Ik wilde je even een verhaal vertellen misschien heb je zin om te luisteren, misschien niet, maar het zit al de hele tijd in mn hoofd. Het gaat om Hanneke en haar schoonmoeder, Wilma van den Broek. Je weet hoe dat soms kan gaan, een soort kruispunt tussen vroeger en nu, en alles voelt ineens anders.
Dus Hanneke belt aan bij het oude portiek aan de Brouwersgracht in Haarlem, zon typisch oud flatje met een groezelige loper op de gang. Ze weet dat Wilma er blijft wonen, want dat huis is meer dan alleen bakstenen daar zit heel de geschiedenis van de familie Van den Broek in. Het matje waar je je schoenen afveegt, zon blauw met wit gebloemd ding, heeft ze ooit nog zelf gekocht. Ligt er nog, na al die jaren, een beetje versleten maar niet weggegooid.
De eerste ontmoeting is dus gelijk ongemakkelijk. Wilma doet open, blijft staan in het deurgat, alsof ze meer dan de woonkamer wil barricaderen je kent het wel, beetje beschermend, beetje wantrouwig.
Wat kom je nou doen, Hanneke? Geen poespas bij Wilma.
Hanneke kijkt opzij, haalt adem. Hoi Wilma. Zie je, ik liep toch in de buurt Er was nog licht boven.
Om tien uur s avonds?, bromt Wilma.
Bus had vertraging, Hanneke schouders ophalen. Moest nog even bij de halte wachten.
Wilma knikt stug, doet een stap achteruit en loopt naar de keuken zonder iets te zeggen. Iets in haar houding is toch een stille uitnodiging, dus Hanneke volgt, trekt haar regenjas uit en hangt die over de rechterhaak even dacht ze links, maar daar hing een oude badjas en Wilmas zelfgebreide mutsje.
Op de keuken ruikt het anders dan vroeger. Toen hing er altijd zon beetje rook van Jan zijn jas, weet je nog, hij rookte van die zware shag. Nu alleen de geur van thee Wilma heeft de waterkoker al aangezet, maar dat is meer om zichzelf een houding te geven dan om echt gastvrij te doen.
Ik heb je lamp gezien van buiten. Hanneke zegt het bijna aarzelend.
Wilma haakt haar handen om de dikke mok, zegt kortaf: Ga je zitten dan. Je bent er nu toch.
En daar zitten ze: tegenover elkaar aan die kleine, houten keukentafel, twee koppen thee ertussenin, Wilma schuift zwijgend een suikerpotje richting Hanneke. Automatismes geen woorden nodig, want zo zit dat bij ons: een gast is een gast, ook als je hoofd daar niet aan toe is.
Wilma haar vingers trillen een beetje om de mok. Hoe gaat het met je?
Gaat wel. Zoals altijd, haast Wilma zich te zeggen.
Hanneke kijkt naar die handen, groeven van de tijd erin, en ze merkt: die knijpen iets te strak voor zon gewone dag.
Ik wil graag even praten, zegt Hanneke dan voorzichtig.
Wilma kijkt op Waarover?
Van alles een beetje.
Pfff, Wilma trekt haar schouders op. Gaat het weer over die papieren?
Niet alleen.
Stilte. Wilma nipt van de thee, zet de mok iets te hard terug.
Dat regel je maar met de notaris. Ik heb alles al gezegd.
Weet ik.
Wat kom je dan herhalen?
Het is geen vraag en Hanneke laat het zo. De thee te heet haar gedachten blijven bij dingen van vroeger. Buiten motregent het, die typische Hollandse herfstregen waar alles van gaat glimmen onder de lantaarns.
Hanneke kent deze keuken op haar duimpje. Weet dat achter in de la oude batterijen liggen en restjes touw, want Jan gooide nooit iets weg. Onder de gootsteen altijd een emmer het lekje in de leiding komt ieder najaar terug. Ze weet zelfs dat er achter de koelkast een muntstuk ligt van één euro dat ze ooit met hun zoon, Jelle, probeerden los te krijgen met een lineaal. Jan en Jelle de grootste lol, zij erbij, alles in het teken van het gezin.
Jelle Drie maanden inmiddels, maar alles voelt nog rauw.
Ik heb kersenjam meegenomen, zegt Hanneke. Uit mn tuin in Overveen, zit in de tas bij de deur. Weet niet of je het gezien hebt.
Wilma knikt. Gezien.
Je vindt die lekker toch.
Vond Ze stopt even. Vind.
Dat soort verspreking zegt alles, hè. Alsof tijd soms tegelijk loopt en stil staat.
Hanneke snapt dat. Ze heeft haarzelf ook betrapt, ineens nog in de tegenwoordige tijd spreken, als over dode mensen. Voelt vreemd, maar ook troostend, soms.
Dan zegt Hanneke ineens: Ik hoorde dat je bij Ria in Nijmegen op bezoek wilde gaan.
Ja, wilde. Ben er nog niet aan toe gekomen.
Waarom niet, dan?
Wilma wuift het weg. Gedoe. Je weet wel.
Hanneke ziet aan haar: er is geen gedoe. Eigenlijk durft Wilma niet voor lang weg. Bang om het huis alleen te laten, bang om terug te komen in een leegte, bang misschien dat Ria te lief zal doen Wilma heeft er een hekel aan als mensen haar zielig vinden.
Hanneke slaat haar ogen neer. Ik ben niet voor die papieren gekomen, echt niet.
Echt niet, herhaalt Wilma, nu niet boos maar eerder uitgeput.
Ik snap dat je kwaad op me bent.
Ik bén niet kwaad.
Oké.
En dan komt het, breekt er ineens iets door bij Wilma. Ik snap gewoon niet hoe dat kan. Zes maanden alweer, en jij lijkt verder te zijn. Maar ik ik sta hier nog.
Hanneke zegt niets. Geen zin om dingen te ontkennen of te sussen. Ze pakt haar thee weer.
Wilma is inmiddels opgestaan, kijkt uit het raam naar het natte stoepje, de rimpelingen van het licht op de keukenvloer.
Jelle hield van jou, weet je. Misschien meer dan jij zelf besefte.
Ik weet het.
Daar ben ik niet zo zeker van, zegt Wilma zacht.
Het wordt stil het soort stilte die in de lucht blijft hangen, samen met het getik van de regen.
Ik zeg niet dat je slecht bent, Hanneke, vervolgt Wilma. Nog steeds met de rug naar haar toe. Je bent nog jong, 42, heel je leven voor je. Ik ben 68, en ik had één zoon. Niet meer.
Ik weet het.
En dan kom je met kersenjam.
Dat zou naar kunnen klinken, maar het valt eigenlijk precies goed. Hanneke vindt het eerlijk, ook al kan ze er niks op antwoorden.
Ik kan niet anders, zegt ze dan. Zonder woorden lukt het me niet. Met lege handen binnenkomen vond ik nog moeilijker.
Wilma draait zich om, kijkt haar aan. Heb je gehuild? Voor je binnenkwam?
Ja. Op de trap.
Iets verzacht in Wilmas gezicht. Ze gaat weer tegenover haar zitten.
We zijn allebei niet goed wijs, zegt ze ineens, bijna met een glimlach. En dat is het eerste echte contact van de avond.
Even praten ze niet. De regen wordt harder, bonkt tegen de ramen.
Wil je me dan uitleggen wat je nou precies raakt aan dat testament? Niet via een jurist, maar van vrouw tot vrouw.
Wilma lijkt verbaasd door de vraag alsof ze niet gewend is zelf te mogen vertellen.
Het gaat om de flat, zegt ze. Die van Jelle was, die we met Jan na jaren samen hebben gekocht. We wilden dat hij iets had zijn eigen plek. Hij woonde daar, jij ook, en das niet erg. Maar nu ben ik bang alles kwijt te zijn. Op papier
Gaat-ie naar mij, beaamt Hanneke.
Jullie waren niet getrouwd, zegt Wilma.
We hebben zes jaar samengeleefd.
Weet ik. Wilma vouwt haar handen. Maar toch. Hij zou het vreemd vinden als ik nu ineens niks meer te zeggen heb.
Hij heeft het zelf zo opgeschreven, Wilma.
Dat weet ik. Eerst was ik gewoon boos. Nu niet meer. Nu snap ik het gewoon niet.
Wat niet?
Waarom je het houdt. Je hebt Lotte de dochter van de buurvrouw verteld dat je misschien verhuist. Waarom hou je het dan vast?
Hanneke zucht. Ik was in de war toen. Wist het niet meer. Nu weet ik het nog steeds niet.
Als je het verkoopt begint Wilma.
Dat doe ik niet.
En áls, wil je het me dan als eerste zeggen? Niet anderen, maar mij?
Dan valt het kwartje bij Hanneke: het gaat niet om het huis of om euros. Gewoon om het mogen weten, niet buitengesloten worden. Dat hun gedeelde stuk Jelle niet ineens voorgoed wegvalt.
Jij hoort het als eerste. Beloofd.
Wilma knikt en schenkt zichzelf koffie in. Ze kijkt niet op.
Heb je wel gegeten vandaag?
Vanmorgen.
Oh Han, dat is veel te lang geleden. Ik maak soep warm. Vermicellisoep.
Graag.
Terwijl Wilma de soep opwarmt, kijkt Hanneke naar haar rug. In een ander leven waren ze misschien dik bevriend geweest, samen in de tuin bij de volkstuinen of zo. Misschien ook niet misschien zijn sommige mensen niet voor échte vriendschap gemaakt, maar zijn ze teveel verbonden voor onverschilligheid.
De soep smaakt goed makkelijk, en precies zoals thuis vroeger. Wat wortel erin, prei, vermicelli, wat peterselie. Niet spectaculair, maar voedzaam.
Lekker, zegt Hanneke.
Niet overdrijven, moppert Wilma, maar je hoort dat ze het goed bedoelt.
Dan, heel zacht: Hij zocht je in het ziekenhuis. Weet je dat?
Hanneke verstijft. Wat?
Toen je naar dat congres was in april. Hij moest toen worden opgenomen. Ik reed daarheen, en hij vroeg iedere dag Wanneer komt ze terug? Ik zei: ik weet het niet. Hij: vandaag dan? Of morgen? Of overmorgen? Iedere dag weer.
Hanneke legt haar lepel neer. Ik was er de dag daarna, toen ik het hoorde.
Weet ik. Dat zeg ik niet met verwijt, Han. Gewoon, zodat je het weet. Jij en ik, als enige nog.
Ze vult de stilte. Hij zei niet dat hij bang was.
Ik dacht altijd dat ik hem niet moest overladen. Hij hield niet van medelijden.
Nee, klopt. Misschien was het goed zoals je het deed. Misschien niet. Wie zal het zeggen.
Het blijft even hangen.
Samen ruimen ze af zonder veel woorden. Hanneke droogt, Wilma spoelt af. Het voelt even bijna vertrouwd.
Wilma pakt dan een half aangebroken pak biscuit uit de kast. Het soort koek dat je bewaart voor het geval dat, niet per se voor bezoek.
Lotte dringt erop aan dat ik bij de aquarelcursus ga. Elke donderdag in het buurthuis. Zie je me al zitten?
Waarom niet?
Ach kind, daar ben ik toch veel te oud voor.
Dat is precies de juiste leeftijd, Wilma!
Ze grinnikt. Jij klinkt als een maatschappelijk werkster.
En jij als iemand van honderd.
Zestigacht. Dat is geen honderd.
Precies.
Wilma vertelt dan over hoe haar leven altijd gevuld was met Jan, Jelle, werk, familie. Nooit tijd om te leren “gewoon te zijn”. Gewoon schilderen om het schilderen voelt misschien als verspilling.
Misschien moet je het eens proberen.
Makkelijk praten, zegt Wilma.
Moeilijker om niks te zeggen. Ik vind het ook moeilijk.
Zou je dan ook in het buurthuis gaan?
Nee, maar soms weet ik niet waar ik heen moet als ik thuis ben. Dan mis ik dat Jelle binnenkomt, onzin uitkraamt, en alles weer klopt.
Even zijn ze stil.
Hij kon goed onzin uitkramen, lacht Wilma.
Dat had hij van jou, lacht Hanneke terug.
Dan wordt ze plotseling serieus; begint anekdotes van vroeger te vertellen. Jelle, die een kat mee naar huis nam, de lol om programmeren in zijn pyjama, de vakanties van het gezin aan zee. Kleine dingen. Ze bladeren samen door een doos, door oude schoolschriften Hanneke tilt een schriftje op: Jelle van den Broek, Groep 4, Basisschool De Regenboog.
Kijk dan, fluistert ze.
Ja precies zo voel ik het nog steeds, reageert Wilma. Ze laten het verleden even helemaal toe, en dat doet zeer, maar het heelt ook.
Het is laat, bijna twaalf uur. Hanneke kijkt op haar mobiel en schrikt. Ik moet de laatste bus nog halen.
Blijf gewoon hier, zegt Wilma onverwacht. Logeer gewoon. Ik maak het bed op de bank wel klaar.
Hanneke sputtert dat het niet hoeft, maar het is Wilmas manier van zorgen. Dus Hanneke blijft.
Terwijl Wilma beddengoed pakt, wast Hanneke af, kijkt naar haar eigen spiegelbeeld in het donkere raam: een zachte, gele keukenlamp, haar schaduw, een gewone avond, toch ongewoon. Drie maanden geleden had ze dit nooit durven voorstellen.
Ze weet: rouw en familie, dat past nooit helemaal in regels. Soms moet je het maar uitzitten, zonder woorden, terwijl het langzaam schuift en er ruimte komt.
Hanneke ligt op de bank onder Wilmas vertrouwde ruitjesdeken. Op de plank boeken van Jan, vergeeld, en een dun boekje met een vouw in de kaft ze pakt het, bladert. De eerste bladzijde: Voor mama, lees dit rustig. Ik hou van je. Jelles handschrift.
Ze zet het terug. Kijk lang. Wilma scharrelt zachtjes in de andere kamer, tik van een kraan, leven dat doorgaat.
De ochtend. Havermout op tafel, gewoon met boter en wat zout, net als Hannekes moeder vroeger deed. Buiten nat, alles grijs, oktober is winderig en nat deze maand.
Hoe laat moet je op je werk zijn? vraagt Wilma.
Tien uur, geen haast. Met de metro is het zo gefixt.
Dat is al de derde halte, toch?
Klopt, zegt Hanneke, verrast dat Wilma dat onthouden heeft.
Ja, dat zei Jelle altijd.
Wilma schuift dan een oude envelop naar haar toe. Van die keer tijdens militaire oefening. Hij moest niet in dienst, maar zijn studieclubje was een week op bivak. Hij schreef toen altijd brieven naar huis. Even laten zien, mag je straks meenemen.
Hanneke vouwt de brief open, drie blaadjes met rafels. Jelle beschrijft de Hollandse mist die zo over het veld hangt, een oude populier in de verte, heimwee naar moeders appeltaart, het verlangen naar rust alles in zijn eigen, hoekige handschrift.
Mag ik deze kopiëren of een foto maken?
Wilma schudt haar hoofd. Nee, gewoon houden. Voor jou. Het is goed zo.
Geen grote woorden meer. Gewoon samen de vaat, droogdoek over en weer.
Je moet toch snel eens naar Ria. De flat loopt niet weg, merkt Hanneke op.
Ria belde vorige week al. Ze zegt dat ze zich gepasseerd voelt.
Nou dan tijd om te gaan.
Wilma bromt We zullen zien, maar iets in haar houding lijkt opgelucht.
Je mag altijd langskomen, hoor, zegt Hanneke, bijna verlegen. Niet vaak. Maar af en toe.
Wilma vouwt de handdoek dubbel. Kom gerust, bromt ze. Ik maak weer soep. Met vermicelli?
Prima.
Afgesproken.
Hanneke trekt haar jas aan, pakt haar tas.
Dankjewel voor de nacht.
Ach, ga nou maar. Anders ben je te laat op werk.
Nog bij de deur draait Hanneke zich om. Dat boek van Jelle, dat op de plank lag heb je het gelezen?
Begin gemaakt. Doe het rustig aan. Jelle schreef: lees langzaam Kende hij me toch goed, hè.
Hanneke lacht, zwaait, vertrekt.
Op de overloop de bekende geur van oud gebouw en verse verf. De lamp op de tweede verdieping flikkert, maar blijft gelukkig aan. Buiten leven mensen hun gewone ochtend, duiven pikken in hun eigen tempo het brood alles gaat verder, en toch voelt alles anders.
In de metro appt ze Wilma: Goed aangekomen. Dank voor de havermout.
Pas tijdens het werk, in de lunchpauze, antwoordt Wilma: Graag gedaan. Jam staat in de kast.
Dat was het: jam in een vreemde keukenkast. Een brief onderin je tas. Een nacht op een oude bank. Een stilte waarin niet alles hoeft worden gezegd. Misschien is dat hoe het moet. Twee vrouwen, verbonden omdat ze één iemand hebben liefgehad, allebei op hun eigen manier.
Een paar dagen later, op vrijdagavond, belt Wilma: Han, ik ga zaterdagochtend naar Ria. Blijf tien dagen.
Goed zo fijne reis.
Bedankt O ja, als je volgende keer weer in Haarlem bent, neem dat boek maar mee. Het is van Jelle, het hoort jou ook toe.
Hanneke glimlacht, lepel in de soep, kijkt even uit het raam. Iemand, ergens in Nederland, wacht nu aan een tafel, andere mensen gaan verder maar de draad tussen hen blijft.
Dat is wat blijft. Niet de euros, niet het notitieboek. Maar een pot jam in een andere koelkast, een zin op de eerste bladzijde van een boek, de wetenschap dat iemand leest langzaam liever heeft dan nu alles oplossen.
Hanneke roert haar soep. Ze weet niet wat er morgen is. Maar nu is er soep, brief, boek en jam die wacht tot ze eens weer samen eten.






