In 1951 werd ik, een 14-jarige Nederlandse jongen genaamd Jan van der Velde, wakker in een ziekenhuisbed in Amsterdam met meer dan honderd hechtingen op mijn borst. De artsen hadden net één van mijn longen verwijderd. Om te overleven had ik dertien zakken bloed nodig, afkomstig van vreemden wier namen ik nooit zou kennen.
Mijn vader, Willem, zat zwijgend naast me en sprak toen de woorden die mijn leven voorgoed zouden veranderen:
“Je leeft alleen omdat anderen hun bloed gaven.”
Op dat moment nam ik mezelf iets voor: als ik achttien zou worden, zou ik zelf bloeddonor worden. Ik zou teruggeven wat ooit mijn leven had gered.
Maar er was één probleem.
Ik had verschrikkelijke angst voor naalden.
Toch stond ik, op de dag dat ik achttien werd, voor het eerst bij Sanquin bloeddonatie aan de Herengracht. Ik ging zitten, staarde naar het plafond en liet de verpleegkundige haar werk doen.
En ik keek geen seconde nooit.
Zolang ik leefde, zou ik dat volhouden.
Pas jaren later kwamen artsen erachter dat mijn bloed bijzonder was. Al na enkele donaties ontdekten ze dat mijn plasma een zeldzaam antistof bevatte, waarschijnlijk gevormd na de transfusies die ik als kind had gekregen. Die antistof kon het dodelijke rhesusconflict bij pasgeboren baby’s voorkomen.
Voordat dit bekend werd, stierven ook in Nederland elke jaar talloze baby’s. Als een vrouw met rhesus-negatieve bloedgroep zwanger werd van een kindje met rhesus-positieve bloedgroep kon haar lichaam de rode bloedcellen van haar kind aanvallen.
Miskramen, doodgeboortes, hersenbeschadigingen.
De oplossing schuilde in mijn bloed.
Artsen vroegen me of ik niet alleen bloed, maar ook plasma wilde doneren. Dat betekende langere sessies anderhalf uur in plaats van twintig minuten en bezoeken om de paar weken, je hele leven lang.
Ik dacht aan mijn angst.
Ik dacht aan al die onschuldige kinderen.
En ik gaf mijn toestemming.
Vierenvijftig jaar lang heb ik mijn afspraak niet overgeslagen. Of het nu regende of stormde, tijdens vrolijke én verdrietige dagen, bleef ik trouw komen. Zelfs toen ik werkte bij de NS als stationschef. Ook nadat ik met pensioen was. Zelfs na het verlies van mijn vrouw Lotte in 2005 de moeilijkste tijd van mijn leven ben ik doorgegaan.
Elke donatie in totaal 1173 keer keek ik naar het plafond, praatte wat met verpleegkundigen, telde de vloeibare stippen op de muur alles om die naald maar niet te hoeven zien.
De angst ging nooit weg.
Maar ik kwam toch.
Het leven gaf me nog een bijzonder hoofdstuk: toen mijn eigen dochter Marieke zwanger werd, bleek ze het geneesmiddel nodig te hebben dat was gemaakt van mijn plasma. Mijn kleinzoon Stijn is er omdat ik ooit dat besluit nam.
In mei 2018, 81 jaar oud, moest ik vanwege de Nederlandse wet mijn laatste plasma geven. In de zaal zaten jonge moeders met hun gezonde baby op schoot het levende bewijs van stille heldendaden. Met tranen in hun ogen bedankten ze me.
Ik ging zitten, keek voor de laatste keer opzij nooit naar de naald en doneerde voor de 1173e keer.
Sinds 1967 zijn er meer dan drie miljoen doses Anti-D-medicijn geproduceerd met ingrediënten uit mijn bloed. Wetenschappers schatten dat minstens 2,4 miljoen baby’s gered zijn alleen al in Nederland.
Als ze me een held noemden, haalde ik altijd mijn schouders op:
“Ik zit gewoon in een veilige kamer, doneer bloed, krijg koffie en stroopwafels. Daarna ga ik weer naar huis. Geen probleem.”
Op 17 februari 2025, in alle rust, overleed ik in mijn slaap. Achtentachtig jaar oud.
We zoeken onze helden vaak in films of geschiedenisboeken mensen met superkrachten, roem of rijkdom. Soms is een held gewoon iemand die 64 jaar lang zijn belofte houdt.
Iemand die bang is echt heel bang maar tóch doet wat juist is.
Duizenden mensen leven vandaag, omdat één man besloot zijn angst minder belangrijk te vinden dan andermans leven.
En jij? Welke kleine, moedige stap kun jij vandaag nemen, zelfs als die je doodsbang maakt?





