Wintergast
Weet je, in zon klein dorpje in Nederland, midden in de winter, is het altijd vroeg donker. Maar als het dan ook nog eens hard sneeuwt en stormt zoals vanavond, dan lijkt het al nacht rond een uur of zeven.
Ik zat aan de grote houten tafel in de woonkamer, de kachel snorde, en ik was bezig met het redigeren van een manuscript. Niet dat ik haast had; de deadline stond pas voor 2 januari, maar ik stel dingen niet graag uit. En tja, wat moet je anders met oudjaar als je alleen woont, de dichtstbijzijnde stad (Zwolle, bijvoorbeeld) op zeventig kilometer, en je al jaren geen tv meer hebt?
Het huis hier in Olst hadden Willem en ik twintig jaar geleden gekocht. Eerst als zomerhuisje; lekker buiten, frisse lucht, typisch zon plek voor de vakanties. Maar na Willems overlijden voelde ik geen binding meer met de stad, dus ben ik hier definitief gaan wonen. Laptop, manuscripten en vooral Fien, mijn kater die lag nu opgekruld bij de radiator, totaal onbewust van de sneeuwstorm buiten.
De buren vonden het in het begin sneu, een vrouw alleen, maar na twee jaar was het gewoon geworden. Nellie de Vries, de redacteur, dat huis met de blauwe luiken, komt eens in de paar dagen de post ophalen en haalt wat boodschappen, bemoeit zich nergens mee. Prima buurvrouw, zeiden ze.
Er lag een geprint manuscript op tafel. Bovenaan stond de naam van de auteur: J. Brouwer. Acht maanden was ik al bezig met deze roman. Acht maanden redigeren, discussiëren via de uitgeverij, soms akkoord of niet akkoord terugkrijgen en dan dook ik er weer in. Ik kende de schrijver niet. Alleen een achternaam, een initiaal, en het verhaal: driehonderdtachtig paginas over een man die jarenlang de verkeerde kant op ging tot hij het eindelijk doorhad.
Het was een goed boek.
Ik heb heel wat teksten onder handen gehad, en je hoort het verschil. Dit was échte literatuur. Er zit dan zon authentieke stem in die je niet kunt leren of veinzen; die heb je of niet. En deze schrijver wist het, en leek er zelfs een beetje bang voor te zijn.
Rond half acht ging de telefoon.
Nel, wanneer lever je nou eigenlijk in? Het was Karin, van de uitgeverij. Je hoorde aan haar stem dat ze zich een beetje schuldig voelde bellen op oudjaarsavond ook.
De tweede, zei ik.
Joh, rustig aan, het mag ook na Driekoningen. Vakantie toch?
Nee, echt, de tweede, herhaalde ik.
Karin wist wel dat ze geen zin moest hebben in discussie.
Ben je weer alleen daar?
Fien is bij me.
Nel
Karin
Ze lachte en hing op. Ik pakte het manuscript weer en keek naar de passage waar ik al dagen mee worstelde. Bladzijde honderdtien. Derde alinea. De zin klopte gewoon niet. Niet qua woorden, ook niet qua betekenis, meer qua ritme. Te zwaar, daardoor zakte het stuk in. Vijf keer had ik een alternatief geprobeerd en vijf keer weer gewist.
Met de zesde poging was ik tevreden.
Ik noteerde het, las het nog eens na, voelde een tevredenheid en klapte de laptop dicht. Toen begon het getik. Dat was twee uur later, rond half tien.
Het was geen getik tegen het raam nee, iemand klopte op de deur.
Eerst dacht ik: vast de wind. Maar de wind klopt niet, die giert en rammelt. Dit was echt: drie tikken snel na elkaar, toen nog eens twee.
Fien stak één oog op en dommelde weer weg.
Ik stond op, liep naar het raam, schoof het gordijn opzij en keek naar het besneeuwde stoepje. Daar stond iemand. Geen auto, geen fiets, gewoon een vent in een lange jas, helemaal alleen in de sneeuw, alsof hij daar uur in had gestaan. De lantaarnpaal bij het hek slingerde heen en weer, en ik zag aan de manier van staan dat het geen dreiging was eerder verkleumd en radeloos.
Niet opendoen is in een dorp eigenlijk geen optie. Zeker niet tijdens zon sneeuwstorm.
Ik trok mn dikke jas aan en liep naar de voordeur.
Goedenavond, zei hij zachtjes, met een wat hese stem. Sorry dat ik zo laat ben. Mijn telefoon is leeg, mn auto is van de dijk gegleden, en ik zag hier licht branden.
Hij was lang, raakte bijna het bovenkozijn van de deur met zn kruin. Zijn jas was doorweekt. In één hand een bril, verder geen tas, niks. De glazen beslagen, vermoedelijk daarom hield hij ze vast.
Kom maar binnen, zei ik.
Hij kwam binnen. Rustig, beheerst, als iemand die weet dat hij een vreemde is bij een vreemde, probeert zo min mogelijk ruimte in te nemen.
Hoe ver is de auto? vroeg ik, terwijl hij zijn sjaal afdeed.
Twee-, tweehonderd meter terug op de weg. Ik zag die sneeuwval niet aankomen, en de banden pakten niet Hij zuchtte even. Lader thuisgelaten, navigatie vrat alles leeg.
Snap ik.
Terwijl hij in de hal zijn jas uithing, zette ik de waterkoker aan. Toen ik weer terugkwam, stond hij nog steeds met zijn beslagen bril in de hand. Pas toen zijn handen wat warm werden bij de kachel, zette hij m op.
Hang je jas maar hier. Ik wees op het haakje naast de spiegel.
Dank je. Hij hing het op en zette zijn bril op. Jasper.
Nellie. Ik knikte richting keuken. Loop maar door hoor.
In het dorp kent iedereen elkaar. Het dichtstbijzijnde gehucht, Linde, is zes kilometer over de dijk. Een paar huizen, in de zomer wat Amsterdammers en zo, maar nu is er bijna niemand. Onze dorpen worden gescheiden door een oude bomenrij en een beroerde weg door de polder.
Kom je uit Linde? vroeg ik terwijl hij aan tafel schoof.
Sinds afgelopen herfst huisje gekocht, nu voor het eerst de winter. Had er niet aan gedacht dat het zon andere wereld is in december, grinnikte hij zwakjes.
Weerbericht niet gekeken?
Jawel, lichte sneeuwval stond er.
Tja, in de polder is lichte sneeuwval toch echt iets anders.
Dat weet ik nu.
Ik schoof een mok dampende thee naar hem toe. Hij pakte m met beide handen vast, warmde zich langzaam op.
Auto maakt me niet uit, zei hij. Zolang ik maar bellen kan voor de sleepdienst.
Hier ligt een lader. Ik wees naar het stopcontact bij de koelkast. Pak gerust.
Hij plugde zijn telefoon in, ging weer zitten en omklemde de mok weer met rode vingers.
Woon je hier al lang permanent? vroeg hij.
Vijf jaar nu. Eerst alleen in de weekenden.
Nooit heimwee naar de stad?
Nee.
Hij vroeg niet verder. En dat waardeerde ik.
Zijn mobieltje was een oud model zo een heb ik zelf ook nog ergens liggen, duurt eeuwen voordat hij opstart. Ik wist dus: zo gauw zou hij niet verder kunnen.
Ik schonk zelf thee in. Heb je al gegeten vandaag?
Vanochtend.
Vanochtend?
Ik dacht dat ik maar even onderweg zou zijn.
Gelukkig had ik nog soep staan, van gisteren Groningse mosterdsoep. Ik warmde het op. Geen gedoe met och, niet nodig of zo; hij wachtte gewoon rustig. Juist.
We zwegen terwijl de soep opwarmde. Niet ongemakkelijk, gewoon… stil. Buiten joeg de sneeuw langs het raam, Fien snurkte zacht bij de verwarming en het licht in de keuken was zachtgeel. Gek hoe je het ineens niet erg vindt, een vreemde in huis. Meestal voelt dat anders.
Ik zette de waterkoker voor een tweede keer aan.
Buiten was het nog steeds bar en boos. We aten zwijgend onze soep, zonder haast.
Jij hebt het hier heerlijk rustig, zei hij.
Altijd, behalve als de wind opsteekt.
Nee, ik bedoel… het is rustig in huis, knikte hij naar de kamer. Geen radio, geen tv…
Klein radiootje op de vensterbank. Staat soms aan.
Aha. In Amsterdam kan ik niet werken zonder koptelefoon daar hoor je altijd wel iemand door de muren heen. Lastig.
Werken? Waarmee?
Schrijven. Proza de afgelopen twee jaar aan één roman gezeten. Ging langzaam.
Komt voor.
Ik heb m afgelopen herfst ingeleverd. Nu weet ik even niet wat te doen.
Dat herken ik. Niet persoonlijk maar bij veel auteurs gezien: na de laatste versie een soort leegte. Sommigen beginnen meteen iets nieuws, anderen dolen maanden doelloos rond, sommigen stoppen. Elk op zn eigen manier.
Dat gaat over, zei ik.
‘Hmm. Nu nog niet, maar ik weet het.
Fien sprong van de radiator, liep naar hem toe, rook kort aan zijn hand en trok zich terug. Jasper keek haar na.
Betekent dat iets?
Gemiddeld. Zou ze blijven liggen, dan was het een goed voorteken.
Ik werk eraan, zei hij bloedserieus.
Ik moest lachen.
Mag ik wat vragen? begon hij na een tijdje.
Ga je gang.
Waarom was je vanavond zo fanatiek? Je zei aan de telefoon leveren op de tweede, maar het is nu toch nog oudjaarsavond. Waarom niet later?
Scherp. Te scherp voor iemand die net uit een sneeuwstorm is binnengevallen.
Gewoonte.
Welke?
Niet uitstellen als het bijna af is.
Hij keek me aan. Alsof hij niet helemaal geloofde dat dit het hele verhaal was.
Hier is verder toch niets te doen, snap je. Vier oudjaar niet zo en werken geeft tenminste iets te doen.
Helder, zei hij zacht. Zonder medelijden gewoon als vaststelling.
Dat was fijn.
Buiten sloeg de wind tegen de houten luiken van het leegstaande huis van de overburen. Inmiddels gewend aan dat geluid, maar vanavond viel het extra op.
Je was bezig toen ik kwam? vroeg Jasper.
Klopt.
Wat doe je eigenlijk?
Redacteur. Fictie.
Interessant.
Meestal wel.
Hij bleef me iets langer aankijken dan normaal.
Word je niet moe van het redigeren van andermans teksten?
Ik dacht even na.
Als het slecht is, wel. Maar bij een goed boek juist niet. Dan wil ik alleen helpen het nóg beter te maken. Het is een beetje als restaureren het bouwwerk zelf staat al, ik haal alleen wat overtolligs weg.
Hij knikte nadenkend, meer bij zichzelf dan naar mij.
Zou je het erg vinden als je eigen tekst wordt geredigeerd? vroeg ik.
Hmmm. Alleen als er iets waardevols verdwijnt.
Hoe weet je wat waardevol is?
Als je schrappen pijn doet dan moet het blijven. Doet het niks, kan het weg.
Goede formulering. Echt een schrijver daar denk je aan als je dit zo zegt, als je het al zo vaak zelf hebt meegemaakt.
Heb je slechte redacteurs gehad?
Beetje van alles. De eerste keer werd mn roman zo omgegooid dat het een ander boek werd. Het ging over een oudere man aan zee; daarna over een kantoormedewerker in Utrecht. Ik overdrijf, maar je snapt me.
En je liet dat toe?
Ik was 29. Dacht: zij zullen het wel weten.
En later?
Later begreep ik dat beter weten niet hetzelfde betekent als gelijk hebben. Dat is echt niet hetzelfde.
Daar had hij gelijk in. Een redacteur kan de techniek nog zo goed beheersen, maar als hij niet de stem van de schrijver hoort, mist hij iets fundamenteels.
***
Buiten was het echt stikdonker geworden. De sneeuw werd intenser, en het lantaarnlicht bij het hek drong amper door de vlokken heen.
Jasper zat aan zijn tweede mok thee. Fien reed alweer even terug naar haar warme plekje. Hij riep haar niet goed; ze houdt niet van roepen.
Mag ik even kijken bij de boekenkast? knikte hij richting het raam.
Natuurlijk.
Hij liep er naartoe. Drie planken: aparte plank voor thrillers, een voor literatuur, de rest door elkaar. Hij keek stil, liet alles op zich inwerken. Toen kwam hij terug.
Jij leest veel detectives, zei hij.
Om te ontspannen. Daar wordt alles meestal in opgelost.
Is dat in het echte leven zo?
Veel minder vaak.
Hij nipte aan zijn kopje.
Vertel eens over dat manuscript waar je mee bezig bent, zei hij.
Ik snapte eerst niet wat hij bedoelde.
Die roman die je aan het redigeren bent.
Waarom wil je dat weten?
Ben benieuwd. Je zei dat restaureren belangrijk is bij goede teksten. Wil wel weten hoe je dat aanpakt.
Bijzonder. Niet onprettig, maar gewoon een gek gesprek een vreemde man aan mijn eettafel, warme mok tussen zijn handen, die nieuwsgierig is naar mijn werk. Het is lang geleden dat iemand dat vroeg vanuit pure belangstelling, niet uit beleefdheid.
Het verhaal draait om iemand die heel lang in zijn routine geloofde, omdat hij bang was om het anders te doen. Het gaat over het verschil tussen jezelf voor de gek houden en écht kiezen.
Hoe loopt het af?
Hij vertrekt. Niet weg van mensen, meer van zichzelf zoals hij was. Dit was het beste einde voor dit verhaal.
Jasper zweeg even.
Was dat ook het einde dat je wilde?
Ja. Hoewel de schrijver eerst een andere variant wilde.
Welke dan?
Teruggaan naar wat hij had achtergelaten.
En jij hebt hem overtuigd?
Ik gaf alleen suggesties. De schrijver besloot zelf.
Toen viel hij stil. Er zat gewicht in dat zwijgen, alsof hij echt bezig was met haar antwoord.
Waarom vind jij vertrek het betere einde? vroeg hij.
Omdat terugkeren een antwoord op waarheen? is, terwijl vertrekken over wie je bent gaat.
Hij keek me heel aandachtig aan.
Is dat je eigen inzicht of uit het boek?
Mijn eigen. Kwam in mn aantekeningen terug.
Hij zweeg lang, ik dwong mezelf geduld te hebben.
Doe je dit werk al lang? vroeg hij toen.
Acht jaar nu.
En denk je altijd zo over eindes?
Niet altijd. Alleen als het eerlijk voelt. Met een onecht verhaal maakt het niks uit waar je eindigt. Maar bij een eerlijke vertelling is er maar één logisch slot, en de kunst is dan om dat niet te verpesten.
Jasper keek naar buiten. Lang, in zichzelf peinzend.
Is het niet lastig, dan, echt lezen voor een ander?
Soms wel. Zeker als iemand zijn eigen tekortkomingen niet doorziet. Maar deze schrijver had dat niet. Die hoorde alles.
Die van nu?
Ja.
Waarin hoorde je dat bij hem?
Ik dacht aan het boek zojuist, aan wat mij was opgevallen.
Er was een zin ik heb hem aangepast, de auteur was akkoord, maar vraag me nog steeds af of ik het juiste gedaan heb.
Wat stond er?
Het ging over de sneeuwstorm. De auteur had een lange beschrijving; ik kortte het in voor het ritme, maar er ging wel iets verloren.
Wat?
Kan het niet echt uitleggen. Het was voelbaar, niet te benoemen.
Wat heb je ervan gemaakt?
Ik keek hem aan. Gekke vraag. Maar het voelde niet raar.
De sneeuwstorm kiest niet. Ze blijft gewoon, als alles om je heen verdwijnt.
Jasper zweeg. Niet één of twee seconden lang. Het was alsof er iets veranderde in hem, niet in de kamer. Hij hield zijn mok iets te strak vast en ik zag opeens: hij herkent de zin.
Is er iets? vroeg ik.
Nee. Korte stilte. Ik schreef iets anders: De sneeuwstorm kiest niet waarheen ze weet alleen dat uiteindelijk alleen blijft wat niet bang is voor kou.
Ik zette mijn mok neer. Heel langzaam.
Die oorspronkelijke zin stond in het manuscript, bladzijde 110, derde alinea. Ik had er drie dagen aan gesleuteld. Alleen hij kon dit weten.
Het manuscript was nooit gepubliceerd. Niemand kende deze zin behalve de auteur en ik.
Jij bent J. Brouwer, zei ik.
Hij knikte. Jasper Brouwer, ja.
Bizar, en toch ook weer niet; ergens voelde ik het onbewust de hele tijd al. We hadden al maanden via opmerkingen in teksten gecommuniceerd zonder elkaar te zien. We waren acht maanden collegas geweest, zonder dat te beseffen.
Ik was je redacteur, al die tijd, zei ik.
Ik weet het. Uitgeverij had het over N. de Vries. Maar nooit je naam erbij.
N. de Vries.
Nellie de Vries. Dat ben ik.
We kenden elkaar dus al zonder elkaar ooit gezien te hebben. Via tekst, correcties, aanpassingen. Via de discussie over het eind en over wat te schrappen. Nu pas, zo aan de keukentafel, realiseerde ik me hoe goed ik hem in de tekst kende: aan zijn zinnen, aan zijn tempo, aan zijn reacties op correcties; niet koppig, gewoon bedachtzaam. En andersom wist hij van mij alleen twee initialen.
Ongelijk, eigenlijk.
En toen stond hij opeens voor mijn deur, midden in een sneeuwstorm.
***
Waarom zei je niet eerder wie je was? vroeg ik.
Wist ik niet, tot nu. Ik zei alleen ik schrijf.
En ik zei gewoon redacteur.
Precies. We hebben allebei niet alles gezegd.
Daar had hij helemaal gelijk in. We zijn nou eenmaal mensen die niet snel alles uitleggen, en kijk eens waar het ons bracht.
Die zin, zei ik, ik heb hem ingekort omdat hij niet in het ritme paste, maar de oorspronkelijke vind ik mooier.
Hij keek me doordringend aan. Denk je dat echt?
Ja. De mijne is strakker, maar die van jou eerlijker. En eerlijkheid wint soms.
Hij dacht na.
Wil je je eigen zin terug?
Manuscript is bij uitgeverij nu. Maar als je het wilt, regel ik dat.
Nee. Hij schudde zijn hoofd. Laat het zoals het is. Het ritme klopt.
Ik wilde niet verder discussiëren, maar het deed me goed dat hij het vroeg.
De telefoon gaf een piepje: vijftien procent. Hij kon bellen, maar bleef zitten.
Heb je de roman echt helemaal gelezen? vroeg hij.
Drie keer. De eerste keer om te begrijpen, de tweede keer om te voelen, de derde om te werken.
En wat voelde je?
Ik keek hem aan.
Dat degene die het schreef iets belangrijks begreep. Eindelijk.
Hij sloeg zijn ogen neer.
Klopt wel ongeveer, fluisterde hij.
Het is een goed boek, zei ik zacht. Echt een goed boek.
Hij knikte alleen maar. Ik wist: dat betekende veel.
We zaten samen in stilte, zon stilte waar ruimte in zit als na iets belangrijks.
Was je altijd alleen? vroeg hij op een gegeven moment.
Ik snapte wat hij bedoelde. Niet alleen nu, maar überhaupt.
Nee. Mijn man is vijf jaar geleden overleden.
Het spijt me.
Hoeft niet. Het doet minder pijn. Het is gewoon anders.
Hij zei niet ik begrijp het gelukkig. Dat vind ik altijd zo loos. In plaats daarvan vroeg hij iets anders.
Waarom Olst?
Het is hier rustig. En Willem is hier een beetje aanwezig, snap je?
Hij knikte. Langzaam.
Waarom Linde voor jou?
Twee jaar geleden gescheiden. Flat in Amsterdam was zo leeg. Dus kocht ik een huisje. Andere soort leegte.
Ik grinnikte. Opeens voelde ik me begrepen; hij verwoordde iets wat ik nooit aan anderen kon uitleggen.
Precies dat, zei ik.
Dus jij snapt het?
Heel goed zelfs.
Hij glimlachte zacht. Op zijn eigen manier, maar nu zag ik het beter dan eerder.
Je schrapte een monoloog in hoofdstuk vier, zei hij ineens.
Klopt.
Waarom?
Omdat de hoofdpersoon daar zegt wat de lezer allang weet. Overbodig.
Ik vond het zielig.
Dat schreef je erbij.
En jij antwoordde: ik snap het, toch niet.
Want ik snapte het. Maar medelijden is geen reden om het erin te laten.
Even stil.
Je hebt gelijk, zei hij. Nu is het beter. Duurde even voor ik het accepteerde.
Men accepteert het altijd pas achteraf.
Stoort het je? Dat waardering altijd later komt?
Niet echt. Het gaat om een goed boek. Als het zover is, denk ik: missie geslaagd, dat is genoeg.
Hij keek me aan. Niet meer als een vreemde als iemand die je al een beetje kent.
Ik dacht altijd dat redacteurs onzichtbaar waren.
Moet ook. Het gaat niet om ons.
Maar jij bent niet onzichtbaar.
Kan soms lastig zijn
Nee, zei hij. Juist niet.
***
Vijftien minuten voor middernacht.
Nog even en het is nieuwjaar, zei Jasper.
Weet ik.
Buiten was het ineens een stuk stiller nog steeds lichte sneeuw, maar geen wind meer. De lantaarn stond stil. Alles sneeuwde rustig door, alsof zelfs de storm thuis wilde zijn.
Heb je nog iets anders dan thee? vroeg hij.
Heb nog wat witte wijn staan, open vanaf Kerst.
Doen?
Waarom niet.
Ik draaide de fles open, schonk twee gewone glazen vol. Geen chique wijnglazen; wie heeft daar wat aan?
Waar proosten we op? vroeg hij.
Op het nieuwe jaar, zei ik.
Dat is zo algemeen.
Dan op eerlijkheid. Soms belangrijker dan perfectie.
Hij keek me aan, en deze keer keek ik terug. Voor het eerst vanavond.
Goed idee, zei hij.
De klok hoorde ik zacht op mijn radiootje in de vensterbank die had Willem ooit opgehangen en ik verander alleen af en toe de batterijen. Rond twaalven hoor je hier een vaag geklets uit verre huizen waar wél feest is. Vroeger voelde dat zelden als mijn feest.
Nu was het even anders.
We klonken zachtjes, namen elk een slok. Fien bewoog zich uitbundig uit haar mandje, geeuwde even, en dommelde weer weg. Buiten dwarrelde de sneeuw nu vredig.
De telefoon gaf een bliep: dertig procent.
Jasper keek ernaar, keek toen uit het raam, toen naar mij.
Er komt vannacht geen sleepdienst meer.
Nee, pas morgenochtend.
Heb je een logeerkamer?
Bank op mijn werkkamer. Er ligt even een manuscript, maar dat haal ik zo wel weg.
Laat maar hoor. Ik stoor je niet.
Niet storen. Dat was het precies niet ik ben stil, niet ik pas wel op. Ik ga je niet storen, alsof hij snapt dat er hier ruimte is waar hij niet tussen moet zitten.
Mooi zo.
Ik stond op om de waterkoker nog maar eens aan te zetten. Gewoon, even beweging.
Nellie, zei hij ineens.
Ik draaide me om.
Ik ben blij dat mijn auto in de berm belandde.
Ik keek hem aan. Hij zat daar gewoon met zn glas in beide handen, helemaal oprecht.
Ik weet het nog niet, lachte ik nerveus.
Snap ik, zei hij zacht. Geeft niks.
Het water kookte.
Ik schonk nog heet water in beide mokken. Schoof de zijne naar hem toe.
Buiten dwalmde de sneeuw verder maar de storm was voorbij.
Hij vertrok niet.
En ik vroeg niet wanneer hij dat wel zou doen.
Het manuscript lag in de kamer ernaast bladzijde 110, derde alinea. Zijn zin in mijn bewerking. En ergens in zijn hoofd zijn zin, zoals hij hem zelf schreef. Allebei over hetzelfde: wat er overblijft als de rest verdwijnt.
Misschien is dat wel het enige dat telt.
We zaten samen daar in die keuken twee mensen, elk een kop warme thee, de sneeuw gevallen, en het nieuwe jaar allang begonnen.





