Kopie van een vrouw
Ben je zeker dat dit geen bezwaar voor je is? vroeg Marjolein zacht, haar tas schuin over haar schouder, met een verwarrende glimlach die Anneke nooit eerder bij haar had gezien. Ik snap dat het onhandig is. Echt waar.
Marjolein, hou nu op. Kom maar gewoon binnen. Anneke stapte opzij en hield de deur vast. De logeerkamer is vrij. Willem vindt het prima. Alles oké.
Willem vindt het prima, herhaalde Marjolein, alsof het woord zelf iets bijzonders had. Er lag geen ironie in haar stem, eerder verwondering, of het feit alleen dat vindt het prima uit zijn mond kwam een soort vloedlijn duidde.
Hij heeft sowieso zelden ergens moeite mee, zei Anneke, terwijl ze naar de keuken liep. Schoenen uit. Sloffen staan links.
En zo begon het allemaal.
Anneke was tweeënvijftig, Marjolein, haar vriendin sinds de HTS, eenenvijftig. Ze hadden elkaar de laatste vijf jaar weinig gezien, soms even bellen, af en toe koffie drinken aan de Singel, maar Anneke dacht dat ze Marjolein goed kende. Goed genoeg om haar binnen te laten zonder veel vragen. Marjoleins scheiding was rond, haar huurhuisje werd opgezegd, de papieren voor iets nieuws sleepten voort. Twee-tot-drie weken, hooguit een maand,” had Marjolein gezegd. Even wachten, even ademhalen, even sterker worden.
Ze leefden in Gouda niet klein, niet groot, alle wijken leken wat op elkaar, en in de Albert Heijn groette men vaste klanten bij naam. De woning van Anneke was een driekamerappartement, derde verdieping, uitzicht op een stille straat. Willem, haar man, werkte bij een bouwbedrijf, onopvallend maar goed betaald. Anneke gaf economie op het MBO. Drieëntwintig jaar samen. Hun dochter woonde al jaren in Rotterdam. Het huis voelde ruim en vertrouwd, alles stond vast, zoals huizen waar nooit meer iets wezenlijk verschuift.
Marjolein arriveerde met één grote tas en een kartonnen doos. Ze pakte uit met een stille bescheidenheid die Anneke nauwelijks opmerkte. De eerste drie dagen hoorde ze Marjolein nauwelijks: vroeg weg, laat terug, weinig eten, nóg minder woorden. Willem vroeg, summier, op de eerste avond:
Lang?
Een maand, antwoordde Anneke.
Een maand, zei hij, exact zoals Marjolein dat bij binnenkomst had gedaan.
Anneke schonk er geen aandacht aan. Ze was ook niet iemand van de details. Of dacht dat ze dat niet was.
Het eerste kriebeltje kwam in week twee. Op een ochtend in de badkamer stond haar flesje parfum, Fresia, niet op het plankje links maar op de rand van de wasbak. Groen flaconnetje met zilverkleurige dop ze gebruikte dat al drie jaar, gekocht bij een speciaalzaak aan de Kleiweg. Ze dacht dat ze het zelf verkeerd teruggezet had, zette het weer recht. Vergeten.
Week drie viel haar iets anders op.
Ze ontbeten met zijn drieën. Anneke zette koffie op haar manier: eerst wat koud water, dan heet water, maar niet kokend, want anders werd het bitter. Willem zei daar dan altijd iets aardigs over. Die ochtend maakte Marjolein de koffie, omdat Anneke in gesprek was.
O. Lekker, zei Willem.
Ik heb afgekeken van Anneke. Zij doet het altijd zo, lachte Marjolein.
Anneke keek naar haar. Marjolein lachte oprecht. Zo onschuldig. Anneke glimlachte mee, maar ergens binnenin hing iets, als een vage mist.
De werkweek greep Anneke vast, ze vergat het. Ze kwam thuis, vond haar huis schoon, opgeruimd. Marjolein poetste, zette iets weg, alles voor ze het wist. Willem wende sneller dan Anneke had verwacht.
Marjolein heeft vandaag gekookt, zei hij een avond, alsof hij goed nieuws bracht. Bonensoep. Lekker.
Ik maak ook altijd bonensoep, zei Anneke.
Ja toch, knikte hij, lijkt erop.
Ze vroeg niet wie het lekkerder deed. Hij zei het ook niet.
Marjolein werkte tijdelijk thuis: iets met administratie, Anneke vroeg niet door. Steeds zat ze op de logeerkamer met haar laptop, kwam tegen lunch uit haar hol, kookte iets simpels, was tegen de avond keurig aangekleed, niet in huispak gewoon in een nette blouse. Anneke viel het op, want zelf trok ze ‘s avonds altijd haar oude joggingbroek en wollen trui aan. Marjolein zag er beter uit in haar huis dan zijzelf.
Op een avond keken Willem en Marjolein samen televisie. Anneke zat papieren te markeren in de slaapkamer. Haar gegravende stemmen drongen zacht door de muur, ontspannen, soepel gesprek, met een lach van Marjolein erop. Haar lach leek op die van Anneke, alleen wat zachter Anneke besefte het plot en wuifde het weg. Ach, lachen is lachen.
Maar dagen later dacht ze eraan. Heel bewust.
Marjolein droeg haar haar ineens anders. Eerst altijd pittig kort, nu liet ze het langer, in een slordige golf naar achteren. Precies zoals Anneke vaak deed. Voor de spiegel in de hal zag ze het: twee vrouwen naast elkaar, de een dichterbij, de ander als echo. En iets in dat beeld was als een oude, vaag bewaarde foto naast een nieuwe.
Staat je goed zo, zei Anneke.
Meen je dat? Marjolein keek in de spiegel, streek een pluk glad. Ik dacht, ik probeer het eens zo… bij jou zag het er leuk uit.
Weer bij jou. Subtiel nadoen, haast niet merkbaar. Anneke glimlachte en liep door maar iets binnenin haar weigerde te glimlachen.
‘s Zondags belde ze hun dochter.
Ma, hoe gaat het daar?
Gewoon. Marjolein logeert nog.
Oh ja. Nog steeds geen huis?
Nee. De papieren kosten tijd.
En pap?
Goed. Hij en Marjolein begrijpen elkaar wel.
Stilte.
Is dat goed of slecht? vroeg haar dochter.
Goed, zei Anneke. Denk ik.
Na het gesprek zat ze lang bij het raam, haar thee koud geworden. Ze dacht: elkaar begrijpen is neutraal, maar in haar mond werd het een aftastend zoeken naar stevigheid onder haar voeten.
Week vijf vroeg Marjolein om Annekes appeltaartrecept.
Die met kaneel, van laatst.
Ik heb dat niet uitgeschreven. Doe alles op gevoel.
Wil je het uitleggen? Ik wil het zelf proberen.
Anneke legde alles rustig uit. Marjolein typte mee. Drie dagen later bakte ze de taart. Willem proefde, zei lekker en Anneke wist niet meer of hij het zei omdat hij het lekker vond of omdat hij geen verschil meer merkte tussen de baksters.
Die avond opende ze de halkast; daar hing een lichtgrijze jas met ceintuur, bijna identiek aan die van haar. Marjolein had er duidelijk zelf een gekocht. Anneke hing haar eigen jas ernaast, keek lang naar de twee grijze jassen schouder aan schouder.
Zij vroeg niets. Niet uit angst voor een antwoord, maar omdat er geen manier bestond dat beleefd te vragen.
Het werk was druk de MBO-school bereidde zich voor op inspectie, Anneke werkte laat. Willem zat veel in de woonkamer, met Marjolein. Achter gesloten deuren hoorde ze hun dialogen. Soms liep ze binnen, het gesprek stokte niet, het draaide zacht naar haar toe maar Anneke was bijfiguur, geen hoofdrol.
Op een avond sprak ze erover met Willem, toen Marjolein naar haar kamer ging.
Wil je het niet raar vinden, vroeg ze zacht, dat ze zo… op mij begint te lijken?
Hij keek haar onbegrijpend aan.
Wie? Marjolein?
Ja. Haar haar, jas, de recepten, mijn parfum.
Vriendinnen nemen dingen over. Dat is heel gewoon.
Misschien wel, zei Anneke. Misschien.
Hij dook in zijn telefoon. Gesprek voorbij.
Daarna lette ze scherper op. Bij Willem kantelde Marjolein haar hoofd naar rechts als ze luisterde. Precies zoals zijzelf altijd deed. Marjolein zei nou precies, waarbij ze precies uitrekte als Anneke. Ze dronk thee zonder suiker vroeger nam ze altijd twee lepels. Nu: zonder.
Geen toeval meer. Iets anders was bezig.
Ze belde haar collega Nienke, om lucht te geven aan het rare gevoel.
Nien, heb jij ooit meegemaakt dat iemand naast je gewoon… jou wordt?
Hoe bedoel je?
Jouw uiterlijk, je woorden, je gewoontes.
Dat noem je stille jaloezie, zei Nienke stellig. Heb ik laatst over gelezen. Iemand wil jouw leven, maar kan het niet direct nemen. Dus pakt die het stukje bij beetje.
Anneke zei niets.
Is er zo iemand bij jullie?
Ik weet het niet, zei Anneke. Maar zij wist het al.
Uiteindelijk kwam het gesprek zonder dat zij het zelf wilde. De keuken, twee kopjes thee. Marjolein zei uit het niets:
Anneke, jij bent zon afgewerkt mens. Alles klopt bij jou. Huis, man, werk. Alles netjes.
Ik werk al twintig jaar aan netjes, lachte Anneke.
Ik zie het. Je straalt het uit. Willem zei het ook…
Ze stopte.
Wat zei Willem dan?
Hij waardeert je echt. Hij zei dat jullie elkaar begrijpen.
Anneke zette haar mok neer.
Praat je met hem over mij?
Ach, gewoon tijdens een gesprek soms. Hij prijst je.
Dat is fijn, zei Anneke. Maar ze voelde het tegenovergestelde.
In het diepst van haar hart wist ze niet te zeggen waarom het niet fijn was. Man prijst vrouw bij vriendin wat kan daar kwaad aan? Maar het knaagde. Intuïtie, lachte ze vaak om, werkte nu als een brommende koelkast zonder woorden.
Week zes: Marjolein vroeg Anneke of ze haar parfum, Fresia, even mocht gebruiken.
Het mijne is op, en ik red het niet naar de drogist. Mag ik een paar keer spuiten?
Natuurlijk, zei Anneke.
‘s Avonds zag ze dat haar flacon nog amper voor een derde gevuld was. Vorige week zat er zeker nog meer in.
Ze zette het flesje weg, sloot het badmeubelkastje met een vergeten miniblockertje. Keek haar spiegelbeeld aan: Ik verstop parfum voor mijn vriendin. Wat voor vrouw ben ik?
Maar het flesje liet ze dicht.
Willem kwam die avond thuis met taart, vrolijker dan hij in tijden was elke keer als Marjolein er was, leek dat te gebeuren.
Leuk, zei hij. Even genieten van iets lekkers.
Marjolein reageerde precies zoals Anneke dat deed: niet uitbundig, niet schuchter exact juist. Alles was goed, correct. Anneke keek van de deuropening naar de scène. Marjolein lachte op het juiste moment, prees de koffie, legde haar hoofd net schuin genoeg. Zij deed alles zoals Anneke, maar met meer aandacht, frisheid, geen moeheid van drieëntwintig jaar huwelijk.
En Willem zag het. Misschien zonder het te beseffen maar hij zag het wel.
Anneke at een stuk taart, praatte mee, lachte mee. Alles leek normaal. Maar vanbinnen voelde ze iets wat ze niet kon benoemen. Zoals een kastdeur die nét niet helemaal op dezelfde plek hangt. Niets veranderd, alles net verschoven één centimeter.
Toen kwam de nascholing. De school stuurde haar voor vier dagen naar Amsterdam. De voorzitter vroeg het op vrijdag, Anneke zei maandag ja. Ze dacht: vier dagen alleen Willem en Marjolein. Ze schudde het gevoel af. Ze was niet achterdochtig, dacht ze. Gewoon te veel doordenken.
Ze vertrok woensdagochtend. In de trein las ze cursuspapieren, dronk koffie in een kartonnen beker, tuurde naar natte poldervlaktes. De cursus saai maar nuttig. s Avonds kort bellen met Willem.
Hoe gaat het thuis?
Goed. Eten gehad, alles oké.
Marjolein thuis?
Ja, op haar kamer.
Fijn. Welterusten.
Nacht.
Niets bijzonders, niets vreemds. Toch lag ze die nacht wakker in het saaie hotelbed. Dacht aan cursus, dochter, een nieuwe mok kopen. En ook weer aan Marjolein aan de twee grijze jassen, de fles Fresia.
Op donderdagmiddag belde haar directeur.
Anneke, morgen is alleen herhaling, dat ken je. Je kunt vanavond al naar huis.
Ze was tegen half tien thuis. Trein vroeg, taxi snel. Ze draaide stil haar sleutel in het nachtslot. Geen bel. Misschien sliep Willem.
Hij sliep niet.
In de woonkamer fonkelden twee waxinelichtjes. Op tafel stonden borden, glazen, ontbijtbakjes. Het huis rook naar eten en naar Fresia. De flacon had ze op slot gedaan Marjolein had dus inmiddels haar eigen gekocht.
Willem zat op de bank. Marjolein ernaast, in een blauw jurkje dat Anneke nooit eerder had gezien, wél in de snit en kleur die ze zelf vaak droeg. Haar in een boog naar achteren, haar handen netjes gevouwen op schoot. Ze praatten zacht. Toen Anneke binnenkwam, keken ze op.
Een lange drie seconden stilte.
Je bent vroeg, zei Willem.
Dat zie ik, antwoordde Anneke.
Ze zette haar tas neer, deed haar jas uit, langzaam, bewust.
Het is maar gewoon avondeten, begon Marjolein. We hebben net gegeten en…
Ik zie het. Dinertje, met kaarsen, zei Anneke. Ze was zelf verbaasd over haar gelijkmatige stem.
Willem stond op.
Niet alles opblazen…
Willem, onderbrak ze heel stil, vertel me niet wat ik niet moet doen.
Hij zweeg. Marjolein keek naar het tafelkleed.
Anneke liep naar de keuken. Schonk water in, dronk haastig. Tuurde naar de vensterbank, de potgeranium die ze altijd op woensdag water gaf. Ze herinnerde zich: afgelopen woensdag was ze niet thuis geweest. Toch stond de plant er fris bij.
Marjolein heeft water gegeven, dacht ze.
Terug in de woonkamer.
Marjolein, zei ze, kun je morgen iets anders vinden om te overnachten?
Marjolein keek op.
Anneke, ik snap dat het zo…
Kun je morgen iets anders regelen? herhaalde Anneke zacht.
Ja, zei Marjolein. Ik regel iets.
Prima.
Anneke trok zich terug in de slaapkamer. De deur dicht, niet op slot. Boven op haar bed, volledig gekleed, keek ze naar het plafond. Er rinkelden glazen achter de muur, gerommel van opruimen, daarna stilte. Dan een krakende logeerkamerdeur.
Willem bleef die nacht in de woonkamer slapen. Dat zei alles.
De volgende ochtend stond Anneke voor dag en dauw op. Zette koffie, keek uit het raam. Gouda sliep nog half. Vrijdag. Een vrouw met hond op straat, duiven op de dakrand. Normale ochtend.
Willem verscheen om acht uur in de keuken.
We moeten praten, zei hij.
Ja, zei Anneke.
Er is niks tussen mij en Marjolein.
Misschien.
Nee, niks.
Willem, zei ze, kijkend naar buiten. Het gaat mij niet om wat er wel of niet is. Het is wat ik gisteravond zag. Wat ik de laatste weken zag.
En wat was dat?
Ze draaide zich om.
Ik zag iemand die langzaam míj werd in mijn huis. Mijn kapsel. Mijn parfum. Mijn recepten. Mijn jas. Mijn bewegingen. En jij die dat opmerkt en het blijkbaar prima vindt. Omdat het ik ben, maar dan zonder vermoeidheid. Zonder drieëntwintig jaar gewoonte.
Hij zweeg.
Dit is geen vraag, zei Anneke. Het is gewoon wat ik zag.
Je overdrijft, zei hij langzaam.
Wellicht. Ze trok haar jas aan. Ik ga nu werken. Als ik thuis ben wil ik dat haar spullen zijn weggehaald.
Anneke…
En nog iets, zei ze in de gang. Blinde goedgelovigheid daar ben ik blijkbaar nog goed in. Ik heb te veel vertrouwd. Op jullie allebei.
Ze vertrok. De deur viel zacht dicht.
De school. Twee lessen. Namen opnemen, vragen beantwoorden. Thee drinken met Nienke die iets vertelde; Anneke knikte op de juiste momenten, maar hoorde het halve verhaal. Nienke keek begrijpend. Sommige mensen hebben geen vragen nodig.
Toen ze thuiskwam rond half vier, was de logeerkamer leeg en netjes. Geen spoor. Marjolein was schoon vertrokken. Enkel in de badkamer lag op het plankje een kleine witte kam, vreemd en plastic. Anneke pakte hem op en gooide hem zonder aarzelen weg.
Willem zat in de woonkamer, telefoon in de hand. Ze is weg, zei hij.
Ik zie het.
En nu?
Anneke hing haar jas op, liep naar de keuken, rommelde zonder doel in de kastjes.
We wonen al drieëntwintig jaar samen. Je kan toch niet zomaar…
Toch wel, zei ze. Geef me tijd.
Hoe lang?
Weet ik niet. Een paar dagen. Ik moet nadenken.
De dagen werden een week. Samen in huis als beleefde huisgenoten. Apart eten, apart slapen. Willem probeerde gesprek, Anneke reageerde kort. Niet uit boosheid, maar omdat ze haar gedachten niet in woorden wilden stoppen bang dat ze dan iets zou zeggen dat niet meer te herstellen viel.
Ze overpeinsde die week alles. Hoe het begon. Waarom ze Marjolein zonder bedenkingen had binnengelaten. Omdat dat zo hoort vrienden in nood. Omdat het normaal is. Wanneer had ze gemerkt dat er iets weigerde? Waarom gaf ze het zo laat een naam? Stille jaloezie, zei Nienke. Iemands persoonlijkheid kopiëren, haast onmerkbaar. Niet uit kwaadaardigheid, misschien uit leegte. Steeds een stukje meer via parfumgeur, via taartrecept.
Wat het meest stak was Willem. Hij had kunnen negeren. Of bespreken, of niet reageren op die verbeterde versie. Maar hij deelde taart, lachte, organiseerde diners met kaarsjes als ze weg was. Niet uit boos opzet, gewoon omdat het ging.
Week twee. Anneke belde haar dochter.
Ma, wat klinkt je stem anders?
Hoezo?
Gewoon… anders dan anders.
Misschien gaan je vader en ik uit elkaar, zei Anneke. De eerste keer hardop.
Lange stilte.
Door Marjolein?
Niet alleen daardoor. Ze liet vooral zien wat al speelde.
Wat speelde?
Weet ik niet uit te leggen. Hij was gewend geraakt aan mij, ik aan hem. Zo gewend dat we elkaar eigenlijk niet meer echt zagen. En toen kwam zij werd mij, maar dan beter. Frisser, opmerkzamer. En dat vond hij leuk.
Mam…
Laat maar. Ik huil niet. Ik leg het alleen uit.
Blijf je alleen?
Voorlopig wel. Het is goed zo.
Die zin voelde nu, voor het eerst, als écht haar eigen keuze.
Het gesprek met Willem kwam op zondagavond.
Ik denk dat we uit elkaar moeten gaan.
Hij zweeg lang.
Helemaal uit?
Ik weet het niet, maar ik wil ruimte. Uitvogelen wie ik ben zonder jou en dit huis.
Dit komt door die kaarsen? Anneke, het was gewoon een diner.
Willem, zei ze geduldig. Het gaat niet om die kaarsen. Die waren het laatste druppeltje. Er was al zoveel, en ik zag het, en zweeg, en noemde het gewoon, maar het was niet gewoon.
Ik weet niet eens wat ik fout doe.
Niets specifiek. Je zag mij niet meer. Als je mij had gezien, had je het verschil gemerkt tussen mij en iemand die doet of ze mij is.
Hij had geen antwoord.
We zullen het huis verkopen, of ik koop je uit. Niet nu, later. Er is tijd.
En waar ga je heen?
Ik ga huren. Hier of ergens anders. Kijken wat langskomt.
Op je tweeënvijftigste opnieuw beginnen, zei hij zacht met iets van medelijden, voor haar of zichzelf, zij wist het niet.
Ja, zei ze kalm. Sommigen beginnen nog later.
Ze liep richting keuken, keek onderweg in de badkamer. Pakte het afgesloten flesje Fresia, hield het even vast. Toen liep ze naar de prullenbak en zette het erin. Niet gooien, zetten.
In de dagen erna werkte Anneke planmatig. Belde een makelaar, juridisch advies voor de administratie. Langs bij Nienke, vertelde het kort. Nienke luisterde, knikte, en haar ja zei precies genoeg.
Boos op haar? vroeg Nienke.
Op Marjolein? Niet echt. Eerder op mezelf, omdat ik het niet zag toen het gebeurde. Omdat ik het gewoon noemde terwijl het dat niet was.
Je kon niet weten dat ze jouw leven wou.
Goedgelovigheid, zei Anneke. Het hoort bij mij.
Nee, gewoon vertrouwen. Dat is iets anders.
Misschien.
En op Willem?
Meer, denk ik. Maar het is stille boosheid. Die gaat wel over.
Wat ga je doen?
Huren. Kapsel veranderen. Andere parfum kopen. Korte stilte. Geen Fresia meer.
Verstandig.
En misschien ontdekken wat ik zelf leuk vind, niet wat gewoon is.
Een hele ontdekkingstocht.
Ik heb tijd.
Nienke schonk thee bij. Buiten viel zachte, lauwe Hollandse regen. Anneke realiseerde zich dat ze vroeger precies wist wat haar leven was: huis, werk, Willem, routes, recepten, flesje parfum links in de badkamer. Alles op zijn plek. Nu niet meer, maar het deed geen pijn. Het voelde vreemd, schaamtevol zelfs: als een jas die lang heeft gekneld zonder dat je het doorhad.
Ik weet nu niet wat volgt, zei ze tegen Nienke, en dat valt te dragen.
Te dragen, herhaalde Nienke en glimlachte. Goed woord.
Zeven dagen later vond Anneke een appartement in een andere wijk van Gouda. Klein, licht, met zicht op het park. Duur, maar te doen. Ze bezocht het, liep rond, hoorde de parketvloer zacht piepen dacht: Dit lukt.
Nemen? vroeg de oudere verhuurster.
We beginnen met een jaar, zei Anneke.
Thuis, in wat nu niet meer haar thuis voelde, begon ze langzaam te verhuizen. Niet dramatisch, gewoon per steek. Spullen sorteren. Boeken, servies, kleding. Oude blouse gevonden, jaren ongedragen, maar altijd bewaard. Ze stopte hem in de weggeefzak.
De grijze jas met ceintuur deed ze ook weg, kocht een nieuw donkerblauw exemplaar, van ander model. Ze keek in de spiegel: niets meer van Marjolein eraan. Goed.
Met Marjolein geen contact. Eén appje kwam: Anneke, het spijt me. Vergeef me als het lukt. Anneke las het, legde de telefoon weg. Geen antwoord. Niet omdat ze niet vergaf, maar omdat er niets meer te zeggen was.
Willem bleef. Contact op basis van noodzaak, niet meer. Vreemd, pijnlijk, toch ook opluchting. Hij leek niet te begrijpen wat hij eigenlijk miste.
De vrijdag voor de verhuizing ging Anneke nieuwe parfum kopen. Lang gewikt, voorzichtig geproefd. De jonge verkoopster was geduldig. Uiteindelijk koos ze Zilveren Ceder. Geen bloemen meer; houtig, warm, totaal anders. Precies daarom.
Goede keus, zei het meisje.
We zullen zien, glimlachte Anneke.
De verhuizing duurde een halve dag. Nienke hielp, Willem ook zij liet het toe. Iedereen werkte in stilte. De spullen vonden hun plek in het nieuwe huis, op een nieuwe plek, dit keer helemaal zelf gekozen.
Toen alles klaar was en ze alleen was, opende Anneke het flesje Zilveren Ceder en rook aan haar pols. Onbekend, niet onprettig. Nieuw, en dat was voldoende.
Buiten stond het park kaal, de lantaarns brandden vroeg. Anneke zette thee, vond haar onbeschadigde mok, ging voor het raam staan.
De telefoon trilde: dochter.
En, mam? Al gesetteld?
Ik ben bezig.
Spannend?
Anneke keek naar de lichtbollen in de mist.
Nee, zei ze. Eigenlijk niet.Ze zweeg even, luisterde naar haar eigen ademhaling, zo stil als de kamer. Toen streek ze haar hand door haar haarkort nu, weer een beetje anders. Achter haar piepte het parket bij elke beweging.
Het voelt als een lege bladzijde, zei ze zacht. Maar geen angstige. Meer als… een uitnodiging.
Aan de andere kant van de lijn hoorde ze haar dochter glimlachen. Dan schrijf je hem maar vol, mam. Op jouw manier.
Anneke lachte, een kort, licht geluid dat haar tot in haar ribben verraste.
Dat ga ik doen, zei ze.
Ze hing op, zette haar kop thee op het vensterbankje. Buiten viel de avond open en zacht. Ze stond een tijd in het kleine raamlicht, ademde langzaam haar nieuwe geur in en uit.
En ineens had ze zin om morgen ontbijtje te halen bij de bakker die ze niet kende, door het park te lopen zonder vaste route, en misschien zelfs haar haar te laten verveniets warms, koper, of zomaar een tint die nog geen geschiedenis droeg.
Dit was haar ruimte, haar onbekende ochtend. De sleutel lag in haar jaszak, het huis rook straks naar ceder, en alles wat zich aandiende zou van haar zijn, niet per ongeluk, niet gekopieerdmaar zelf gekozen, vers, nog helemaal leeg.
Dus schonk ze zichzelf nog een kop thee in en glimlachte simpel, klaar voor stilte, klaar voor alles wat haar, eindelijk, weer toebehoorde.






