Niet Meer Jouw Redder
Eindelijk rust
IJsbrand zit aan de keukentafel en roert doelloos door zijn lauwe koffie. Buiten begint de schemering voorzichtig over Utrecht neer te dalen; het zonlicht maakt langzaam plaats voor de grijsblauwe avond en de hoge flats aan de overkant verdwijnen steeds meer in een vage sluier. Hier en daar floepen de eerste lampen aan, achter ramen waar zojuist mensen thuiskomen.
IJsbrand is net thuisgekomen van zijn werk. Het was een zware dag vol vergaderingen, spoedaanpassingen, eindeloze telefoontjes tot ver na zessen. Nu wil hij alleen nog stilte en rust. Morgen wacht een belangrijk project en hij móét goed slapen. Geen radio aan, geen tv alleen koffie en even helemaal niets. Zijn telefoon ligt op tafel, het scherm zwart en zwijgend. Geen meldingen, geen belletjes haast een wonder na dagen van constant gepiept en gebrom.
Dan doorbreekt een scherpe bel de stilte. Het geluid klinkt zo onverwachts dat IJsbrand opschrikt. Geïrriteerd kijkt hij op de klok tien voor acht. Wie belt er nu nog aan? Buren? Collegas die vinden dat er altijd nog méér te bespreken valt? Met tegenzin staat hij op, loopt naar de voordeur en gluurt voorzichtig door het kijkgaatje.
Op de mat staat Suzan zijn jongere zus. Zijn hart krimpt meteen ineen: dit is geen spontaan bezoekje. Haar ogen zijn rood en opgezwollen, mascara loopt als druppels zwart over haar wangen, de jas halfopen, het haar in de war. Ze ziet eruit alsof ze al rennend de halve stad doorkruiste en alles vergat schaamte, kou, tijd.
IJsbrand doet stilletjes open. Suzan duwt zich meteen langs hem naar binnen, amper tijd voor uitleg.
IJsbrand, wil je alsjeblieft helpen?! zeucehoeft, terwijl ze haast struikelt over de drempel. Haar stem trilt, woorden schokken uit haar mond alsof ze zich nauwelijks kan bedwingen.
Hij sluit de deur, draait zich rustig om en kruist de armen. In zijn hoofd denkt hij: Daar gaan we weer. Maar hij houdt zich in. Niet meteen verwijten.
Wat is er nu weer? vraagt hij vlak, bijna kleurloos, ondertussen op zijn tandvlees.
Suzan valt op een stoel bij de tafel en verbergt haar gezicht in haar handen. Ze snikt, haar schouders schokken. IJsbrand wacht. Misschien valt alles wel mee. Misschien overdrijft Suzan weer.
Ik ik heb een auto total loss gereden perst ze er eindelijk uit, snikkend. Haar ogen zijn vurig rood, lippen trillen. Zijn auto…
Van wie? vraagt IJsbrand vermoeid. Hij weet het eigenlijk al.
Daniël natuurlijk! Je weet wel, die jongen van het terras Met die Mercedes Hij liet mij rijden, en op de parkeerplaats reed ik zo tegen een paal
IJsbrand zucht diep, perst zijn hand tegen zn voorhoofd, alsof hij daar de hele dag opgebouwde stress kan wegvegen. Weer zon jongen uit Suzans type uitdagend, tattoos, gladde praatjes, half-crimineel of in ieder geval nooit helemaal te vertrouwen. Al zo vaak gewaarschuwd: Blijf bij zulke gasten uit de buurt. Maar Suzan zwermt er altijd weer naartoe spannend, verboden, een beetje fout, en alleen daarom des te aantrekkelijker.
Hij probeert beheerst te blijven.
En, wat zegt híj? vraagt hij.
Suzan kijkt op, haar gezicht vlekkerig van het huilen.
Helemaal over de rooie! Hij wil geld zien, dreigt met de rechter, zegt dat de verzekering niets dekt O, IJs, ik heb helemaal geen geld!
IJsbrand voelt hoe de opgekropte irritatie borrelt. Toch houdt hij zich in.
En ik dan? Denk je dat ik duizend euro’s onder mijn matras heb liggen? Suzan, je bent zevenentwintig. Een volwassen vrouw. Jij maakt de boel stuk, waarom moet ík het dan oplossen?
Zijn stem klinkt harder, zonder dat hij het wil. Het zit hem te hoog niet alleen nu, maar alle keren hiervoor.
Suzan veert op, haar ogen vuurspuwend van onbegrip.
Jij bent mn broer! Jij hoort dit te doen!
IJsbrand knijpt zijn ogen samen.
Altijd betekent in jouw wereld vijf keer in één jaar. Steeds hetzelfde liedje. Suzan in de problemen, IJsbrand mag opdraven, en ondertussen zoek jij een nieuwe stoere gast.
Suzan springt op, ijsbeert driftig door de keuken, loopt zichzelf haast voorbij.
Jij snapt het niet! spuugt ze. Deze keer is het serieus! Daniël is niet zo eentje die het laat zitten. Hij kent mensen, hij…
IJsbrand snijdt haar af, resoluut.
Waarom kies je toch altijd van die gasten, Suzan? Denk nou eens na. Het ergste wat hij kan eisen is dat je betaalt. Dan moet je maar leren met de gevolgen te leven. Jouw zaak, niet de mijne.
Suzan blijft plotseling stokstijf staan, schouders ingezakt, haar armen slap langs haar lichaam. Ze kijkt onthutst naar haar broer, die haar altijd beschermde. In de stilte vult het huis zich met ingehouden woede vermengd met uitputting. Misschien is het nu echt welletjes geweest.
Dus jij laat mij gewoon stikken? haar stem is inmiddels een fluister, alsof ook zij de ernst nu pas inziet.
Ja, Suzan. Deze keer wel. Neem voortaan je verantwoordelijkheid. En geef alsjeblieft mijn nummer niet meer aan dat soort jongens.
Het blijft even muisstil. Dan haalt ze uit, schreeuwt ontdaan:
Jij bent zo kil! Je geeft nergens om!
Ze stormt boos naar de voordeur, rukt die zo hard open dat het glas rammelt en een oud Delfts blauw beeldje van moeder bijna op de grond klettert. IJsbrand blijft staan, niet van zijn plek gekomen, en hoort haar vluchtige stappen in het trappenhuis wegsterven.
Hij strijkt door zn haar. Hij weet zeker: dit is niet het einde. Morgen wordt het pas echt heftig.
Inderdaad, de volgende ochtend belt Suzan al voor negenen. IJsbrand heeft zijn eerste koffie nog niet eens op. Zuchtend neemt hij op.
Je moet helpen! roept ze emotioneel. Je laat mij toch niet in de steek?!
Hij drukt zijn lippen op elkaar.
Suzan, ik heb gisteren al gezegd: dit is jouw probleem.
Maar hij maakt me kapot als jij niet ingrijpt! jammert ze. Je snapt niet hoe erg het is!
IJsbrand haalt diep adem en blijft kalm.
Suzan, als hij echt dreigt: ga naar de politie. Dat is het beste wat je kunt doen.
Politie?! Je snapt toch wel met wie je te maken hebt! Ze kennen hem overal ik ben nergens meer veilig dan.
Er valt een korte stilte, dan een nieuw telefoontje.
Mama zegt dat je moet helpen! Zij is er kapot van!
IJsbrand balt zijn vuisten om het aanrecht.
Moeder hoort hier niet tussen te komen. Verder verandert het niks, Suzan.
Hij hangt op. Daarna volgen nog tientallen telefoontjes, berichten, noodkreten, beschuldigingen en gejammer. IJsbrand weigert nog op te nemen, zet al snel zijn mobiel op stil. Overdag op kantoor spookt alles door zijn hoofd; hoe ver gaat Suzan deze keer om hem over te halen? En hoe gevaarlijk is die zogeheten Daniël werkelijk? Hoe lang houdt hij dit nog vol?
Tot in de avond blijft het doorgaan. Aan het eind van de week is hij niet moe van het werk, maar van deze eindeloze druk en de zorgen. Hij weet: het is afgelopen. Geen toegeven meer.
Op een avond, als hij even denkt dat het al rustiger is, krijgt hij een onverwacht telefoontje. Een onbekend nummer.
Luister gast, misschien niet mijn zaken, maar je zou Suzan moeten helpen. Je weet nooit wat voor mensen ze tegenkomt, hè.
IJsbrand weet meteen wie het is: Daniël. Hij voelt zijn hand verstijven. Toch houdt hij zijn hoofd koel.
Dreig je nu? vraagt hij zakelijk.
Aan de andere kant gegrinnik.
Ik kraak alleen maar een geintje man. Maar je begrijpt toch: schade moet betaald worden. Kan ze niet betalen, moet ik andere oplossingen zoeken
Een ijzige stilte. IJsbrand is klaar met dit toneelstuk.
Zoek lekker uit waar je zin in hebt, snauwt hij. Hij drukt het gesprek weg.
Hij ademt diep. Typisch, denkt hij. Weer van die gasten die stoer doen, mensen onder druk zetten. Maar stel dát Suzan deze keer geen theater maakt? Stel dat het ditmaal echt is?
Toch blijft er wantrouwen. IJsbrand wil gewoon niet langer redder spelen. Niet meer.
Niet veel later besluit hij: één laatste keer, en daarna niks meer. Hij belt Daniël terug. Verrassend genoeg stemt die in met een ontmoeting, ergens in een cafeetje vlakbij het Neude.
Daniël zit al te wachten als IJsbrand binnenkomt, overduidelijk tevreden met zichzelf, een duur poloshirt, opvallende horloge om zijn pols. Hij neemt een slok espresso en glimlacht minzaam.
Laten we dit gewoon oplossen, zegt IJsbrand, meteen ter zake.
Daniël zwijgt even, draait langzaam zijn kopje rond.
Weet jij zéker dat er een auto is? zegt hij met een valse glimlach.
IJsbrand fronst.
Wat bedoel je?
Daniël leunt achterover.
Helemaal geen schade, man. Suzan verzon alles. Ze wilde met vakantie naar Spanje en heeft jou mooi wat wijs gemaakt. En ik mocht meedoen. Maar ja, nu denk ik: waar maak ik me eigenlijk druk om? Succes ermee.
IJsbrand verstijft. Het dringt nauwelijks tot hem door. Maandenlange zorgen voor niks.
Jullie hebben je geld uit me willen trekken?
Tja, zij vindt dat gewoon nodig, weet je? Ze weet dat jij altijd zwicht.
IJsbrand staat abrupt op en gooit zwijgend een briefje van twintig euro op tafel.
Hier. Voor de koffie. Meer krijg je niet.
Zonder om te kijken loopt hij het café uit, de stad in die zich in het blauwe avondlicht hult.
Hij loopt met snelle passen naar huis. Het wordt hem ineens glashelder: nooit meer. Geen leugens meer, geen beloftes, geen drama. Basta.
Op het bankje bij zijn flat vol vrouwenstemmen daar zit Suzan, lachend met haar vriendin. Zodra ze IJsbrand ziet verstomt het gesprek acuut.
Kom je dan toch helpen? probeert ze nog, onzeker.
Ik weet alles, Suzan. Je hebt gelogen. Hoe kun je?
Ja, oké, geen auto, maar ik had serieus hulp nodig Je helpt altijd, ik dacht
Onderbreekt wordt ze door haar vriendin, die het allemaal zat is:
Suzan, hou nu eens op! Iedere keer trek je hem weer ergens in. Hij is je broer, geen pinautomaat!
Suzan wordt boos, maar haar vriendin geeft haar er ongezouten van langs. IJsbrand zwijgt. De woede zakt langzaam weg. Hij is moe, klaar. Geen discussies meer over wat familie verplicht.
Dit was het, zegt hij simpel. Geen zielige verhalen meer, geen help me. Ik ben er klaar mee.
Hij luistert niet meer naar de rest. Hij loopt naar boven, zet zijn mobiel uit. Blokkeert haar nummer voorgoed.
Binnen een uur overladen appjes van zijn moeder, tante, oma hem: Hoe kun je toch zo zijn?, Familie is alles!, Steun je zus! IJsbrand leest alles aandachtig, maar is onaangedaan. De vaste last verschuift van zijn schouders; hij voelt voor het eerst in tijden lucht.
De volgende ochtend arriveert hij ruim op tijd op kantoor. Niets bijzonders vandaag, gewoon werk. Collega Martijn kijkt hem een moment aan:
Alles goed? Je lijkt opgelucht.
IJsbrand glimlacht.
Ja, voor het eerst in tijden.
En hij meent het. Hij zet zijn computer aan, buigt zich over een stapel documenten en voelt dat zijn hoofd helder is. Geen drama, geen schuldgevoel, geen eindeloze familieproblemen. Gewoon werken, gewoon leven.
Hij doet zijn rondes. Stuurt mails, belt klanten, bespreekt projecten, met iedere werktaak groeit zijn gevoel van stabiliteit. Aan het eind van de dag pakt hij zijn tas, trekt zijn jas aan en vertrekt.
Thuis, die avond, kijkt hij in stilte uit over de stad en voelt zich na lange tijd opgelucht. Geen redder meer. Gewoon IJsbrand. En dat is goed zo.






