Cardioloog Van den Berg arriveert in het kuuroord om uit te rusten. Besluit zich te scheren en zich klaar te maken voor de avond. Voor wie de veertig gepasseerd is en zulke dingen. Al is hij zelf al over de zestig – maar wie heeft dat door?

Vandaag is zon dag waarop alles in het honderd loopt. Ik, cardioloog Hendrik van Brakel, kwam naar dit kuuroord in Valkenburg om eens even lekker uit te rusten. Ik besloot mezelf netjes te scheren, een colbertje aan te trekken en naar de avondborrel te gaan – want ja, de veertig ben je allang gepasseerd, maar 60 dat voelt niemand, toch?

Ik zat net met het scheerschuim op mn gezicht toen ineens zonder kloppen een vrouw de kamer binnenstormde. Om haar te beschrijven, had Rembrandt z’n meest robuuste penseel nodig gehad. Op zon vrouw kun je college geven, echt waar. Met een aanwijsstok erbij zou het zo: Kijk mensen, een vrouw bestaat uit

Ze roept uit: Wat fijn dat zon beroemde cardioloog als ú net hier komt ontspannen! Want in de behandelkamer wordt nú, stomtoevallig, de conciërge een doodzieke gast binnen gereden. Onze vaste hartspecialist is met spoed naar huis, want niemand plant een hartinfarct om twaalf uur s nachts. Maar gelukkig, uitgerekend nú logeert hier dus een faam van formaat in hartziekten!

Ik voel: hier kom ik niet meer onderuit. De vrouw is zeker honderd kilo plus, en midden op haar gezicht prijkt zon oranjerode lipstick, als een zegel van de inquisitie op een witgepoederde kei. Zulke vrouwen geven gewoon nooit op. Uitleggen dat zelfs een wonderdokter niets kan, als zijn team uit een conciërge en een verpleegkundige in een sneeuwpop-outfit bestaat, is zinloos.

Even later kom ik in de behandelkamer. De conciërge staart me paniekerig aan en duwt een brancard met daarop een slome, bebaarde man. Hij lijkt op een brugklasser met het hoofd van een houthakker meestal zijn het van die types die het universiteitsarchief beheren.

Hij ijlt maar wat, zegt de conciërge. Roosje, roosje, meer komt er niet uit. De man denkt dat ie in een bloemenwinkel is.

De verpleegkundige meet zijn bloeddruk en mompelt dat het waardeloos is: 70 over 50, en het zakt nog. Dat is geen bloeddruk, dokter, dat zijn de omtrekken van mijn armen en benen, lacht ze hysterisch. Haar grapgepiep geeft me kippenvel. In het dossier staat nota bene dat 180 op 100 voor deze man een keertje opwarmen is.

Ik zoek met mijn blik het nodige materiaal. Opeens: vreemd, zeldzaam geluid. De verpleegkundige staat te huilen. Wat is er, mens? vraag ik haar. Ze snikt: Ik vind het zo zielig voor hem

Onrust kruipt in mij. Adrenaline, nu, zeg ik, terwijl ik mijn handen ontsmet. Weet je nog waar dat voor is? En in welke spuit moet het?

Ze keert haar gezicht naar de muur. Oh die arme man jammerklaagt ze, terwijl ze naar de deur vlucht.

Dan pak ik zelf maar een spuit en vul m. De conciërge kijkt me aan of ik net een harpoen heb getrokken. Zijn pupillen worden spleetjes, hij wiebelt op zijn benen. In een hoek snikt de verpleegkundige. Ik denk bij mezelf: haar een klap geven, dat zou helpen, maar als ze nu wraak neemt, belandt ze met aanrecht en al door een raam op straat.

Nu besluit ik: ik ben er klaar mee. Ik zoek snel het juiste plekje op de ingevallen borst, prik en meteen zakt de conciërge als een zak aardappels op de grond.

Nu is de conciërge zielig! gilt de verpleegkundige.

Wat is dat hier allemaal? Waar is het flesje jeneverbesolie? In blinde paniek roep ik: Gaan ze dood nu? Wat moet ik mijn ogen niet zien!

Op de tafel staat een oud gietijzeren lamp, zeker vijf kilo. David geneest een leeuw van keelpijn staat ingewikkeld in het voetstuk. Heel even overweeg ik die lamp te pakken en ze knock-out te slaan.

Rust en discipline! bulder ik, Nu meteen!

Plotseling richt de patiënt op de brancard zich op, ogen stijf dicht. De verpleegkundige zegt schooljuffrouw-strak: Blijf alsjeblieft netjes meneer, en duwt zijn hoofd weer tegen de stang. De jeneverbesolie ligt uiteraard in de kast.

De conciërge is inmiddels zo ver heen dat zijn pols niet eens voelbaar is. De arm van de bebaarde man zakt weer slap langs het bed, hij verdwijnt opnieuw. Wat ís dit?

Massage! beveel ik, en trek de conciërge van onder de brancard vandaan.

De verpleegkundige draait de man op zn buik, trekt haar rok op en stapt fanatiek op de brancard, klaar voor actie.

Maar hartmassage, geen sprong op zn rug, mafkees! gil ik.

Ze wentelt zich weer, gaat zitten. De brancard kraakt, lucht ontsnapt uit de man als uit een lek luchtbed. Ondertussen prop ik de conciërge watten met jeneverbesolie in de neus en sleep hem naar een bank. Ik kijk naar de verpleegkundige, bang dat ze de patiënt uit elkaar drukt.

Ik trek haar van de patiënt, duw ook haar een pluk watten onder de neus en zet haar naast de conciërge, als twee broedende kippen. Zijn broek op half elf, haar rok tot onder haar oksels. Noodteam lichte paniek. Zelfs de geur van jeneverbesolie krijgen ze niet binnen.

Opeens veert de patiënt overeind alsof het de rug van een treinstoel is. Ogen dicht, neemt hij de hele ruimte op.

De conciërge ziet het, besluit niet meer te zitten, klapt zo languit tegen de vloer dat ik een golfje patronen over het laminaat zie lopen.

Dames en heren zegt de patiënt, zonder ogen te openen, Mag ik heel vriendelijk verzoeken mij verder niet te behandelen

Hij legt uit: hij is al sinds zijn jeugd een hypotone sukkel. Voor een sneeuwbui is hij al eens lekgeprikt, ten prooi aan tocht ligt hij bij onweer zo in de hoek. 80 op 50 is zijn normaal, soms nog lager, maar met een bakje sterke koffie trekt hij het wel weer recht. Nou, als die vrouw met haar kralensnoer van biljartballen nóg eens op hem gaat zitten, overleeft hij het niet. Hij dacht werkelijk: straks vindt Roosje me in het toilet, karnemelk bringend, en kan ze direct gaan bellen wie er mee de kist draagt.

Mijn haren worden spontaan grijzer. Ik pak het dossier en lees: Roosje Lievens. Ter herinnering: onderweg naar Valkenburg stelde ik me ook wel een leuk kuurtje met een lokale schone voor. Misschien iets gezelligs, wat uitloopt tot meer Nou, meteen uit mn hoofd gezet.

Wat is dit? vraag ik, het dossier voor de neus van de verpleegkundige houdend.

Het dossier, zegt ze droog, terwijl een prop uit haar neus steekt.

Maar dit is geen Roosje Lievens, mompel ik. Dit is Leo Lievens, als het niet nóg erger is.

Daar had u als hoofdbehandelaar op moeten letten.

Jij

Luister jongens, mengt de patiënt zich erin, mijn vrouw ligt hier. Ik bracht karnemelk voor Roos. Zij naar de wc, dossier naast mij achtergelaten. Toen werd ik niet goed. En toen kwam die kerel met dezelfde aanval als een natte dweil en sleepte mij op een brancard. En nu? Nu gaat t weer. Mijn bloeddruk schiet van alle kanten omhoog, zo goed zelfs, dat als je nu een aansteker onder mij houdt, zweef ik zo het heelal in. Wat u heeft gegeven, dokter, ik slaap voorlopig niet meer. Kan ik mooi aan mijn wetenschappelijk artikel werken.

Laten we afspreken, zegt de verpleegkundige vlug als de man met de karnemelk verdwijnt, wij waren er niet.

Ik wil haar alsnog met die stalen lamp

Ik zorg wel voor de conciërge, zegt ze snel.

En ik? In het kuuroord heb ik geen mens meer leren kennen.

Rate article