In die ondoorzichtige schemer tussen waken en dromen, ergens op een onbestemd moment, sta ik ineens in een zeiknatte loods aan de rand van het Veense bos. Houtkrullen vliegen om mijn oren, de geur van olie mengt zich met de damp van koffie en sigaretten. Mijn vader, een robuuste man met de naam Bastiaan Hoogendoorn, telt een stapel gekreukte eurobiljetten terwijl de andere timmerlieden hun lege jerrycans onder hun armen klemmen en vervagen aan de horizon. Ergens valt een rode fiets langzaam omhoog.
Als de telefoon rinkelt, hapert de lucht. Een dochter? Bastiaan laat zijn geld vallen, zijn gebit knarst. Heb ik niet gezegd: het móét een jongen zijn? Nu moet ik het doen met een meisje?
Van binnen staat zijn hart blank, hij zakt schuin in het zaagsel, slikt een vloek in en snuit zijn neus op de vloer. De naam van mijn moeder is Merel, zij ligt met de baby in het ziekenhuis van Zwolle. Bastiaan knoopt een rafelige sporttas dicht, neemt een handdoek, een boterham met hagelslag en een slablaadje, en wandelt over drijvende bruggen naar zijn moeder in het dorp Zandervoort, drie sloten en een heel moerasje verderop.
Merel keert twee weken later huiswaarts, het huis is onverwacht netjes. Ze zet me een onzeker, nietige baby, op bed, huilt in haar handen. Wat wisten we toen? Mijn kleintje, jij bent de wig in onze wereld geworden.
Mijn vader, Bastiaan, is in dromen zo stug als Groningse klei. Alles aan hem is hoekig en onverzettelijk, zijn ogen breken licht. Ooit wilde zijn familie hem het erf uitjagen, nu houdt hij zich liefst vast aan erf, huis, en de hoop op een zoon want alleen dan blijft de naam bestaan. Maar wat zijn zoon had moeten worden, was ik. Een luchtig, haast onzichtbaar meisje.
Merel werkt zich krom. Ze graaft, harkt, doekjes wassen, schapen aaien. Ik word Noor genoemd bijna stoer, een naam vol lucht en vogel. Als peutertje zit ik met havermout in het haar op een houten hobbelpaard, bijtend in een plastic tulp. In koddige dromerslogica liet ik al jong de concurrentie sidderen. Op de crèche schop ik jongens uit de zandbak, mijn stok is een wilgentak, mijn wapens verwondering en weerbarstigheid.
Bastiaan zoekt, zoals dat in vreemde dromen hoort, zijn troost bij een andere vrouw Petra met de brede heupen en twee kinderen uit Veenendaal. Terwijl ik van verre groei en dapper trucjes uithaal met pakken melk, probeert hij bij Petra een echte zoon te verwekken. Het lukt niet: zij verzamelt geheimzinnige kruiden in pantoffels en fluistert met de buurvrouw die alles weet van de maan.
Plots verscheen Bastiaan weer na vier jaar op de dorpse drempel. Ik ben inmiddels een schriel, wild kind in een verbleekte jurk, mijn blik is scherp. Hij biedt me stroopwafels aan, ik keer mijn hoofd net zo lang weg tot ik zijn handen vergeten ben.
De tijd loopt raar. Als Merel een zoon baart (Noud), schuift de zorg weer naar mij ik til Noud overal heen, voed hem, was zijn kleren met appelstroop. Bastiaan is tevreden, maar zijn blijdschap raakt het huis niet hij is nog steeds een storm voor wie het zelf niet willen zien.
Als ik zeven word, echoot zijn woede door het huis: een riem, een kamer, een stampende voet. Mijn kleine vuist zwaai ik op: Ik zal de wijkagent halen, pap! Staat hij wild, grijpt de matte riem. Toch, als ik een echte agent aan de deur breng houten kiel, ferme snor krimpt hij ineen en zegt dat hij beterschap belooft.
Er wordt nog eens een zusje geboren, Anne. Bastiaan kijkt erdoorheen, zijn hoofd als een dichtgegooide kelderdeur. Merel legt de zorg weer bij mij neer, want ik ken het trucje inmiddels.
In de rimpelende droom begin ik aan de basisschool in de stad, de illusie van keuze. En hoe denk je aan eten te komen daar? buldert Bastiaan met rode haren, Op ons kosten?
Dat zie ik zelf wel, zeg ik, want de lucht in dromen is van mij.
Fabriekswerk, vloer schrobben, sparen voor schoolboeken. In het technische college sla ik iedereen plat met mijn handschoenen nog aan, de jongens maken boogjes om me heen.
Bastiaan gooit de riem, ik grijp een pannenlap en kijk hem recht aan: Nog één stap, en ik ram die pan om je oren.
Hij druipt af. Merel huilt, zegt vertrek dan, begin je eigen leven. En stiekem stopt ze euros in mijn hand: Ik heb het gespaard. Gelukkig, jij gelukkig.
De stad ruikt naar frituur en regen, bussen botsen tegen elkaar op wolkenvloeren. Ik slaap met een gezelschap van meisjes die dromen van trouwen en parfumflesjes. Eén, Sofie, gluurt de klas door op zoek naar de zoon van de bankdirecteur, want liefde is geld en gebak.
Voor mij is het werk. Schrobben, leren, eieren op brood. Altijd de klamme geur van fabriek om mijn jas.
In het leslokaal verschijn ik als een storm met schoenen vol modder en chocopasta. De hydrauliekleraar, Daan van Eck, een smalle man met bril en zenuwen als palinghuid, wordt meteen belaagd door de klas. Dan zwijgt het lokaal even als ik opsta en eis dat iedereen hun mond houdt, want ik ben hier om te leren, geen tijd voor domme grappen.
Na les, fluistert Sofie: Hij kijkt alsof hij je aanbidt.
Hij heeft een ring om, Sof. Huwelijksgeluk bestaat hier niet. Maar toch blijft zijn blik, onder mijn oogleden, zingen in slapeloze nachten.
Terug thuis zie ik mijn moeder krimpen, mijn zus giechelen, mijn vader doen alsof ik niet besta. Noud trekt zich op aan tramrails en vertaalt dromen in truien vol gaten.
Opeens staat er als in een nieuwe scène een man met een hert op zijn arm naast me bij de Feestzaal. Hij heet Victor van Loon, is groot en traag, zijn hart klopt als een metronoom. We dansen, we zoemen, we zoepen een kopje lauwe koffie. Wil je met me trouwen? Ik knik als een onkruid dat niet uit te roeien valt.
Vanaf dan leeft alles in een flipboek. We wonen in een appartement waarvan de muren ademen. We krijgen een dochter: Janna. Maar Victor sluit zich af in zichzelf wordt loom en suf als een natte krant. Ik stap op hem af, spreek het uit: verander of verdwijn.
Zijn antwoord luidt als een kind dat zijn zin niet krijgt: Jij redt het toch niet alleen. De volgende ochtend is het klaar. Ik trek de lijnen om mij heen strakker aan.
Alleen met Janna, werk ik door fabriek, opvang, nieuwe kleren op de markt. Noud komt logeren en is verbaasd: een luxaflex, een warme douche, een stoere zus die alles regelt.
Sofie komt huilen over haar mislukte huwelijk met een kruideniers zoon: Had ik maar een man met jouw kracht of die leraar van je, hoe heet hij? Die van Eck? Ze knikt veelbetekenend.
In het vagevuur tussen supermarkt en bushalte bots ik op Daan van Eck ouder nu, maar nog stiller in het licht van de straatlantaren. In het café drinken we druipende appelstroopthee. We glimlachen droevig, delen verhalen over kapotte dromen, verloren kinderen, kieren in de vloer.
Hij nodigt me uit op zijn landje bij de Linge, waar een huis groeit uit dennenhout en waterniveaus. Dit wordt onze plek, zegt hij zacht terwijl de kippen flikkerend van de boom naar de hemel vliegen. Ergens klopt een deur: inbrekers proberen planken te stelen. Ik zwaai met een bijl, verjaag ze met een stem als een misthoorn. Daan kijkt, ontredderd en vol bewondering.
Drie weken later vraagt hij of ik met hem trouw. Ik snik natte tranen in zijn jas: Ja, Daan. Ja.
De bruiloft is kolderiek: mijn moeder lacht, Bastiaan bromt, Janna draagt de ringen op een stapeltje pannenkoeken. De dag sluit zich als een boek. Bastiaan fluistert schor: Zorg goed voor haar, ze bijt als kreeft, maar is zacht als room. Daan knikt, hij weet het.
Ons huis groeit, de tuin zingt, Janna droomt van doktersjassen, Noud rijdt bussen, Anne krijgt een tweeling. Oma Merel schilt appels, Bastiaan drinkt thee en zegt soms Het leven gelukt je toch, meisje van me?
Op een avond, als de kersenboomgaard sterft in de herfstzon, vraagt Janna: Mama, ben jij gelukkig? Ik kijk naar Daan, naar het huis, naar de droom die leeft. Ja, lieverd. Hij slaat zijn arm om me heen.
De lucht om ons heen gloeit zacht en oranje, de avond schuift langzaam diep naar binnen. Zoals het hoort in dromenland: het verleden verbleekt, en alleen het goede blijft als warme vacht over de schouders vallen.
En ergens, ver buiten de tijd, beloven we het nog eens: samen, thuis. Altijd thuis.






