Vogeltje
Marja! Waarom duurt het zo lang?! Ik wacht al op je, kom zitten! Anna, de buurvrouw van Marja van Dijk, schoof wat heen en weer op het bankje om het zich comfortabel te maken.
En wat dan nog? Wat een heerlijke avond! Waar zou je binnen moeten blijven? Daar heb je alleen de tv en Dikkie, haar kat. Saai! Maar op het hofje het is lente! Eigenlijk nog vroeg, april pas, maar het is al warm. Zelfs de kersenboom, die nog door Annas man Jan ooit onder het raam is geplant, is wakker geworden en staat volop in bloei. En het bankje onder die boom, ook door Jan gemaakt, staat uitnodigend klaar. Anna had hem vorige week gelakt, nu glanst hij alsof-ie nieuw is! Hij wacht alleen nog op de vaste rij buurvrouwen voor hun gebruikelijke praatje. Over de kinderen, kwaaltjes, het leven en de liefde.
Waarover praten vrouwen anders? En ze kennen elkaar door en door, maar toch valt er altijd wel iets nieuws te ontdekken. Met een reden om verder te kletsen. De kinderen groeien, de pijntjes nemen toe, en liefde? Daar is nooit te veel van. Eerder te weinig. Je zit telkens te hopen op een onthulling, met open mond en ingehouden adem. Hoe het is als iemand écht van je houdt. Je hoort het aan en het lucht op. Zelfs als het in je eigen hart een stille, lege woestijn is als een ander het kent, dan is het nog niet uitgestorven. Het bestaat. Het straalt, verwarmt, en geeft leven
Anna, voor de hele buurt gewoon Annetje, kent haar buurvrouw Marja al zo lang als ze zich kan herinneren. Meer dan vijftig jaar al wonen ze op dezelfde galerij. Toen ze kleine meiden waren, lieten hun moeders de deuren op een kier zodat ze niet telkens op en neer hoefden te rennen om de deur op slot te doen. Iedereen wist: als de kinderen niet in het ene huis waren, dan wel in het andere. Later dachten de moeders toch weer aan het slot, vooral toen Anna en Marja op pad gingen, op zoek naar hun geluk.
Toen waren ze zes jaar oud.
Annas oma kwam logeren. Zij vertelde de meisjes dat het belangrijkste in het leven is om het geluksvogeltje bij zn staart te pakken en vast te houden. Dán zou alles goedkomen. Het leven zou gemakkelijk worden, niemand zou klagen iedereen gelukkig.
Van het leven snapten ze niet veel, maar iedereen gelukkig herinnerden ze zich maar al te goed. Want wie zou niet willen dat hun ouders ophielden met ruziën om niets? Dus besloten ze op zoek te gaan naar het geluksdiertje.
Helemaal omdat Anna zeker wist waar de vogel zat: in het buurhuis! Bij die nare man met de krakende stem. Die bracht de vogel soms mee naar buiten. Prachtig! Helemaal bont gekleurd, groot! Maakte een gek geluid. Maar zij wist het zeker dat móet het geluksdiertje zijn! Zelfs in Artis, waar ze soms met hun ouders heen gingen, was er niet zo een.
Ze bereidden hun zoektocht zorgvuldig voor.
Op Annas balkon vonden ze een oude kooi. Daar had oma ooit een konijn uit de polder in gehouden.
Je moest de vogel toch ergens in stoppen? Je kon hem toch niet de hele tijd aan zn staart vasthouden? Daar krijg je lamme armen van, en wie moet dan het ijsje vasthouden dat je zeker krijgt als je eenmaal gelukkig bent?
Ze namen brood en koekjes mee. Wie weet waar zon vogel van houdt? Marja, na even denken, deed er nog een lekkere toffee bij. Je weet maar nooit! Iedereen houdt van snoep. Het zou toch jammer zijn als de vogel hun brood niet lustte.
Ze maakten zich niet druk om snel te zijn. Het was immers een serieuze zaak! Anna’s oma was al weer naar huis, had beloofd haar kleindochter mee te nemen voor de zomervakantie. De ouders waren vakantie aan het plannen. Samen met de buren, twee gezinnen in één auto dat scheelt geld. Gelukkig is het strand niet ver, hooguit een paar uur rijden. Tijd om te slapen heb je niet eens. Daar heerlijk! Het huis waar ze logeerden was wel oud, maar stevig. Grote tuin, met schommel. En dicht bij zee. Genieten!
Anna verheugde zich daarop, maar had vooral met haar vriendin te doen. Marja had geen oma. Niet één! Hoe kan dat nou? Een kind zonder oma? Wie verwent je dan stiekem achter de rug van je ouders? Wie verzint een mooi sprookje, eentje die langer duurt dan over de kabouter omdat er nog zoveel afwas is? Wie haakt een zonneklepje voor je met een mooi lint, net een echt hoedje?
Anna dacht: als ze samen dat vogeltje vinden, krijgt Marja ook een oma. Misschien wel eentje uit hetzelfde polderdorp als de hare. Dan kunnen ze elke zomer samen spelen. Dat was de moeite waard.
De dag voor vertrek renden ze hun moeders toe: We gaan bij de buurvrouw spelen! De deur zachtjes dicht, zodat de wind hem niet dichtsloeg, dempten ze grijnzend hun gegiechel en liepen de trap af.
Hun eigen hofje, het buurhofje op, en daar stond het grauwe, troosteloze huis van de man met de vogel.
Maar het was stil en leeg. Drukkend warm; iedereen binnen of aan het werk.
De meisjes wisselden een blik. Hoe moesten ze nu dat geluksvogeltje vinden? Niemand om het aan te vragen Marja trok al een pruillip, neusje ervan in de plooi bijna in tranen. Maar Anna gaf niet op. Wie anders zou hun dromen waarmaken een oma voor Marja, een doos vol ijs, nieuwe stipjesjurken. Dezelfde, zodat iedereen kon zien dat ze vriendinnen waren! En de ouders Die zouden ook weer ruziën als ze de vervelende vogel niet vonden!
Waarom vervelend? Omdat als het een goede vogel was, hij toch wel buiten in de boom zat? Niet! Nu moesten ze hem zoeken.
Anna keek om zich heen, greep Marja bij de hand en trok haar naar de ingang. Niks aan zn lot overlaten! Gewoon aanbellen en vragen waar woont de geluksvogel?
Zoveel deuren, zoveel huizen En dat was pas één opgang! Soms deed er niemand open. Soms een boze vrouw die riep dat ze niet moesten klieren.
Maar Anna en Marja gingen verder en klopten overal waar ze niet bij de bel konden.
Waar woont de geluksvogel?
Wat zijn grote mensen soms raar! Gewoon een simpele vraag, waarom zo moeilijk? In plaats van antwoorden lopen ze mopperend te zwaaien. Ééntje dreigde zelfs een tik te geven. Ze renden weg, maar de groene deur met het vreemde handvat onthielden ze goed daar gaan ze nooit meer aan kloppen. Bij boze mensen woont geen geluk.
Eén deur echter bracht geluk: een oudere jongen deed open en haalde zijn schouders op.
Kom maar binnen!
Een geluksvogel was er niet, maar wel heel veel bijzonders waardoor de meisjes tijd en doel vergaten.
Ze keken hun ogen uit: enge maskers aan de muur, grote schelpen waar je de zee in kon horen ruisen, een gedetailleerd model van een VOC-schip, compleet met zeilen en matrozen.
Heb ik met mijn vader gebouwd. De Eendracht.
Echt waar? Zoals ik heet! riep Anna stralend.
Jij heet Anna? Mooi! Net als mijn moeder.
En waar is zij?
Mijn moeder werkt. Ze is zo thuis. Maar waarom zijn jullie alleen op straat? Krijgen jullie geen straf?
Toen pas herinnerden de meisjes zich het geluksvogeltje, dat het allang lunchtijd was en hun moeders vast op zoek waren. En straf urenlang in de hoek
Marja! Rennen!
Anna, haar vriendin bij de hand, vergat de kooi en stormde naar de deur.
Wacht! riep de jongen achter hen aan. Hier!
De veren waren zo mooi, dat de meisjes in verwondering verstijfden.
Wat is het?
Pauwenveren! Mijn moeder werkt in Artis. Neem maar mee!
Stil van opwinding namen ze het lichte geschenk aan en holden naar huis zonder zelfs gedag te zeggen.
Thuis wachtte hen een storm!
Huilende moeders zwierven radeloos over het hofje, hun dochters roepend. Vaders stonden bij de flat, sigaret na sigaret, in afwachting van de wijkagent die had gezegd: blijven, tot hij zei wat te doen.
Toen ze de meisjes zagen, zakte Marjas moeder midden op de speelplaats op de grond.
Ze zijn terecht
Daarna was het alles: tranen, knuffels, een standje. Niet veel tijd voor straf de ouders moesten aan het werk.
Een paar dagen later zaten de meisjes samen op de oude schommel bij het vakantiehuisje en fluisterden:
Weet je, Marja, wij hoeven dat geluksvogeltje niet!
Waarom niet?
Oma zei altijd: geluk is dat je geliefd bent.
En?
Nou, als ze niet van ons hielden, zouden ze ons dan zo zoeken als we weg waren? Zouden ze zo bang zijn om ons kwijt te raken?
Nee
Zie je wel! Dus we zijn gewoon gelukkig!
Ik weet het niet.
Maar ik wel!
En je ouders dan?
Hebben ze deze twee dagen ruzie gehad?
Nee
Kunnen ze dus best. Ze willen gewoon niet altijd. Geen geluksvogel kan daar iets in veranderen, snap je?
Ja
Die zomer is het mooiste dat ze ooit gezamenlijk beleefd hebben.
Als Anna nu Anne van Dijk aan haar leven terugdenkt, is ze altijd blij dat ze iemand had om herinneringen mee te delen. Niet gewoon delen, maar navragen als je wat kwijt bent. Samen onthoud je meer.
En Marja wist altijd alles beter te onthouden. Ze was rustiger, bedachtzamer. Anna was levendig, altijd onderweg. Marja nam de tijd, dacht alles rustig na voordat ze iets deed. Snel-snel zorgt alleen voor ellende. Zo onthield ze alles alsof het gisteren was.
Toen Anna haar toekomstige man ontmoette, herkende ze eerst niets. Ze hadden al weken verkering, tot ze bij hem thuiskwam.
De Eendracht
Het schip stond nog precies zo als toen ze het bekeken hadden als kind. De meisjes waren inmiddels 23, Marja getrouwd, maar Anna voelde zich plots een klein meisje, bang om het matrozenpoppetje te breken.
Na hun bruiloft haalde Anna uit haar favoriete boek een veer, zorgvuldig bewaard al die jaren, en liet hem aan haar man zien.
Weet je nog?
Ze lachten samen, terwijl haar man zich het moment uit hun jeugd probeerde te herinneren.
Wat volgde was dertig jaar geluk. Met zorgen en drukte. De eerste stapjes van hun dochter, daarna een zoon. Ziekte, waarbij Jan haar niet losliet en haar liet beter worden. En er kwam de dag waarop de tijd stil bleef en Anna simpelweg vergat te ademen. Omdat haar leven samen met Jan op was. Marja was erbij, raapte haar op en hield haar stevig tegen zich aan.
Houd vol, Anna. Je hebt kinderen
Anna kwam weer bij. Geluk is er nog steeds, anders, maar door Jan gegeven. Ook al zijn kinderen volwassen, maar zonder moeder achterblijven meteen na hun vader dat kan niet. Een kind heeft altijd steun nodig. Zoals oma zei:
Zolang er iemand tussen een kind en de hemel staat, is het geen wees. Dan is het gelukkig
Klopt. Dus moet je leven: voor je kinderen, je kleinkinderen. En zelfs als iedereen na een tijd uitvliegt werk, het hoort zo weet Anna zeker dat ze nog nodig is, en geliefd. Ze pakt haar koffer, koopt cadeautjes, reist naar haar zoon of dochter. Overal is ze welkom. Of ze wacht op vakanties dan zijn alle kleinkinderen bij haar thuis. Weer die vrolijke drukte. Ze slaapt weer slecht door de snurkjes naast haar. En het grote bed, waar zij en Jan altijd in lagen, blijft niet leeg. Zelfs haar oudste kleindochter, eerst verlegen, komt erbij liggen voor het slapengaan, net als de kleintjes. Dan luisteren ze samen naar haar verhalen, zelfs al kent haar oudste ze allang uit haar hoofd.
De rust keert langzaam terug. Stil geluk licht als een veertje. Misschien niet zo mooi als de veer die haar man ooit gaf, maar net zo dierbaar.
Niet iedereen heeft het zo getroffen. Sommige mensen vragen en smeken, maar het geluk komt niet. Marja en Anna hadden geluk. Het geluksdiertje hebben ze toen niet gevangen, maar ze zijn hun geluk niet misgelopen. Al snel ontdekten ze wat echte vrouwen gelukkig maakt. Gezonde kinderen dat is het belangrijkste. De rest volgt als je moeite doet.
Marja bleef proberen. Kinderen lukten haar eerst niet met haar man. Toch was de liefde groot iedereen viel het op. Altijd samen, altijd dicht naast elkaar. Anderen mopperden op hun mannen, maar over de hare had Marja alleen goeds te zeggen.
Zielsveel hielden ze van elkaar.
Anna had vroeger niet geloofd dat het kon. Totdat ze Jan ontmoette. En naar Marja hoefde je maar te kijken dan wist je: dáár woont liefde.
Marja en haar man hadden een grote familie vooral haar schoonzussen maakten het lastig. Altijd commentaar over van alles. Niet goed opgestaan, niet goed gezeten Marja werd nooit gespaard.
Maar haar schoonmoeder, Maria, was een schat van een vrouw. De enige die haar direct accepteerde en nooit iets verweet. Waarom haar dochters zo anders waren, bleef een raadsel. Haar zoon was prima opgevoed.
Maria was lief, kon nooit iemand weigeren of boos worden. Eerder in tranen dan ruzie. Marja had medelijden met haar. Noemde haar al mama sinds de eerste ontmoeting.
Alles deden ze samen, altijd dicht bij elkaar.
Wat een herrie kwam er toen Maria haar huis verkocht en dichterbij haar zoon ging wonen! Haar dochters waren fel tegen. Ze kwam niet bij Marja in huis, hoewel haar zoon dat wilde, maar kocht een flat in het huis ernaast. Ze wilde niet tot last zijn. De plannen van Marja en haar man kende ze trouwens al. Ze zweeg daarover ook tegen haar familie.
Ze wist hoe moeilijk het is om vrede te bewaren. Ze was zelf door scheiding gegaan; haar man had haar alleen gelaten met drie kinderen. Hij hielp wel, maar zon leven Pas later hebben ze er samen over gepraat, ook dankzij Marja, die zag hoeveel pijn ze had.
Later hielp Maria Marja en haar man bij het vinden van een zoon. Ze stopte met werken in het ziekenhuis en ging bij het kraamcentrum werken. Daar vond ze hun zoon.
Marja en haar man deden alles weloverwogen, vooral dankzij Maria. Uitleggen aan de familie waar ze een jaar lang weg waren, wilden ze niet. Ze verdwenen samen, kwamen terug met een kind. Niemand vroeg verder. Anna wist: dat was de eerste keer dat Marja haar grenzen trok. De familie mopperde, maar toen duidelijk werd hoe gek Maria op haar kleinzoon was, hield iedereen erover op.
De schoonzussen vermoedden iets, maar durfden geen ruzie meer te maken. Dat kwam vooral door Maria, die nu ineens streng kon zijn. Als ze vond dat het genoeg was, hing ze gewoon de hoorn op.
Want zij vond dat een kind extra zorg en liefde nodig had. Zo gaf ze al haar liefde aan haar kleinzoon. Ze hielp Marja, wetende dat dit het gezin bij elkaar zou houden.
Zo gingen de jaren voorbij. Marja, haar man en hun zoon. En Anna met haar gezin ernaast. Mooi!
De vriendschap bleef, samen op vakantiereis. Kinderen speelden samen. De deuren stonden weer open, je kon niet steeds lopen om af te sluiten. Oppassen wel, om het geluksvogeltje-incident niet te herhalen.
Toen stierf Jan, en bleef er een stilte en een pijn achter geen gezamenlijke oude dag meer.
Kort daarna overleed ook Marjas man, Anton. Nooit ziek geweest, maar opeens een trombose. Hij werkte zelfs in het ziekenhuis! Toch gemist
Marja ging er bijna aan onderdoor. Nu was het Annas beurt om te helpen:
Je hebt een zoon, Marja! Je ouders! Maria! Je mag niet zo blijven treuren! Wie blijft er over om voor ze te zorgen? Wat zou Anton willen als hij zag hoe jij hier in je tranen wegzinkt? Denk na! Zijn liefde mag je toch niet zomaar laten verdwijnen? Anton zou dat nooit willen
Of het nu aan deze woorden lag of gewoon aan het besef dat er nog zoveel mensen voor haar waren Marja raapte zichzelf bij elkaar en leerde weer leven, liefde bewaren zoals ze dat kon.
Ze bracht haar zoon groot. Paul werd officier, reist door het hele land, maar bezoekt haar trouw. Brengt zijn kinderen mee, desnoods stuurt zijn vrouw, Linda, ze langs. Met haar kan Marja het goed vinden. Haar ervaringen en wijze lessen hebben haar geholpen, zo kon ze ook Linda accepteren.
En er waren vragen, want Paul bracht niet alleen een vrouw mee, maar ook haar zoontje uit een eerste huwelijk. Het huwelijk zelf was niks, haar ex liet haar met zes maanden zwangerschap in de steek, verdween naar Duitsland, schreef nog dat hij niet terugkwam. Maar Paul nam het jongetje aan als zijn eigen zoon.
Marja deed niet moeilijk, toen Paul Linda voorstelde, pakte het kindje op, en zei:
Dag, ik ben oma Marja! Wil je een koekje? Nee? Zullen we onder de kerstboom kijken? De kerstman heeft daar wat voor jou achtergelaten. Echt waar, ik heb het zelf gezien! Ga je mee?
Een moederhart is snel gewonnen als je haar kind accepteert als het jouwe.
Daarom telt Marja al die kinderen gewoon als haar eigen kleinkinderen, te beginnen bij de oudste, die haar eerste en lievelingskleinzoon werd.
Marja, wanneer gaan we naar de volkstuin? Het wordt tijd hoor! Anna keek omhoog naar de kersenbloesem boven het hoofd.
Komend weekend. Eerst ramen lappen, dan weg.
O ja! Helemaal vergeten dat Pasen vroeg valt dit jaar. Tijd om het huis schoon te maken, toch?
Ja, en ik moet ook nog koken.
Komen de jouwe?
Twee dagen, onderweg. Oudste wil naar Amsterdam studeren, dus komen ze alvast kijken. Blijven op de terugweg langer. Misschien laten ze de jongsten wel twee weken hier. We moeten het nog zien. En jij?
De mijne pas in de zomervakantie. Ze zitten op school en school is nog niet klaar.
Nog maar anderhalve maand!
Ja, maar het lijkt eeuwig te duren.
Dat is altijd met leuke dingen vooruit, tijd kruipt dan. Maar als het zover is, is het zo weer voorbij. Maar ik zeg je, Anna
Ja?
Voor zon gelukkig moment zou ik alles geven. Hoe kort het ook duurt, je leeft er daarna zo lang op; het geluk rijg je als parels aan een ketting. Er kan nooit te veel geluk zijn wel te weinig, als je niet ziet hoeveel je gekregen hebt.
Klopt! Weet je nog dat we het geluksvogeltje zochten?
Natuurlijk! Marja schaterde en sloeg haar armen over elkaar. Ik kon een hele week niet normaal zitten. Moeder was zó ongerust, vader hield een stevig standje. Jij lachte je suf naast me!
Dat was toch iets Maar weet je wat, Marja?
Wat?
Volgens mij hebben we het geluksdiertje toch aan zn staart gepakt. Zonder dat we het wisten, ging die met ons mee. Hoe anders is het te verklaren dat wij alles hebben wat anderen vaak hun hele leven niet krijgen: gezinnen, zulke mannen, mooie kinderen. En de kleinkinderen niet te vergeten! Noem je dat niet gelukkig?
Absoluut! En we mogen onze geluksvogel ook wel bedanken. Laat m nog eens met zn vleugels klapperen en zn staart wiegen. Zodat het geluk aanblijft voor iedereen die wij liefhebbenZe zwegen even, luisterden naar de late merel die een liedje zong uit het topje van de kersenboom. Annas blik dwaalde naar de lucht, waar een wolkje langzaam verkleurde in het roze avondrood. Marja kneep haar vriendin zachtjes in de hand.
Weet je wat het mooiste is? fluisterde ze. Die vogel hoeft niet gevangen. Hij komt gewoon vanzelf, elk jaar terug. Misschien zonder kooi, maar altijd weer zolang je maar samen kijkt.
Even later vlogen de eerste vleermuizen tussen de bloesem. De geur van pas gemaaid gras drong vanuit de tuin omhoog. Dikkie sprong op schoot, spinnende motor aan.
Anna glimlachte, haar ogen glanzen in het schemerlicht. Volgend jaar weer hier, Marja. Onder de bloesem, op het bankje.
Beloofd, zei Marja. Tot we oud en krom zijn.
Krommer dan nu?
Ze lachten opgelucht, als meisjes. Het geluksvogeltje liet zich zien in de warmte van hun vriendschap, zwevend tussen kersenbloesem en avondgloed ongrijpbaar, maar altijd voelbaar. En terwijl de dag zich sloot en de lantaarns zachtjes knipten, wisten Anna en Marja heel zeker dat het echte geluk niet opgesloten wordt, maar vrij naast je blijft zingen, zolang je zelf blijft luisteren.






