Lang geleden, toen het leven nog in een rustiger tempo voortkabbelde in Amsterdam, ging Margriet op weg naar haar werk. Ze had net haar voordeur achter zich dichtgetrokken en wilde de drukke stad instappen, toen ze zich plots herinnerde dat haar telefoon op de keukentafel lag. Zonder aarzelen besloot ze terug te gaan. Ze liep de hal weer in, drukte op het knopje van de oude lift en stapte in. Maar op de achtste verdieping kwam de lift abrupt tot stilstand vastgelopen, kabellampen flakkeren. Ze zuchtte, sloeg haar jas dichter om zich heen, en hoopte dat de conciërge gauw zou komen helpen.
Terwijl Margriet in de kleine lift wachtte, hoorde ze vaag stemmen door de dunne deuren klinken. De stem van haar man, Pieter, klonk overduidelijk, hoewel hij normaal op dat uur allang was vertrokken.
Lieve Suze, fluisterde Pieter teder. Ik verlang zo naar je. Ik kan niet wachten tot we weer samen zijn.
Vanavond zijn we samen, hoorde Margriet een vrouwelijke stem antwoorden het was Suze, de buurvrouw uit appartement acht, wiens huis altijd heerlijk rook naar tulpen en versgebakken koekjes. Ik wacht op je na tienen.
Is jouw man weer nachtdienst deze week? vroeg Pieter zacht.
Ja, hij is er heel de week niet s avonds, zei Suze terwijl haar stem net zo warm klonk als altijd. Rond half tien vertrekt hij, net als gisteren. Maar hij kan ook zomaar ineens terug zijn, dus we moeten voorzichtig zijn.
Naast het hartzeer knaagde nieuwsgierigheid aan Margriet. Eerst dacht ze dat ze haar man helemaal niet hoorde ze wist dat er wel vaker mensen in het trappenhuis stonden te praten. Maar toen Suze Pieter bij naam noemde en daarna die van haarzelf, begreep Margriet meteen: haar man bedroog haar, pal onder haar neus, met de buurvrouw uit de veertigste woning.
Ze kon haar oren niet geloven. Kijk eens aan, dacht Margriet met een wrange grijns. Dus dat is waar je telkens je avondwandelingen maakt. Lekker frisse lucht halen. Nou, Pieter, ik zal zorgen dat je deze wandeling niet snel vergeet.
Na een paar benauwde minuten klonken eindelijk de stemmen van de monteurs in de gang. Met veel kabaal werd de liftdeur opengeschoven. Margriet zette haar schouders recht, en begon in haar hoofd voorzichtig een plan te smeden.
Tegen tienen, toen de regen zachtjes tegen de ramen tikte en de klok met slepende slagen de avond inluidde, trok Pieter zijn jas aan. Margriet, zei hij, ik ga even een blokje om, een frisse neus halen.
Maar Piet, het giet buiten, merkte Margriet op.
Dan neem ik een paraplu mee ik ben zo terug, antwoordde Pieter, al bijna naar buiten lopend.
Je zou beter thuisblijven, probeerde Margriet nog, haar stem vreemd kalm. Het voelt niet als jouw dag vandaag, Piet.
Pieter lachte haar bezorgdheid weg. Ach, ik geloof niet in jouw voorgevoelens, Margriet. Tot straks!
Tien minuten later stormde Pieter alweer terug naar boven. Margriet hoorde hem hijgend voor de deur staan zonder jas, zonder schoenen, zonder paraplu.
Ze hebben alles gestolen! jammerde hij. Een stel jongens op straat, alles weg! Laat me alsjeblieft binnen, het is koud!
Margriet opende de deur op een kier, nog altijd de ketting erop. Je spullen liggen bij de vuilcontainer op de gang. Doe Suze maar de groeten.
Welke Suze? stamelde Pieter.
Margriet keek hem koel aan. Die van de achtste verdieping.
Terwijl Margriet de deur sloot en aan haar avond begon voor de televisie, ging er een zucht van opluchting door haar heen. Weet je, dacht ze, gelukkig zijn onze kinderen al lang de deur uit. Ze hoeven dit schandaal niet mee te maken.
Intussen was Pieter naar de vuilcontainer gerend, zijn koffer gepakt en de voordeur uitgeslopen, op weg naar zijn moeder in Haarlem tenminste, dat was de bedoeling. Toen hij echter merkte dat zijn telefoon nog bij Suze lag, besloot hij terug te gaan naar huis, in de hoop Margriet om haar telefoon te kunnen vragen. In zijn haast stapte hij opnieuw in de lift. Maar, zoals het lot wilde, viel diezelfde lift midden tijdens de rit opnieuw uit, precies op de achtste verdieping want de stroom was inmiddels in het hele gebouw uitgevallen.
Toen het licht eindelijk weer aanging en Pieter uit zijn benarde positie stapte, was Margriet allang naar haar werk vertrokken. Sleutels van het huis had hij niet, want het appartement stond op Margriets naam.
In de trappenhal kwam hij Suze tegen, ook zij met een koffer, ongeduldig wachtend op de lift.
Heb jij mijn telefoon? vroeg Pieter zachtjes aan haar.
Ja, en jouw spullen ook, fluisterde Suze, haar blik vol nervositeit.
Ze besloten samen naar beneden te gaan. Een taxi bracht Pieter uiteindelijk naar zijn moeders huis en Suze nam er één naar de andere kant van de stad.
Tijden zijn sindsdien veranderd, maar soms, bij het ruiken van regen op de stoepstenen of het zacht zoemen van een lift in een oud Amsterdams trappenhuis, denkt Margriet nog terug aan die bewogen avond en weet ze zeker dat ze haar eer nooit op een avondwandeling heeft verloren.





