Droom in blauwe verpakking
Gerda stond bij het keukenraam, de boodschappenlijst gekreukeld in haar hand, terwijl buiten de sneeuwvlokken in onmogelijke patronen neerdaalden op de vensterbank. Ze leken zich op te stapelen in rare vormen, als schuim op een golvende rivier, en het gaf haar een gevoel van onverwachte rust. Dit december leek eindeloos vol sneeuw, precies zoals ze zich van haar jeugd herinnerde, toen de winters altijd dieper en echter leken.
Ger, waarom sta je daar nu zo stil? de stem van Wouter dreef loom uit de woonkamer, waar hij dozen met kerstspullen openmaakte. Kijk nou eens, ik heb die oude Sinterklaaspop gevonden! Weet je die nog? Die kochten we in 93 op de markt bij het station.
Ik zie het, ik zie het, antwoordde ze zonder om te kijken. Wout, we hebben geen melk meer. En het brood is ook op. Loop je straks even naar de Albert Heijn?
Nu meteen, nu al? zijn stem vertoonde onverwacht iets kinds. Het is al kwart over zes, Gerda. Ik dacht dat we samen de lampjes zouden ophangen.
Ze draaide zich om. Wouter zat op de grond tussen een wirwar van glazen kerstballen; zijn bril scheef, zijn grijze haar in warrige pieken. In zijn handen de verbleekte pop, op zijn gezicht een gelukzalige grijns die haar enigszins deed blozen van schuld.
Laat maar, ik ga zelf wel zei ze zachter. Zet jij de boom alvast in elkaar, als ik terugkom. Het is alweer de 29e, Wout. Overmorgen zitten de gasten hier, terwijl de kerstspullen nog in dozen liggen.
Komt goed, komt goed, wuifde hij met een glasbolletje als scepter. Weet je, ik zat vandaag in de tram en zag een reclame. Voor een nieuwe telefoon, de Snowfone. Die camera… Die schijnt zelfs in het donker fotos te maken alsof het licht is. En ongelofelijk veel geheugen, driehonderdtwaalf gigabyte. Daar kun je alle fotos van de kleinkinderen op kwijt!
Gerda bleef halverwege haar jas stil staan.
Driehonderdtwaalf? herhaalde ze. Wat kost dat dikke wonder?
Nouja… Wouter krabde zich achter het oor. Zon negenhonderd euro. Misschien iets meer. Maar dan heb je ook wat!
Negenhonderd euro, herhaalde ze met lege stem. Wout, je telefoon is nog geen jaar oud, die doet het prima.
Hij doet het, ja, knikte hij zonder op te kijken. Ik dacht er gewoon hardop over. Even fantaseren.
Ze trok haar rits tot bij haar kin en griste haar gebreide muts van de kapstok.
Er zijn zoveel dingen om over te fantaseren, mompelde ze. Maar dat betekent nog niet dat je alles ook moet kopen.
Ik bedoelde het niet zo, Wouter keek even op, zijn gezicht geschrokken, bijna kinderlijk gekwetst. Je mag toch wel dromen?
Dromen mag, wist ze haar handschoenen aan. Alleen hebben wij andere dromen, Wout. Ik droom van een nieuwe bank, eentje zonder rugpijn. Of dat de kleinkinderen nog een jaartje naar dansles kunnen. Jij droomt van mobieltjes.
Wouter draaide zich weg, dook weer in de kerstdozen.
Ga maar, dan neem ik de boom. Komt goed.
Gerda stond nog even in de deuropening, starend naar zijn gebogen rug, zuchtte en stapte dan in de nacht. Het gekraak van sneeuw onder haar schoenen was als een vreemd lied en verzachtte haar stemming iets. Ze liep langzaam, bedachtzaam, glijdend over spekgladde stoeptegels, terwijl elke verlichte etalage aanvoelde als een stukje droom dat ze was kwijtgeraakt. De Albert Heijn was twee straten verder, maar het leek een doolhof van afstand in deze donkere, sleeptrekkende avond. Misschien was haar lichaam te moe om het nog echt te merken; zestig jaar, het kraakte in haar rug alsof ze van glas was.
De winkel was vol mensen die als sneeuwpoppen langs elkaar schuifelden, groetend, mopperend. Gerda sleurde haar mandje achter zich aan, werkte systematisch haar lijstje af: vlees, aardappels, wortels, eieren, mayonaise, jonge kaas, gerookte zalm, appels, mandarijntjes De boodschappenlijst was als een geheim schrift, alleen zij kon hem ontcijferen.
Bij de vleeswaren liep ze tegen buurvrouw Jolanda aan.
Gerda! riep Jolanda uit. Ook voor het laatst op pad?
Nog even het lijstje afwerken, glimlachte Gerda. En bij jou alles geregeld?
Nou, bijna, Jolanda fronste. Ik maak de salades morgen pas, ben er helemaal klaar mee. Heb je die prijzen gezien? Huzarensalade is zes euro per kilo Dat was vorig jaar nog niet eens vier.
Tja, inflatie hè, zuchtte Gerda. Zelf maken, goedkoper. Dat doe ik altijd.
Jij bent slim, Jolanda schudde haar hoofd en trok haar jas wat hoger. Ik bestel dit jaar alles. Mijn gezondheid is me meer waard. Jullie ook weer een groot feest, zeker?
De hele familie komt. Onze Anouk, met haar man en de kinderen. En Wouters vrienden, Kees en Tine.
Dat wordt gezellig. En, helpt Wouter een beetje?
Gerda dacht even na.
Op zijn manier, antwoordde ze uiteindelijk.
Jolanda glimlachte vol begrip, zonder verder door te vragen. Ze namen afscheid, Gerda duwde het steeds vollere karretje verder. Rekende na in haar hoofd wat het allemaal samen moest kosten, trok een gezicht. De feestdagen zijn duur, bedacht ze weemoedig, maar zonder deze traditie mocht het niet.
Ze bleef staan voor het schap met chocolade. Pakte die ene reep met frambozen en amandelen die ze al weken wilde proberenzette hem weer terug na het zien van de prijs. Uiteindelijk koos ze voor de standaard pure, drie keer goedkoper, zonder fratsen.
Bij de kassa werd iedere euro tergend langzaam geteld. Aan het eind moest ze drieënnegentig euro afrekenen. Ze zweeg, tikkend met haar pinpas tegen het display, en sleepte haar tassen de sneeuwstorm weer in.
De terugweg was zwaarder, haar vingers verkrampt ondanks de dikke handschoenen, sneeuw kletste in haar gezicht en over haar jas. Ze pauzeerde bij een bankje, zette alles neer, leunde even achterover. Haar rug schoot in protest. Een toevallige vrachtwagen, van ver, loeide als in een koortsdroom langs.
Haar ogen zochten de lichten van haar flat aan de overkant van het plantsoen, een vijfde verdieping waar het eeuwig lijkt te waaien. Wouter had de boom vast klaar, zat nu in de warme gloed van lampjes, tablet op schoot. Gerda stelde zich voor hoe hij die gloednieuwe blauwe Snowfone zou vasthouden, zijn gezicht verlicht als door maanlicht, geluk en irritatie liepen daar door elkaar in vreemde patronen.
Ze waren samen achtendertig jaar getrouwd. Ooit, lang geleden, ontmoetten ze elkaar op een koekjesfabriek; zij boekhoudster, hij ingenieur. In haar herinnering had hij altijd wilde krullen gehad, dromerige ogen, bracht haar naar het Concertgebouw, las droge gedichten, gaf tulpen omdat ze goedkoop waren in het seizoen. Toen kwam Anouk, toen pannen luiers, nachten zonder slaap, nooit genoeg geld. Wouter bleef dromen, zij organiseerde het huishouden. Geen verwijt, alleen een stil akkoord. Maar soms vroeg ze zich, bitter van kou, af: droom je eigenlijk ooit nog iets over mij?
Ger, waarom sta je zo stil? een stem klonk van boven, alsof hij uit een oude televisie kwam. Wouter hing uit het keukenraam. Zal ik je helpen?
Ik kom eraan! riep ze, tilde de tassen op, haar vingers stijf van de kou.
Binnen was het warm, rook naar dennen en iets onbenoembaars. De boom stond, recht en vol, de slingers netjes samengerold.
Goed gedaan, prees ze, haar laarzen opwarmend in het halletje. En de ballen?
Samen versieren, toch? Wouter pakte haar boodschappentassen en droeg ze richting keuken. Thee?
Graag, ze hing haar natte jas aan de verwarming. En wanneer heb je je eindejaarsbonus eigenlijk gekregen?
Hij stokte, vulde het waterreservoir.
Eergisteren, antwoordde hij vlak. Wat dan?
Ik dacht maar, zei Gerda terwijl ze de boodschappen in de ijskast stopte. Kunnen we niet wat opzij leggen? Voor een nieuwe bank misschien. Of voor de verjaardag van de kleinkinderen.
Goed idee, stemde hij haastig in. Heb zelfs al de helft apart gelegd, in een envelop bovenop de kast.
De helft? Hoeveel kreeg je?
Veertienhonderd euro, draaide hij zich om met die vage blik van iemand die iets verzwijgt. Zevenhonderd apart gelegd, de rest gebruiken we voor het feest.
Gerda knikte, stopte de ham tussen de andere etenswaren. Ze probeerde niet te denken aan die Snowfone van negenhonderd.
De avond werd langzaam gemoedelijk. Ze versierden samen de boom, Wouter knoopte de lichtjes los en liet de kerstster een beetje scheef hangen.
Hij hangt scheef, merkte ze op.
Valt van veraf niet op. Het is mooi zo, zei hij, eindelijk moe.
Beetje naar links, Wout
Ach Gerda, laat nou, in zijn stem kronkelde een lichte vermoeidheid. Ik ben al een uur bezig met die ster.
Ze beet op haar lip. Wouter stapte van het krukje, bekeek het kunstwerk van een afstand, knikte.
Mooi zo, vind je niet?
Mooi, bevestigde ze. Zeker.
Hij ging naast haar zitten, arm om haar schouders. Buiten dwarrelde de sneeuw in verstomde cirkels, in de woonkamer fonkelden de lampjes. Het voelde even alsof alles klopte, als een zinloze maar schitterende droom.
Ger, fluisterde Wouter. Zullen we het dit jaar simpel houden met de cadeaus? Iets kleins, iets symbolisch?
Ze keek hem aan.
Ik heb je al wat gekocht, zei ze behoedzaam. Iets goeds. Je zult het vast mooi vinden.
Maar we zouden niets bijzonders doen toch? zijn gezicht was vol verwarring maar ook opluchting. Ik heb nog niet Ik loop morgen even!
Morgen is het de 30e, herinnerde ze hem. Het zal stormlopen.
Ik red het wel, antwoordde hij zonder overtuiging.
Ze pakte de kopjes, liep naar de keuken. Ze zag het al voor zich: hij zou het vergeten of zich haasten voor een doosje bonbons van het benzinestation. Zoals elk jaar.
Ze keek naar zichzelf in het raam, haar gezicht vaag gespiegeld in zwart glas: een vermoeide vrouw met zilveren haren die ze nooit verft. Wanneer was dat gebeurd?
Ger, kom je nog? Wouter riep. Laat het, kom slapen, morgen is een drukke dag.
Ik kom al, ze doofde het licht.
De ochtend van 30 december begon als een koude grap. Gerda was al voor de wekker wakker. Alleen het geruis van de Amsterdamse ringweg klonk van ver. Wouter sliep uitgespreid over het bed, murmelend in zijn slaap. Ze sloop uit bed, trok een oude kamerjas aan, liep naar de keuken; vandaag zouden de salades afgemaakt, het vlees gebraden, de tafel gedekt moeten worden. De avond bracht Anouk en haar man Paul met de kleinkinderen Luuk en Maud. Ze keek uit naar het bezoek, maar de gedachte aan Maud, die telkens klaagde dat ze niets wilde eten, en Luuk, gegrepen door zijn iPad, maakte haar nerveus.
Ze kookte de eieren, raspte biet voor de haringsalade. Alles met gesloten ogen, die routine zo oud als haar huwelijk.
Wouter kwam pas om negen uur binnen, met zijn haren in rare cirkels.
Goedemorgen, een kus in haar nek. Waarom al zo vroeg?
Werk te doen, haar handen sneden wortel na wortel. Ga zitten, ik bak wel een eitje voor je.
Ik neem een boterham. Hij smeerde zijn brood, zette koffie, verdween in zijn telefoon.
Ze observeerde hem, sneed verder.
Wouter, ga je vandaag nog dat cadeautje halen?
Oh, ja, dat was ik niet vergeten. Ik ga straks na de lunch.
Niet vergeten, hoor.
Komt goed, zei hij, ogen alweer op zijn mobiel.
Ze hield haar mond. Ergens wist ze: straks wordt het weer een haastige oplossing.
De dag gleed voorbij in opnieuw een surrealistisch ritme. Gerda kookte, schikte crackers, vulde glazen, rook aan warme boter. Wouter verdween naar de woonkamer, even later naar hun slaapkamerelke keer als ze naar het cadeautje informeerde, wimpelde hij af.
Ik ga, ik ga echt. Nog één aflevering van deze serie.
Het is straks donker!
Ik ben zo terug, Ger.
Hij ging, even voor vieren, met een klap van de deur. Op de keukentafel stond een berg borden, schalen met half gesneden groenten, de geur van gebraden kip, aardappel, mayonaise hing als een wolk. Gerda keek even om zich heen, roerde in de salade, liep naar de woonkamer. Op tafel de feestelijke loper; glazen en bestek klaar. Naast de boom lagen enkele pakjes, voor de kleinkinderen. En een groot, vierkant cadeau, strak verpakt in blauwe foliehaar presentje voor Wouter.
Ze streelde de hoek van de doos. Ze had lang getwijfeld: drie winkels bezocht, tientallen jassen bekeken, prijzen vergeleken. Uiteindelijk koos ze voor de stoere winterjas van “Noordwind”: dik, praktisch, veel zakken en vooral warm. Precies goed voor Wouter, wiens oude jas zorgwekkend dun was geworden. Het had haar honderdtwintig euro gekost, een forse uitgave. Maar ze had het hem gegund.
Wouter kwam terug, een uur later, met een tasje van de drogist. Zijn wangen kleurden als van vrieskou, of misschien iets heel anders.
Hier, het tasje belandde op de keukentafel. Ik hoop dat je het mooi vindt, de dame bij de Etos zei dat het in de mode is.
Gerda keek in het zakje. Een flesje parfum, merk onbekend, lichtblauwe verpakking.
Dank je. Haar stem vlak, als een hand die iets gladstrijkt.
Echt waar, zei Wouter. Het schijnt heel goed te zijn. Subtiel.
Ik krijg altijd huiduitslag van parfum, zei ze scherp. Weet je dat nog?
Hij werd rood.
Sorry. Ik vergat het. Ik ruil het wel morgen om
Laat maar, ze draaide zich weg. Laat het zo. Paul en Anouk komen over een uur.
Hij bleef staan, maakte zich klein, en vertrok richting woonkamer. Gerda stak het zakje achter in een kast en dekte zwijgend de tafel.
Tegen zevenen arriveerde Anouk met Paul en kinderen. Maud stormde het huis binnen, ellebogen vol sneeuw, plofte haar jas op de grond.
Waar is de boom, oma?
In de woonkamer, kijk maar, Gerda boog zich, omhelsde haar zacht.
Luuk volgde, zei niets, graaide naar zijn iPad. Anouk rolde met haar ogen.
Luuk, nu even niet! We zijn bij oma!
Laat maar, zei Wouter vanaf de bank. Kom maar zitten!
De chaos van voorbereidingen nam bezit van de ruimte. Paul kwam met een krat bier, Anouk zette haar worteltaart in de koelkast. Maud rende als een tornado door het huis, Luuk vond een hoekje voor zijn schermpje. Gerda bakte af, Wouter zette het servies recht.
Mam, ik help je wel, Anouk knoopte een theedoek om bij het binnenkomen. Het zal wel een druk jaar zijn.
Druk genoeg, bekende Gerda. Ik hou het vol.
Jij wel, glimlachte Anouk weemoedig. Was ik maar zo energiek, mam. Ik ben na werk óp. Paul trouwens ook. De kinderen je weet hoe het gaat.
Heb je met Luuk gepraat?
Alles is goed, zegt hij. Daarna Netflix.
Gerda wilde reageren, maar een bel onderbrak haarKees en Tine. De avond werd een wirwar van stemmen, lagendoorbracht in een waas van wijn, anekdotes, verhalen uit het verre verleden. De kinderen vlogen door de kamers, volwassenen lachten, proostten. Gerda zat aan het hoofd, glimlachend, maar soms voelde het of ze door een spiegel keek, haar gezicht een onbekende reflectie.
Om elf uur werden de cadeautjes uitgedeeld. Paul en Anouk gaven een dinerbon, Kees bracht een servies, kinderen kregen speelgoed en lekkers.
Nu wij! Wouter straalde, met zijn handen in de lucht alsof er niets gebeurd was.
Gerda overhandigde hem de blauwe doos.
Gelukkig Nieuwjaar, Wout, fluisterde ze toen nog.
Hij maakte de verpakking open: de winterjas glansde als een rare, blauwe vis op de bodem van een aquarium; dik en stevig, de bon in het binnenzakje.
Gerda, zijn stem schoot omhoog. Jeetje, dat is wel ehm Veel geld?
Ach, valt mee. Pas hem maar.
De jas paste als gegoten.
Mooi, pap! klapte Anouk in haar handen.
Dank je, Ger, hij gaf haar een rare knuffel. Echt fijn.
Nu was hij aan de beurt. Wouter viste onder de boom een doos vandaan, zilver met blauwe stippen, veel te groot voor chocola. Hij overhandigde hem aan Gerda, zijn blik vreemd opgetogen en schuldbewust.
Voor jou, open maar.
Gerda keek, voelde het doosje: licht, leeg? Ze opende het. Snowfone: de doos, de telefoon glanzend, onbeschadigd. In het hoekje de prijs: negenhonderdzesennegentig euro, zo absurd dat het leek alsof haar hoofd plotseling leegliep.
Wout? haar stem vervaagde.
Voor jou, onderbrak hij haastig. Voor de fotos met de kleinkinderen. De camera en al dat geheugen
Ze opende de doos, hield het toestel vast. Natuurlijk, duur en glimmend met zinloze functies. Haar oude deed het prima. Dit was niet haar wens, niet haar droom.
Wout, waar heb je het geld vandaan?
Bonus, te snel, ogen op de vloer. Ik had het toch gezegd?
Dat wist ze beter. Ze kon het zien in zijn doe-als-of-smile, zijn nerveuze vinger op het tafelkleed. De bonus was veel minder. Hij had het toestel voor zichzelf gekocht, wist ze nu. En toen ze zijn jas cadeau deed, had hij zich ineens schuldig gevoeld en de telefoon naar haar overgeheveld. Een leugen in blauwe verpakking als cadeau vermomd.
Mooi cadeau! riep Tine. Gerda, wat een luxe!
Gerda knikte, mechanisch.
Ze stond op, het doosje krampachtig tegen zich aangedrukt.
Sorry, ik moet even Naar de badkamer.
De spiegel weerkaatste een hoopje mens. Ze zat op het gesloten deksel, telefoon op haar schoot. Wat voelde ze nog behalve teleurstelling? Vermoeidheid, ergernis, het besef dat echte nabijheid sinds lang verdwenen was. Hij had haar enkel bedacht toen hij zijn droom niet durfde te verklaren. Ze wilde huilen, maar de tranen kwamen niet. Om de illusie, niet om het cadeau.
Na een tijd klopte Anouk zacht op de deur.
Mam? Gaat het?
Alles goed, probeerde Gerda haar stem te schrapen.
Ze waste haar gezicht koud, keerde terug; in de kamer glasses champagne, de avond die verder kabbelde in een soort tijdloosheid waar alles even droomachtig werd.
Pas s nachts, toen iedereen vertrokken was en Gerda weer alleen naast Wouter in de keuken stond met de afwas, viel de stilte honds hard als vorst.
Dank je, voor de jas, fluisterde Wouter.
Alsjeblieft.
Ik hoop dat de telefoon?
Ze hield haar handen in het sop.
Wout, die heb je niet voor mij gekocht, hè?
Hij verstijfde.
Gerda, ik wilde het ik weet het niet meer. Sorry.
Ze wilde schreeuwen, maar hield haar hoofd schuin; in zijn blik was wanhoop, liefde en dat kinderlijke wat hem altijd had gekenmerkt.
Laten we gaan slapen, zei ze. We zien wel.
In het bed draaiden ze zich om, elk in hun eigen kamerhelft. Het voelde alsof ze in een doorzichtige kubus lagen; de stilte tussen hen was zwaar en zacht tegelijk.
Ger, slaap je?
Nee.
Het spijt me. Echt waar.
Ze glimlachte flauw.
Je bent echt een dromer, hè?
Jij bent altijd sterker geweest. Ik probeer het wel.
Ze keek hem aan, dankzij het maanlicht zag ze alleen de omtrek van zijn gezicht.
Wout, wanneer heb je me iets gegeven dat ik echt wilde?
Lang bleef het stil.
Ik weet het niet meer. Heel lang geleden?
Misschien moeten we weer leren hoe dat werkt.
Hij knikte, zijn hand zocht de hare.
Zal jij het me leren?
Ze lachte zacht.
We leren het samen, Wout.
‘s Ochtends, toen de sneeuw nog dwarrelde als veren van een uitbundige eend, stond Wouter in de keuken omeletten te bakken. Brood lag klaar, koffie geurend, alles even bizar huiselijk als in een kinderboek.
Goed gedaan, zei Gerda, neerzakkend op een stoel. Voor het eerst voelde ze een heel klein beetje vrede.
Later die dag zat de Snowfone op tafel. Wouter vroeg: Als je hem niet wilt, nemen we hem samen, oké?
Ze knikte. Maar volgende keer zeg je het gewoon als je iets moois wilt uitgeven. Dan verzinnen we samen wat. Afgesproken?
Een opgeluchte glimlach, langzaam, als een zon achter een wolk.
Ze liep naar het raam. Af en toe, ergens in Amsterdam, daalde een fiets met een kind in winterjas rakelings langs het stoplicht. De stad werd langzaam wakker. Ze dacht aan vroeger, toen Wouter haar bloemen bracht zonder reden, toen zij appelcake bakte die niemand kon evenaren.
Ger! Kom kijken! riep Wouter enthousiast vanuit de woonkamer. Kijk deze foto van de boom, zo scherp!
Ze liep naar hem toe, liet zich in zijn arm trekken, voelde zijn warmte, zijn eenzaamheid, zijn blije verwondering. En ineens, wonderlijk als in een droom, voelde ze liefdezoals een sneeuwvlok landen kan op een warme want.
De dag werd donkerder. Ze zaten samen op de bank onder een te kleine plaid, deelden overgebleven taart, keken naar een oude film, vertelden elkaar zonder woorden: vandaag houden we vast wat nog rest van onze dromen.
Buiten begon het opnieuw te sneeuwen. Sterren verschenen tussen de wolken. Het nieuwe jaar lag als een wit laken voor hen uitgespreid, open en vreemd.
Ze zwegen, maar in hun stilte begon iets zachtjes te glanzen: misschien, heel misschien, konden ze leren weer te dromensamen, gewoon thuis, in het licht van een blauwe winterochtend.






