Buurtgenoten: Onze Nederlandse Buren en Hun Verhalen

Buurtgenoten.

Vandaag heb ik het gevoel alsof mijn zenuwen over mijn huid wandelen. Ik heb de emmer laten zakken op het grindpad, veegde mijn handen af aan mijn lange gebloemde rok en keek schuin over het hek richting het huis van buurvrouw Hilde. Waar blijft die trage Hilde toch? Nooit haast, geen verantwoordelijkheidsgevoel, lui als de pest. Gisteren heb ik haar nog gezegd dat het zevenblad uit haar moestuin in de mijne komt groeien, maar het lijkt haar niets te kunnen schelen het groeit gewoon gestaag door. Typisch.

Rustig stilzitten lukt me niet, dus ik loop wat rond, tuur door de houten schutting, altijd alert op beweging aan haar kant. Mijn frustratie loopt op. In het schuurtje knort het varken, thuis wacht een stapel werk, en alles door dat achteloze mens. Die ligt vast tot twaalf uur in bed, terwijl ik al uren op de been ben.

Eindelijk verschijnt Hilde op haar voordeur. Lang, mager als een bonenstaak, altijd in diezelfde smoezelige ochtendjas. Ik voel het: de woorden zitten hoog, mijn woede borrelt op. Ik zal haar eens stevig de waarheid zeggen, zo, dat heel de buurt het kan horen.

Hilde! Als je zelf geen zin hebt om wat te doen, huur dan iemand in om je tuin te wieden! Ik heb je gisteren al gezegd dat het zevenblad mijn tuin in groeit!

Ze kijkt geen moment in mijn richting, stoïcijns als altijd, maar antwoordt wel luid genoeg dat de straat het moet horen: Vind je het zo erg, Marian, huur dan zelf maar iemand in. Of trek het zelf uit, mn poortje staat toch open. Ze draait zich om, duikt haar moestuin in om een emmer spoelwater leeg te gooien.

Ik klap bijna dicht van het ongeloof. Dat ze dat zo durft te zeggen! Mijn lichaam siddert van woede. Maar rustig blijven straks komt ze terug het erf op. Ik gok dat Katja het allemaal hoort vanaf haar keukentafel, straks krijgt het halve dorp dit verhaal te horen: Nou, Hilde zette Marian weer goed op haar plek!

In ons dorp Kralingen kunnen vrouwen kibbelen! Goed ruziemaken leren we vroeg. Toch leven er ook rustige types. Neem Anneke Verhoef, die heeft haar leven lang nog nooit iemand tegengesproken. Saai, zeggen ze dan. Je moet je mannetje staan, anders ben je geen vrouw, wordt hier vaak geroepen. De pittige vrouwen zoals ik worden gerespecteerd altíjd een vurig weerwoord klaar. Elke dag een kleine twist, soms in de supermarkt, soms op straat, of gewoon tijdens het aardappelen rooien. En bij de SRV-wagen is het gegarandeerd prijs.

Niks te zwaar, niks te druk: voor een discussie is altijd tijd. De verhalen over de ruzies van de dag worden aan alle keukentafels doorverteld, met imitaties en alles erop en eraan.

Ik herinner me die keer nog met Frouwke van Wamel op de markt in Rotterdam toen waren we er bijna met de vuisten op ingegaan. Heel de markt kwam kijken. Scheldkanonnades en verwijten vlogen over en weer, en zelfs mannen en ex-liefjes werden erbij gehaald. Maar uiteindelijk eindigt het altijd in spektakel, niet in echte vijandschap.

Hilde en ik Marian Peters botsen al zolang we buren zijn. Ik heb de dames in het dorp verhalen over haar verteld die je niet kan tillen. Zij roept gewoon terug dat ik dom ben. De kinderen liggen er niet wakker van, de mannen zitten er vooral om te grinniken.

Hilde is trouwens nooit echt een dorpsgenoot geworden. Ze is door Michiel meegenomen uit een dorp verderop, Leusden. Ik had jaren geleden zelf nog een oogje op hem. En toen kwam zij mager, stijl haar tot op de schouderbladen, handen die nauwelijks weten wat aanpakken is.

Tegenwoordig zijn onze kinderen groot. Hildes dochter is verhuisd naar Utrecht, die van mij wonen dichtbij. Mijn kleinkinderen rennen hier wekelijks rond, die van Hilde misschien één keer per jaar. Logisch bij mij staat altijd appelcake klaar en bij Hilde eten ze alleen rauwkost. Hier loopt alles zoals het in een familie hoort, zou ik zeggen.

De ruzies tussen Hilde en mij laaien steeds vaker op. Soms gaat het over een paar meter grond, dan weer over fruitbomen, of kippen die oversteken naar de andere tuin. Die oude houten bank tussen de huizen is inmiddels bijna stuk geruzied gelukkig hebben onze mannen hem weten te redden. Zelfs de hond, Boris, ooit de schat van beide families, heeft zich uit de voeten gemaakt en woont nu bij oom Kees verderop.

Het ging een tijd zo door, tot ik merkte dat Hilde verdacht weinig buitenkwam in het voorjaar. Ik zag Michiel steeds de kippen voeren, hoorde dat familie bezorgd werd. Uiteindelijk bleek dat Hilde ernstig ziek was. Haar dochter kwam helpen, maar al snel moest zij terug naar haar gezin in de stad. Er kwam een hulp Treesje om voor Hilde te zorgen, wat niet erg best lukte.

Onze mannen, Michiel en mijn Pieter, spraken elkaar steeds vaker op het bankje tussen de huizen. Ze rookten een sigaret en zuchtten: Die vrouwen van ons, als je die uit elkaar wil houden moet je de duivel sturen.

Op een avond noemt Pieter terloops dat er nog bakken aardbeien in Hildes tuin staan en vraagt voorzichtig of ik wil oogsten. Ik mopper in gedachten, maar de volgende ochtend ben ik al aan het plukken. Ik zie meteen hoe verwaarloosd alles is; het gras tot aan mijn knieën, de grond droog. Met zere handen loop ik naar huis een grote pan aardbeienjam wordt gemaakt. Ik stop drie potten in een tas, samen met een stuk kruidkoek, en stuur Pieter naar Michiel. Gewoon als het hoort.

Als Pieter terugkomt, zit een brok in de keel. Hilde is bleek als een laken, mager, maar haar ogen lichten even op bij het zien van de jam. Ik krijg het koud bij het idee dat Treesje het huis amper bijhoudt.

De volgende dag besluit ik Hilde zelf op te zoeken, met een pan groentesoep, wat versgebakken krentenbollen en een flesje bessensap. Hilde probeert dapper te zijn, maar ik zie hoe ze afgetakeld is. Ik kan niet langer toekijken hoe Treesje haar verwaarloost en nóg minder als ik hoor dat Treesje liever klaagt over medicijnen dan over stofzuigen. Ik neem het hoor! Niemand zorgt beter dan ik, zeg ik tegen mezelf.

Binnen korte tijd heb ik het huishouden overgenomen. Alles wordt schoongeboend, de ramen opengezet, beddengoed verschoond (en Hilde een beetje meegesleept in mijn tempo al sputtert ze soms tegen). Voor ik het weet zijn we samen, dag in dag uit. De buren in het dorp kijken hun ogen uit en de mannen grinniken op hun bankje.

Er komt rust over het huis als ik er ben alles fris, er wordt gekookt en geroepen, gelachen en zelfs weer een beetje gezongen. Hilde knapt langzaam op en na een paar weken durft ze met mijn hulp weer buiten te zitten. Met velen heeft ze niet veel woorden nodig; soms vloeien de tranen stilletjes, maar die veeg ik gewoon weg. Niet huilen nu, Hil, je moet vooruit!

Op een mooie lenteavond sleep ik haar naar buiten letterlijk tussen Pieter en Michiel in tot aan het bankje bij de voordeur.

Hilde, weet je, ik heb veel nagedacht de laatste tijd. We ruziën al zo lang over van alles en nog wat, maar eigenlijk zijn wij het jij en ik die hier samen overblijven. Onze huizen staan naast elkaar, onze lief en leed is met elkaar verweven. Onze kinderen zijn hun eigen leven gestart. Nu zijn wij nog over. Samen ouder worden, avondzon vangen op dit oude bankje.

Hilde lacht schor en trekt haar sjaal wat strakker.

Jij denkt zeker dat dat bankje van jullie is? Michiel zegt altijd dat het zijn vader was die het neer heeft gezet.

Onzin, mijn vader heeft dat bankje getimmerd! Vraag het heel Kralingen maar! protesteer ik.

Echt niet wij hadden dat bankje al toen jullie hier kwamen wonen zegt Hilde gevat, eindelijk weer ouderwets tegenspelend.

Mooi, Hilde, lekker eigenwijs zoals altijd! proest ik, en ja hoor, daar rollen we weer in ruzie. Maar voor ik het weet lachen we, misschien wel voor het eerst zonder venijn.

Aan de andere kant van de heg horen we Pieter en Michiel roken en fluisteren.

Mooi hè, ze maken weer ruzie. Dan komt het wel goed. Toch?

Kijk, Hilde is vast aan de beterende hand, zegt Michiel. Ze lachen zacht. De oude hond Boris sluipt heimelijk terug naar zijn vertrouwde plek en gaat liggen bij hun voeten.

De avondzon zakt langzaam weg boven Kralingen en haar lichtfall valt precies op ons bankje. Twee buurvrouwen, ooit kemphanen, nu samen in de avond. De bank waar ons hele gezamenlijke leven begon en hopelijk nog lang niet eindigt.

***En zo zitten we daar, Hilde en ik, onze neuzen richting het zachte licht, voeten tegen het spatbord van het vertrouwde bankje, terwijl uit de huizen her en der het geluid klinkt van bestek tegen borden, spelende kinderen, vallende appels. De geur van versgemaaid gras en verse soep vermengt zich in de avondlucht. Zelfs het zevenblad wiegt loom zonder zich op te dringen.

Zullen we morgen samen die strook tussen onze tuinen wieden? stel ik voor, schijnbaar achteloos.

Hilde knikt, haar ogen twinkelen ondeugend. Prima. Maar ik bepaal wat eruit mag, Marian. Anders staan we hier volgend jaar elk met één tuin zonder bloemen.

Ik grinnik, voel een lichte steek van warmte. Soms groeit wat wortelt, soms wat je samen wiedt.

Boris snurkt. In het huis van Hilde rinkelt een kopje dat te hard op tafel wordt gezet. Over het dorpsplein kabbelt geroezemoes, ergens klinkt de bel van het melkboertje. Alles lijkt te ademen: het dorp, de tuinen, de verhalen die we al zo vaak uitgewisseld hebben en de vele die nog zullen volgen.

Misschien eindigen kemphanen ooit als scharrelende kippen op hetzelfde erf, denk ik. Misschien wordt onze ruzie nog eens een legende aan de keukentafels van Kralingen maar deze keer met een slot dat niemand had verwacht: dat we elkaar nodig bleken te hebben, en elkaar vonden op dat oude houten bankje, hun vaders even genoegzaam glimlachend vanachter de horizon.

Avond, buurvrouw, zeg ik zacht, en voor het eerst is het niet geërgerd.

Avond Marian. Morgen weer een dag, zegt Hilde.

En in het gouden licht van de vallende zon zitten we daar, samen, te luisteren naar het dorp dat blijft, hoe alles verder gaat.

Rate article