Weet je, ik moet je iets moois vertellen dat me is bijgebleven uit de trein richting Groningen. Nou, er stapt ineens zon lange, opvallende vrouw uit onze coupé, ze had van die blonde vlechten om haar hoofd en helderblauwe ogen ze leek bijna uit een oud schilderij te komen. Ze had zon stem dat alles en iedereen stil viel, zelfs van die brede mannen die normaal nergens voor wijken, luisterden onmiddellijk.
Ze keek even richting het toilet en net op dat moment kwam daar een klein, tenger mannetje uitgehuppeld, met zacht wit pluishaar en een aandoenlijk jongensachtig gezicht.
Hendrik! Ik was je al kwijt! Wat een herrie was dat daar, de conducteur durfde niet eens in de buurt te komen. Ben je oké, joh? Straks word je nog gepest met jouw goedzakkenkop!, riep ze luid.
Och, Hiltje! Ik red me wel hoor, maak je niet druk. Maar waarom kom jij eruit, meis? Jij hoort toch met klasse te reizen! giechelde Hendrik zacht en schoot snel het coupé in.
Die Hiltje keek ons nog eens goed aan, wat verveelde medereizigers, en besloot dat er geen gevaar zat. Daarna ging ze ook weer terug.
Later, in het restauratierijtuig, gebeurde het. Er waren geen losse stoelen, dus ik schoof gezellig bij haar aan. Toen ik vroeg waar haar man was, zei ze: Ach, Hendrik is ziekjes, blijft even liggen. Heb m meteen een sjaal omgedaan en cranberrylimonade ingeschonken. Kun je nagaan, net onderweg en dan gaat ie zich verkouden! Is ie toch zonder jas buiten het tapijt gaan kloppen. Typisch Hendrik, hè!
Ik zei: Je zorgt echt goed voor hem. Je was zelfs bang dat hij lastiggevallen werd, net als een moederkloek. En nu spreek je zo liefdevol over hem. Je straalt gewoon!
Ze lachte en zei: Tja, Hendrik heb ik eigenlijk in een soort testament gekregen. Hij is officieel niet eens mijn man, we wonen gewoon samen. Zijn eerste vrouw overleed pas, een schat van een mens echt een heilige!
Hoe bedoel je, testament? floepte ik eruit.
Hier komt het verhaal. Hendrik was vroeger samen met Jannetje jeugdvriendin, samen gestudeerd in Leiden. Een briljante man, werkte voor allerlei bedrijven en altijd geld zat, maar in het leven buiten werk… totaal hopeloos. Hij vergat altijd het wisselgeld in de supermarkt, stak willekeurig ergens over, en alles wat hij had konden onbekenden bijna gratis meenemen. Zon goedhartige, simpele ziel. Zelfs vrienden zeiden: Waar verdient Hendrik zijn geld aan, wij rennen ons rot, maar bij hem komt het vanzelf aanwaaien en hij snapt het zelf niet eens.
Jannetje regelde alles voor hem ze kleedde hem aan, checkte of hij zijn handschoenen bij zich had, en reed hem uiteindelijk met de auto naar zijn werk omdat hij anders in verkeerde taxis stapte. Ze gaven elkaar precies wat de ander miste.
Als Jannetje eens in het ziekenhuis lag, vond ze bij thuiskomst het huis volgestapeld met ongekookte pasta: Hendrik had een week alleen van droge macaroni en koud water geleefd. Zonder jou smaakt het nergens naar, hoor! grapte hij dan.
Hun zoon, Wouter, was precies als zijn vader briljant maar verstrooid. Hij vond gelukkig een rustige, nuchtere vrouw uit een Fries dorpje, Sietske. Maar uiteindelijk was Jannetje nog steeds de grote spil van het gezin, en helemaal toen hun kleinzoon, kleine Thijs, geboren werd.
Tot het ineens misging en Jannetje ziek werd. Ze hield zich groot, maar iedereen zag hoe het huis veranderde in een mist van zorgen. Inmiddels was ik als wijkverpleegkundige langsgekomen via-via, want ik ben toevallig een verre nicht van haar huisarts.
Toen ik voor het eerst in dat huis kwam, was het alsof ik door een museum liep waar niemand ooit opruimde. Stapels wasgoed, vieze borden, en Hendrik zat verloren aan de keukentafel, zo breekbaar als een reiger s winters. Jannetje lag op bed mager en bleek, maar altijd vriendelijk als ik binnenkwam.
Die eerste dag wilde ik gelijk aanpakken: ramen open, sopje maken, de keuken omtoveren tot een eetsalon met geurige balletjes, appeltaart en gebraden kip. s Avonds hoorde ik Jannetje zacht snikken maar ze fluisterde: Godzijdank, nu zijn ze in goede handen.
Kort daarna had ze zon bijzonder gesprek met me. Ze vroeg hoe ik woonde en ik vertelde eerlijk: klein flatje in Almere, samen met mn moeder en mijn zus met haar kinderen, dus vaak druk in huis. Nooit getrouwd, al wel verkering gehad maar nooit behoefte aan het hele bruidsjurkgedoe.
Toen zei ze plots: Hiltje, ik wil dat jij voor Hendrik blijft zorgen als ik weg ben. Zie het als een soort huwelijkscadeau. Hij is een schat, maar o zo kwetsbaar. Wil je dat beloven? Alleen even opletten, je hoeft niks bijzonders.
Tsja hoe zeg je nee tegen zoiets? Dus ik beloofde het. En ja hoor, helaas duurde het niet lang tot Jannetje wegviel. In eerste instantie dacht ik, laat maar. Ze denken nog dat ik een graaier ben. Want gevoelens voor die man had ik niet, in ieder geval niet meteen. Hij leek me meer een schildpad op zn rug, helemaal hulpeloos.
Maar toen ik zijn huis wilde checken uit fatsoen, vond ik hem op de grond, huilend, met haar ochtendjas in zn armen. Zo zielig! Ik zette thee, en vroeg alleen maar: Kom, we gaan even zitten. Het komt goed, echt.
Uiteindelijk ben ik dus gebleven. Wat kon ik anders doen? Mijn familie blij, want die hadden ineens wat meer ruimte. En ik? Opeens had ik een groot kind in huis in plaats van een man, maar eentje die het goed voor elkaar wist te houden als het om werk en financiën ging dan. Hij overtuigde me mijn werk gedeeltelijk op te zeggen, want geld was nooit een probleem.
Mensen hebben in het begin hun mond vol gehad, van: Ja, die Hiltje zal wel voor zn huis komen. Maar ik zeg altijd iedereen redt katten en honden van straat, waarom niet zon man? Iemand moet toch een beetje op deze wereld letten.
Nu zijn we gewoon een team. Vandaag gaan we trouwens naar zijn zoon toe; Wouter vroeg of ik op hun kleine Thijs wilde passen. Nou, dat vind ik hartstikke leuk! Ik kan zo tien van die kinderen in de lucht houden, joh.
En weet je net toen ik dit zat te vertellen, zwaait de deur van het restauratierijtuig open, en daar komt Hendrik aanlopen met een bosje weilandbloemen en een veel te lange sjaal om zn nek. Hiltje, kijk dan eens, deze heb ik bij de omaatjes gehaald op het perron. Vind je ze mooi?
Ik kreeg er gelijk rode wangen van en sloeg een arm om zijn schouder. We stapten samen uit, ik met een enorme koffer, hij met een klein tasje maar altijd hield ik hem toch bij zn jasje vast, want anders is-ie zn hoofd alweer kwijt in de menigte. Zo liepen we daar: twee oer-Hollandse zonnetjes tussen de mensen, duidelijk gemaakt voor elkaar. En ja, ik zal vast ooit zijn tweede vrouw zijn.





