Oma had zon heimwee
De bus hobbelde steeds verder weg van het stadje. Nu het asfalt drie bochten terug al verdwenen was, leek dat grauwe, verwaarloosde plaatsje ineens nog het centrum van beschaving te zijn.
Dus is dit die oma met de augurken? vroeg Marjolein even, zoekend. Oma Anna hoe heet ze ook alweer
Anna van Dijk, ja, knikte Koen. Ons hele jeugd hing aan die augurken. Elk jaar met Oud & Nieuw: bam! hij schoot omhoog toen de bus zonder pardon over een flinke hobbel reed, stond die schaal met zure augurken middenop tafel. Net of het een koninklijk gerecht was.
Koen peuterde met zijn vinger een draadje los uit de toch al gescheurde zitting.
Ze stuurde trouwens ook wel wat anders, hoor. Courgettes, pompoenen
Ze zaten tegenover elkaar op die versleten bankjes, Koen en Marjolein. De bus schudde hen flink door elkaar, terwijl de geur van benzinedamp hun neus vulde. Buiten gleden half gemaaide weilanden voorbij, vergeelde bosranden en koeien die somber stonden te grazen in het natte gras. Het was, kortom, een herfstachtig schilderij dat, door de vieze ramen, net een tikje impressionistisch werd.
Weer kwam er een harde hobbel, deze nog forser dan de vorige.
Oef! grimaste Koen. Die chauffeur denkt zeker: wat kan mij dat busje verder nog schelen
Ach joh, snufte Marjolein. Met deze wegen verbaast het me niks dat dat ding uit elkaar valt.
Ook waar. Hij aaide haar zachtjes over haar hand, een beetje alsof-ie zich ergens schuldig over voelde. Sorry, ik dacht dat de bussen hier wat beter waren.
Geeft niks glimlachte ze pijnlijk. Ik had toch geen hotel verwacht.
Ze reden een brug over. Koen keek door het gebarsten raam naar de rivier, tot die langzaam achter het riet verdween. Zijn gedachten dwaalden af, ver weg naar de tijd dat opa hem meenam vissen, en oma ‘s avonds sprookjes vertelde over kabouters en heksen in het bos die goed waren voor de planten en gekke brouwsels maakten.
Hier, bij die rivier, ving ik met opa altijd een snoek
Marjolein keek aandachtig naar Koens gezicht.
Maar je zei we gaan nu naar oma, toch? Misschien wil ze wel naar de stad? Je opa is die er nog? Ze vroeg het voorzichtig en streelde bemoedigend zijn ineengestrengelde handen.
Nee, antwoordde Koen zacht, starend naar het plafond. Hij is gewoon weg. Nooit gevonden. Hengel ook niet Koen zuchtte bibberend. De politie zei dat hij verdronken is met vissen. Niemand kon dat geloven We zwommen altijd als we gingen vissen, met zn tweeën.
Marjolein slaakte een lichte zucht, bijna bang om iets kapot te maken in de lucht.
En, wanneer was je hier voor het laatst?
Toen, bij de begrafenis van opa.
Ze draaide zich naar het raam, maar Koen praatte vanzelf verder.
Op mn veertiende mocht ik ineens niet meer zo gaan logeren bij opa en oma. Ga maar als je zelf wil, zeiden mijn ouders. En sindsdien ben ik nog maar één keer wezen kijken.
Maar wilde je niet?
Tuurlijk wel. Koen werd vuurrood. Ik zei zelfs: Ik kom sowieso volgend jaar terug! Maar toen dat jaar kwam weet je, steeds kwam het er niet van. Ik had wel geld voor de trein gekregen, maar steeds ineens iets anders aan mn hoofd Het is er gewoon niet van gekomen. Maar ik belde wel eens. Ze deden altijd vrolijk, zeiden: Joh, leef lekker, je bent jong!
Hij bleef even stil, door het raam starend naar het bomenpad waar de bus langs stuiterde.
Het jaar daarna was mn eindexamen, weet je wel? Daarna naar de universiteit, alles spannend, dus ik ben gewoon niet meer gekomen. Weer niet. En dat bleef nog twee jaar zo, tot
Hij viel stil en drukte zijn mouw stevig tegen zijn ogen, beet op zijn lip. Toen hij zn arm liet zakken, zag Marjolein natte plekken op zijn trui.
Toen raakte opa dus echt weg. Ja, toen kwam iedereen. Begrafenis, koffietafel, alles. En ik besloot: nu, nu oma alleen is, kom ik écht elk jaar. Het hele jaar geloofde ik dat ook. Maar
Marjolein schoof naast hem, sloeg haar armen om hem heen.
Het is jouw schuld echt niet, mompelde ze, haar hoofd tegen zijn schouder.
***
Oma Anna zette ze eerst aan tafel. Gewoon, een houten tafel die amper veranderd was sinds opas koffietafel. Alleen de kant waar oma altijd zat was nóg sleetser. In de hoek stond een mand met van die kleine goud-groene Elstar appeltjes.
Ze zette dampende aardappelen met cantharellen voor hen neer, schonk warme appelthee in mokken, en natuurlijk haalde ze een potje van die beroemde zure augurken uit de koelkast. Alles ging langzaam, voorzichtig, alsof ze bang was iets te laten vallen.
Marjolein kreeg even een steek in haar hart, en verbeet het met een flinke hap augurk.
Mmm haar ogen gingen halfdicht. Dit zijn ze.
Ja! riep Koen meteen enthousiast.
Hoezo, jij kent die ook? lachte oma.
Ja hoor, Koen liet ze me ook thuis proeven. Toen en nu heerlijk!
Neem nog maar, liefje. En jij ook, Koentje. Oma ging eindelijk zitten, leunde op haar hand en keek vertederd hoe ze zaten te eten.
Het enige dat even hoorbaar was, was het intens kauwen en het gezang van vogels buiten. Koen slikte en begon te praten.
Oma, sorry dat ik zo lang niet ben geweest. Ik
Ach joh, niets aan de hand, wuifde ze weg. Belangrijkste is dat je nu gekomen bent. Mét je meisje nog wel Ze knipoogde warm naar Marjolein, die wat verlegen teruglachte. Ik ben zo blij dat jullie samen zijn. Ik kan wat hulp gebruiken. De augurken moeten weer water en wat mest, hè. Jullie komen toch nu vaker?
Koen keek met glimmende ogen naar Marjolein, maar zei niks.
Blijven jullie slapen, trouwens?
Nee, oma, dat lukt niet Koen werd meteen rood. We hebben onze hond, Brammetje. Moeten hem voer geven en uitlaten.
Hij zocht haar blik, maar oma keek alleen maar bezorgd.
Altijd haast, jullie mensen uit de stad zuchtte ze. Altijd druk, nooit even rust.
Ze scharrelde bij het oude gaspitje en Koen keek vragend van haar naar Marjolein.
Ik zet wel even een lekkere kruidenthee
Wij komen echt volgende week terug, dat beloof ik, probeerde Marjolein haar gerust te stellen.
Goed voor je, die thee, echt mompelde oma, bijna alsof ze het niet hoorde. Stil maakt het, goed voor je zenuwen, die drukte van de stad
Met twee warme mokken kwam ze terug. Koen vroeg zich af of ze nu boos was, maar uit haar gezicht sprak alleen liefde en zorg.
Ze namen een slok. De zachte smaak was verfrissend maar mint zat er nauwelijks in.
Lekker. Wat zit erin?
Oma keek peinzend naar het thee-trommeltje.
Och, vorig jaar droogde ik wat speciaal voor jullie. Tijm, wilde aardbeienblad, appelschilletjes geloof ik Maakt niet uit. Gewoon lekker maken.
Weer dronken ze.
Oma, wil je echt niet bij ons in Amsterdam komen wonen?
Zonder mijn augurken? schoot ze ineens fel, maar haar toon verzachtte meteen. Wat moet ik in de stad? Hier hoort alles zo. Met de tuin, de bomen De augurken kunnen mij niet missen!
Je kunt op het balkon ook tuinieren, zei Marjolein ineens. Wij hebben bloemen, en je kunt met Brammetje lopen.
Jullie moeten juist vaker komen, en neem die hond maar mee. Hier kan ie rennen wat hij wil. Maar mij krijg je niet weg hoor, ik blijf hier. Drink de thee maar lekker op. Niet voor niks gezet.
Ze namen nog een slok, en bespraken het een poosje, maar oma bleef bij haar standpunt. Toen de thee op was, zuchtte Koen diep.
Goed dan. Kan ik helpen? Zullen we afwassen?
Dat red ik zelf wel joh, zei ze met een lach, terwijl ze de borden opstapelde. Kom maar gewoon wat helpen in de kas, geef de augurken wat water.
Tot Koens verbazing bewoog ze nu veel soepeler dan aan tafel.
Kijk, het gaat haar écht beter, fluisterde Marjolein lachend in zijn oor, terwijl ze naar haar horloge keek. Het is bijna vier maar we halen die bus nog makkelijk. De bus terug gaat pas over een uurtje. Ze draaide zich naar oma: Waar kunnen we water en mest pakken voor de augurken?
Volg mij maar even, ze pakte een handdoek, droogde haar handen in het lopen en stiefelde de deur uit. Eerst water, daarna het mest. Kom maar!
***
Met twee zware gieters in zijn handen liep Koen de kas in, en snuffelde automatisch aan de lucht. Marjolein volgde, sloeg haar armen om hem heen. Het was warm en vochtig binnen, aarde hing zwaar in de lucht.
Het glas was redelijk schoon, je kon het huis en de appelbomen buiten bijna scherp zien. Maar lager groeide er een bruin-groene waas over het glas.
Het paadje ging linksaf na een paar meter, en grillige plantbedden gaven het een intiem gevoel. Plantenranken slingerden overal: over de grond, langs de stutten, tegen de ramen en zelfs over de deur. Overal hingen augurken, van kleine groene stips tot dikke, rijpe exemplaren.
Koen knikte onder de indruk, zette een gietertje neer en gaf de eerste plant water.
Zo dichtbegroeid, alsof ze hier al jaren groeien, mijmerde Marjolein.
Echt hè, zei Koen. Doe even de deur dicht, anders vliegt alle warmte eruit.
Marjolein klikte de deur stevig dicht.
Moet ie op slot?
Hoeft niet, is wel prima zo.
Koen liep naar de hoek, draaide weer mee met het paadje. Hier werd het alleen maar groener, chaotischer zelfs. Aan het eind stond een schop, een paar harken, een emmer, maar ze waren bijna niet te vinden tussen de wildgroei.
Zijn gieter was leeg en Marjolein gaf hem de andere.
Hoe verder ze kwamen, hoe primitiever het werd, alsof oma steeds minder in deze uithoek kwam. Ten slotte waren ze helemaal rond. Ze stonden weer bij de deur, met lege gieters, maar even sprakeloos.
Is dit wel de uitgang? vroeg Koen onzeker.
Moet wel zei Marjolein.
Maar de deur was helemaal dichtgespannen met warrige augurkslierten: bovenaan, langs de zijkanten, zelfs de klink en het haakje. Niets wees erop dat hier kort geleden nog iemand in- of uit was gegaan.
Koen zette de gieters neer en duwde tegen de deur. Geen beweging.
Verrek misschien zijn er gewoon twee deuren? probeerde Koen zichzelf gerust te stellen. Maar alles leek toch precies hetzelfde
Kom, we lopen het gewoon om, zei Marjolein.
Ze liepen het hele paadje terug. De deur zag er nóg minder uit als die van daarnet. Keer op keer probeerde Koen hem open te maken, tevergeefs.
Zo komen we te laat voor de bus, mompelde hij, maar schrok toen hij op zijn horloge keek. Wat? We hebben hem al gemist!
Nee toch! Marjolein keek snel mee.
Jawel, het is al na vijven over acht minuten kwam de volgende Koen schudde zijn hoofd.
Marjolein sloeg haar arm om hem heen. Is niet erg, dan blijven we gewoon slapen. Oma stelde het al voor. Even mn moeder bellen, kan zij met Brammetje lopen.
Maar hoe kun je verdwalen in een kas? sputterde Koen, nog steeds verward. Het zijn vier muren!
Kan toch eigenlijk niet, fluisterde Marjolein. Misschien zit de deur gewoon klem?
Koen ramde nog een paar keer tegen de deur, zonder resultaat.
Het haakje dan? probeerde Marjolein.
Nee, die stond zoals ze hem lieten. Hij bekeek de deur goed, de slierten waren overal, zelfs tegen de deurpost, en hun uiteinden leken soms een beetje te bewegen. Maar niks zat echt vast.
Shit, hoorde hij achter zich.
Marjolein was door haar knieën gezakt.
Wat is er?
Ik zit vast in die takken.
Koen ging naast haar zitten. Het waren niet eens haar veters, maar haar sportschoen zat muurvast in een warboel van groene stengels. Hij probeerde ze stuk voor stuk los te maken, maar ze trokken zich alleen maar vaster. Marjolein hield zich inmiddels schrap tegen zijn schouder.
Misschien oma bellen? zei ze.
En dan? Dat ze de deur openmaakt? Of jouw veters losknoopt?
Ze haalde haar schouders op, Koen worstelde verder, maar het had geen zin alsof de slierten juist meer gingen trekken. Uiteindelijk sprong hij op.
Verdorie, hoe krijg je dat voor elkaar! riep hij, rood aangelopen.
Alsof ik er iets aan doe! snauwde Marjolein terug. Ze keken elkaar even woedend aan. Pak dan een schep, of wat dan ook. Snij ze los als het niet anders kan.
Koen zuchtte.
Sorry, je hebt gelijk, hij gaf haar een kus op haar voorhoofd. Het is gewoon die klotedoor, de bus, nou je schoen ook nog
Hij liep weer het pad op, nu traag en speurend langs de bedden. Maar geen gereedschap in zicht tot hij ineens, achteraan, een oude hengel zag staan. Hij staarde even naar die hengel.
Opeens klonk er een harde kreet. Koen stormde terug naar Marjolein. Ze lag op de grond en wreef heftig over haar achterhoofd.
Die stomme slierten Ik struikelde. Keihard op de rand gevallen.
Arme jij Hij aaide haar troostend. Was er nu goeie ijspack hier
Aarde is ook koud genoeg Marjolein probeerde een lachje.
Heb je die schep gevonden?
Nee, liep naar je toe. Maar ik vond wel die hengel. Net als bij opa
Daar hebben we niks aan, Koen! onderbrak ze ongeduldig.
Oké, ik zoek verder. Kan ik je zo laten hier?
GA GEWOON! schreeuwde ze fel, duwde hem van zich af. Twee minuten op de grond hou ik wel uit, man!
Ondertussen groeiden de kluwen rond haar been langzaam verder. Koen keek haar hulpeloos aan.
Ga maar! Ik loop niet weg.
Hij kneep even in haar hand en stond op. Het begon plotseling te schemeren.
Wat gebeurt er?
Misschien wolken? probeerde Marjolein. Hoe laat is het?
Koen keek op zijn horloge, maar zag amper de wijzers. Zijn mobiel deed niets, zwart scherm. Hij beet gefrustreerd op zijn arm. Alles bleef zoals het was. De minuten tikten voorbij als seconden.
Dit is echt absurd zuchtte Marjolein. Als je me wil redden, moet je nú dat gereedschap vinden!
Is goed, is goed.
Hij schoof schuifelend langs de randen, voetje voor voetje. Na een tijdje zag hij eindelijk het gereedschap, graaide een schop, rende terug. Maar vlak om de hoek bleef hij zelf hangen zijn voet zat muurvast tussen de woekerplanten. Hij viel voorover. De schop vloog uit zijn handen, iets rammelde pijnlijk tegen het kasraam. Marjolein lag gillend te worstelen slierten zaten tot om haar gezicht, mond en ogen. Koen lag een halve meter van haar af, probeerde haar te grijpen, maar kwam niet verder dan haar haar. De ranken omhelsden zijn eigen been.
Marjolein!
Ze probeerde haar mond vrij te maken, sloeg wild om zich heen. Nog één keer spartelde ze, trapte tegen de grond, toen zakte haar hoofd rustig opzij. Haar hand klemde zich om een bundel slierten op haar keel.
MAAAARJOLEIN! riep Koen, terwijl de tranen over zijn wangen liepen. Met zijn nagels groef hij de aarde rond haar gezicht los, maar hij kon haar amper bereiken. Nog één keer trok hij aan zijn been, spartelde zijn gezicht drukte tegen glas, de rand brak. Plotseling was hij buiten, lag op zijn rug, keek recht omhoog in de ijskoude ochtend.
De lucht was blauw. Pijn brandde door zijn rug waar een glasscherf in zat. Meeuwen flitsten over, tussen huis en appelbomen.
Oma Anna kwam naar buiten, liep een paar keer met enorme snelheid hun kant op. Koen knipperde met zijn ogen en Oma was opeens dichtbij, knielde naast hem, kuste hem teder op het voorhoofd.
Zo, lieverd. Goed zo. Jullie hoeven niet meer terug naar de stad. Blijf maar lekker hier, voor altijd samen bij mij.
Ze stond op, klopte haar schort af en haastte zich weer huiswaarts, voeten en stok werden een waas. De zon kroop hoger. Koen voelde hoe de stengels zijn gezicht insloten.






