Toen Nora twee jaar oud was, woonde ze in een kindertehuis. Ik kwam daar om fotos te maken van de kinderen. Ze gaven mij meteen de moeilijkste gevallen, degenen die het lastigst te plaatsen waren.
Ik liep haar groep binnen en zag daar een meisje met een droef, verwrongen, haast oud gezichtje. Wat een onaardig kind, dacht ik. Maar toen ik haar begon te fotograferen, zag ik plots iets anders. Door dat verstilde, sombere masker heen werd ze ineens levend.
Het is moeilijk oogcontact te krijgen met een gedepriveerd kind. Maar dit vreemde meisje keek recht in de lens, zonder weg te kijken. En opeens zag ik haar ziel. Zo alleen, op een kosmische manier alleen. Vollerig. Ik voelde geen hoop, alleen een eerste moment in haar leven dat ze werd opgemerkt. Haar ziel, verworpen maar alles begrijpend, werd eindelijk gezien. Net zo als die van mij soms voelt. Toen wendde ze haar blik af. Haar ogen vulden zich met tranen.
Ik vroeg aan de leidster: Vertelt u eens wat over Nora, ik moet een stukje schrijven. Wat moet ik daarover vertellen?, klonk het terug. Wat kan ze maken, wat zegt ze? Ze kan niks. En ze zegt niks. Ze zit alleen maar in spagaat en schommelt tot haar voorhoofd de vloer raakt. En dan piept ze. Over haar is niks te vertellen. Het is maar een kind.
Twee maanden voor deze ontmoeting was ons jongste dochtertje overleden. Ons prachtige leven crashte ineens keihard op een ondoordringbare muur en hield op te bestaan. Maar wij niet. We bleven doorgaan in een ander soort leven: een leven NA alles. We liepen rond, aten, praatten. We deden alles om onze kinderen het verdriet niet te tonen, om hen hoop te geven waar we zelf nauwelijks nog aan konden.
Ik dacht: Zal ik ooit nog ergens blij van worden? Op weg naar de shoot huilde ik in de auto, stapte uit, veegde mn gezicht schoon met een handvol sneeuw, deed alsof ik normaal was, vrolijk sprak, glimlachte. Theater.
Ik wilde geen ander kind in de plaats. Ik wilde alleen maar overleven. En toen was daar die Nora, met haar verlammende eenzaamheid. Alsof ik niet al duizend maal kinderlijke eenzaamheid had gezien in dit project. Maar precies deze leegte vond de sleutel tot mijn hart
Thuis zei ik tegen mijn geweldige man, Daan: Ik weet niet hoe ik dit moet zeggen, of wat het is Ik fotografeerde daar een meisje, ik snap alles, eerlijk, maar ik kan haar niet uit mijn hoofd krijgen Kijk maar, misschien moeten we toch eens over haar nadenken? Daan zei: Besef je dat je gewoon niet jezelf bent? Wat voor meisje? We ademen amper.
Ja, ik ben inderdaad mezelf niet. Maar misschien word ik dat ook nooit meer. We moeten leren leven zoals het is.
We gingen naar het kindertehuis om Nora te ontmoeten. Ze werd gebracht door haar begeleidster. Ze was minuscuul, met datzelfde verwrongen gezichtje, waggelde krom als een klein krabje. Onder haar neus zat een groene snottebel. Wat was ze vreselijk lelijk, dacht ik. Net een mislukte schets van een mens. Heer, wat zag ik ooit in dit kind?
Nora raakte een speeltje aan dat we meebrachten, viel meteen op haar billen, spreidde haar benen en begon te wiegen, snel en krachtig, met haar voorhoofd steeds tegen de vloer.
De hoofdarts hield ondertussen haar betoog:
Meneer en mevrouw de Vries, dit meisje is niet eens licht verstandelijk beperkt het is ernstig. Geen enkele vooruitzicht. Ze zal overgaan naar de sociale dienst. Dit is een diep verstandelijk gehandicapt, niet-leerbaar kind. Ik heb zeven gezinnen gehad die direct afhaakten. Ze kan helemaal niets, doet niets wat hoort op haar leeftijd. Ze zit enkel in spagaat te schommelen. We noemen haar hier ons Ansje van het ballet.
En toen zei mijn man, Daan, op wie ik al die tijd niet durfde te kijken: Weet u, we vinden haar eigenlijk heel bijzonder. We nemen haar mee.
Later vroeg ik hem: Waarom zei je dat nou? Je wilde toch niet? En Daan antwoordde: Er moest iemand zijn die haar redt. En niemand anders zou het doen dan wij.
We adopteerden Nora, tot lichte verbijstering van het tehuis.
Nora verkeerde in diepe depressie. Ze vertrouwde de wereld niet. Alles was onveilig, verraderlijk. De wereld had haar niet gezien, niet geliefd in die twee korte jaren. En in al die tijd mocht zij niets beïnvloeden. Ze kon niet vragen, niet spelen, alles sloopte ze stuk. Ze was bang voor alles water, het potje, papas stem, de lift, wind, autos… In zichzelf schommelde ze, tot ze er letterlijk van geen adem meer kreeg. Eten deed ze alleen puree. Lopen ging moeizaam.
Binnen in mij schreeuwde mijn rouw nog steeds. Buiten schreeuwde Nora. Ik begrijpt inmiddels waarom ze aanraden om geen kind te adopteren in zon tijd; je hebt geen kracht over. Alles is nodig om zelf niet uit elkaar te vallen. Maar dat kindje vraagt nóg meer kracht. Die haalde ik ergens diep uit onze ellende.
Ik sprak mezelf streng toe: Jouw eigen pijn weegt weinig vergeleken met die van dit arme kind. Jij verloor je dochter. Maar je hebt nog een zoon, een dochter, een man, je moeder, vrienden, mooi werk, een huis. Nora heeft nooit iéts gehad. En voor haar is het zoveel zwaarder.
Weet je wat dat gebroken, sombere, dóór en dóór depressieve, klagelijke wezentje in werkelijkheid bleek te zijn, dat we in huis namen terwijl we nog half in trance leefden? Ze werd onze wonderlijke dochter Noralientje. Sprookjes zijn snel verteld, de werkelijkheid is een stuk moeizamer… We zijn nu negen jaar thuis.
Nora werd wie ze van nature altijd al was: een lichtvoetige, levenslustige, eigenwijze, lieve, zorgzame en gevoelsmens, een mooi meisje. Ze zit op een gewone school, in de logopedieklas. Doet nu aan duiken! Duiken, kun je je het voorstellen?
Ze zegt: Mama, onder water lukte het me meteen om goed te ademen en het mondstuk te wisselen Op dat moment pink ik een traan weg.
Nu zit Nora op duikerkamp op Texel. Ze is erheen gevlogen. Ze is inmiddels elf. Ze belt me vrolijk op: Mama, het is hier prachtig! We hebben gezwommen, alleen was er een storm en toen werd de zee heel koud! Maar het wordt alweer warmer, ze hebben onze duikpakken gebracht, morgen mogen we weer duiken! Het eten was vis, maar die heb ik aan de katten gevoerd, hier zijn veel katten, want je weet, ik hou niet van vis! Maar ik heb wel puree gegeten. We zijn gisteren een wandeling gaan maken, 13 kilometer ik voelde mijn benen niet meer! Het is hier prachtig, met bijzondere bomen die in het rode boekje staan! Ik heb goeie vriendinnen gemaakt! En ik heb crackers gekocht van het geld dat je me gaf, die heb ik uitgedeeld. We schommelen samen in een hangmatIk mis je!
Omdat we haar gered hebben. We hebben haar gered. En onszelf daarmee ook. Samen, op dit vlot van hoop.






