles kunnen. Het huishouden, dat is haar terrein. Die vent van haar? Die helpt wel als hij daar zin in heeft.
Alleen dat is een fabeltje, hè.
Het huis is geen hotel. En zij is niet je gratis huishoudster die fulltime paraat staat. Als jullie allebei werken, zijn jullie allebei verantwoordelijk voor huis, haard en hamster. Samen onder één dak wonen betekent samen zorgen dat het een plek is waar je bijtanktniet waar je energie lekt.
Want geloof me, een vrouw die zich steeds meer huishoudster, chef-kok, of juf voelt, houdt op den duur op zich vrouw te voelen.
En nee, ze vraagt heus geen onmogelijke dingen. Ze wil geen kroontje, geen applaus of speldje omdat ze het allemaal maar slikt. Ze wil gewoon iets veel gewoners:
Dat je er bent.
Dat je kijkt.
Dat je ziet.
Dat je begrijpt.
Dat je meedoet.
Want er bestaat geen stillere, pijnlijkere eenzaamheid dan die je voelt als je met zn tweeën bent.





