Victor reed met zijn auto een klein dorpje toen hij plotseling een meisje langs de kant van de weg zag staan. Het was al laat en er was verder niemand in de buurt. Hij stopte. – “Mag ik misschien meerijden?”

Victor reed in zijn oude vrachtwagen over de kronkelende landweg tussen de eindeloze weilanden, waar alles zich leek te spiegelen in stille sloten. Plots verschenen er windmolens die zich bogen voor een onzichtbare wind en een grijze mist trok over het land. Hij rook de geur van warme aardappelbroodjes, gebakken door zijn moeder speciaal voor deze tocht, en voelde zich ondanks de schemering opgewekt. De radio speelde vrolijke accordeonklanken die klonken als dansende klompen.

Het was Koningsdag, iedereen vierde feest, behalve Victor; hij moest een belangrijke lading kazen afleveren. Net toen de lucht oranje kleurde en het dorpje Zonnedam opdoemde in het licht van zijn koplampen, zag hij iets bijzonders bij de bushalte die door knotwilgen werd omringd: een meisje in een dikke wollen jas, haar fiets roerloos naast zich, wiegend op de wind als een droombeeld.

Hij stopte. Het meisje leek te zijn gevallen uit een schilderij van Vermeer, zo eenzaam en stil.

Mag ik misschien meerijden? vroeg het meisje, haar stem klonk als een verre echo in het mistige weiland.

Natuurlijk, stap maar in, zei Victor met een zachte glimlach. Er zijn nu nauwelijks autos op de weg. Sta je hier al lang?

Ze knikte en huilde tranen als kleine dauwdruppels. Victor keek haar verbaasd aan, het was alsof de nacht zelf met haar meehuilde.

Is er iets gebeurd? vroeg hij, terwijl buiten een witte haas over het natte gras sprong.

Mijn naam is Godelieve, snikte ze zacht. Ze vieren vanavond het begin van de lente in het dorp, iedereen heeft oranje tompoucen en bitterballen, en mijn collega vroeg me om mee te vieren bij haar in het huisje aan de gracht. Haar man zou haring halen en er zouden kaarsen aanstaan

Maar?

Ik heb gisteren het uitgemaakt met mijn vriend, dus ik dacht; misschien is het goed als ik niet alleen thuis ben. Ik nam de bus naar Wieringen, maar toen ik uitstapte, was alles vreemd, alsof ik in een schilderij was beland waar niets klopte. Mijn bus had niet naar Wieringen moeten gaan, maar naar Zonnedam, helemaal aan de andere kant.

Ze veegde met haar mouw een traan weg en fluisterde: De bus was weg, en het bordje zei Schermerhorn… Ik heb verkeerd gelezen. En toen stond ik daar met alleen mijn fiets en een lege straat, geen mens of auto te bekennen, alleen koeien die in het mistlicht loom kauwden. Drie surrealistische uren later was jij de eerste die stopte. Je hebt me echt gered. Dank je.

Laten we tutoyeren, vind je niet? zei Victor met een warme lach terwijl buiten molens wiegend over hem heen keken.

Godelieve lachte terug en haar jas leek plotseling lichter.

Victor vond haar meteen bijzonder: niet verwaand, niet gemaakt, gewoon echt. Heb je het niet koud? Tijd om eerst wat te eten, zei hij. Zijn moeder had altijd te veel aardappelbroodjes gebakken, dus deelde hij ze met haar. Godelieve haalde blokjes oude kaas, wat plakjes osseworst en een reepje pure chocolade uit haar tas.

Terwijl de lucht buiten veranderde in een diepe blauwe droom, nestelden ze zich in de cabine Godelieve kroop bovenin, Victor bleef op de stoelen. Met haar stem die bijna vervloog in het donker vroeg ze:

Victor, ben jij eigenlijk getrouwd?

Nee, glimlachte hij.

Hoezo niet?

Misschien omdat ik net een meisje ontmoet heb dat ik wel erg leuk vind maar haar dat nog niet heb verteld.

Ze glimlachte geheimzinnig, de tijd stond even stil, windmolens draaiden achteruit.

Laten we slapen, mompelde Victor. Er is nog een hele lading te bezorgen. Hun avond leek zich oneindig uit te rekken, als een polder die nooit ophoudt, vol schapen die zachtjes dromen.

De reis vervolgde zich als in een schilderij van Escher, vreemde dijken en oneindige sloten. Godelieve grapte dat dit haar eerste echte avontuur was en ze was zelfs blij dat alles zo raar was verlopen.

Op weg terug naar de stad Amsterdam, tussen kanalen en vogels die achteruit vlogen, durfde Victor eindelijk haar nummer te vragen.

En dat meisje dat je leuk vindt, wie is dat dan? fluisterde Godelieve met een glimlach.

Ik bedoel jou, lachte Victor, en het leek alsof molens en sterren lichtjes met hem mee glimlachten. Jij bent echt bijzonder. Ik wil je graag weer zien, als je dat ook wilt.

Zeker. Je bent een echte heer, in een land vol dromen. Je liet me niet alleen, je was als een anker in deze wervelende nacht.

Ze trouwden die april bij een klein kerkje, omringd door tulpenvelden. De lucht was vol poffertjes en droomachtige klanken. Iedereen zei: zo lopen dromen in Nederland.

Rate article