Jaloezie op het Randje

Afgunst aan de rand van het absurde

Ja, precies wat ik nodig heb! Hij zal nooit doorhebben dat het niet zijn verloofde is

Anneke stond voor de spiegel in haar onwerkelijk scheve slaapkamer, waar de muren leken te golven als de duinen bij Scheveningen. Ze keek in het zilveren glas dat drupte als regen op het raam en streek een losgeraakte lok achter haar oor alsof ze een veer in het water legde. Haar hart klopte als een paar lammetjes in een veld; wat ze zag, ging zelfs haar stoutste dromen te boven. Makeup, haar, gezichtsuitdrukking alles was tot in het vreemdste detail overgenomen van haar zus. Anneke hield haar adem in zoals bij het duiken in de Noordzee met haar zus lievelingsjurk aan leek zelfs haar moeder hen niet meer uit elkaar te houden.

Een glimlach gleed flinterdun over haar gezicht, maar meteen werd ze gegrepen door de tijd: de klok, een ouderwetse Friese staartklok, tikte langzaam richting het uur dat Daan zou komen. Nog twintig minuten. Haar binnenste trilde als druppels op een vensterbank. Alles moest perfect gaan, als een klomp die precies past geen misstap, geen vreemde toon in haar stem. Want als Daan haar zou ontmaskeren, zou heel haar zorgvuldig geknutselde plan zich als hagelslag over de vloer verspreiden. En dan zou haar zus Marije alweer winnen, zoals altijd.

Ze ademde diep in de geur van tulpen en zeezout sloeg haar om het hoofd en liep naar de voordeur. Precies op dat moment luidde de bel, als een kermiscarrousel in de verte. Anneke stond al klaar, pal in het magische midden van de drempel, en veegde een onzichtbare stofwolk van haar mouw. Ze opende de deur. Daan stond daar, zijn gezicht vaag en wazig als een schilderij van Mondriaan. Meteen veranderde haar gezicht in een zachte, bijna onwerkelijke glimlach, haar ogen vol fonkelende lichtjes alsof de herfstzon op het IJsselmeer weerkaatste.

Hoi, Daantje, zei ze met een stem zo zacht als boter op vers brood. Elk woord sprak ze uit zoals ze fluistert in een bibliotheek.

Voor hij kon antwoorden, stak ze haar neus in de lucht, gaf hem een vluchtige kus op de wang alsof ze een geheime boodschap achterliet op zijn huid. Alles moest exact zoals ze het had geoefend: geen krul te veel of te weinig, geen druppel emotie te veel. Een toneelstukje dat zich door de kamer slingerde als de rook van oude pijptabak.

Kom verder, wil je koffie? bood ze aan, met een gratie die deed denken aan een serveerster in een oud Amsterdams café. De zorgzaamheid in haar stem klonk als het tikken van regen tegen de ramen, al was dit geen gewone avond maar een haast droomachtige operatie.

Daan fronste kort alsof hij op een onverwachte bitterbal had gebeten op zoek naar verborgen bedoelingen. Maar al snel boog zijn mond in een schalkse grijns. Wat voerde de zus van zijn verloofde nu weer uit? Waarom deed ze zó haar best om Marije te zijn? Hij besloot het toneelspel mee te spelen, knikte en volgde Anneke haar surrealistische huis binnen.

Anneke scharrelde in de keuken, waar de pannen zachtjes wiegden als gondels op de grachten. Haar wangen deden pijn van de glimlach, haar gebaren waren jachtig terwijl ze kopjes koffie en blauw Delfts porselein klaarmaakte. Af en toe dwaalden haar ogen naar de fles dure wijn die stil en dreigend in een hoekje lag, klaar om het perfecte moment af te wachten. Ze wist het: Daan dronk zelden, zijn lichaam kon alcohol nauwelijks verdragen, maar één glaasje als de stemming goed was vond hij nog wel Hollands gezellig. Dat had ze nodig: dat beetje losheid, een kruimel onoplettendheid. Dan zou haar plan slagen.

Terwijl Anneke met de koffiekan in gevecht was, nam Daan met gekruiste armen plaats achter de keukentafel alles leek te dwarrelen om hem heen: beschadigde molentjes, schuine kaasplankjes, een verdwaalde stroopwafel. Zijn blik was spottend, nieuwsgierig, een beetje als een spreeuw op een electriciteitsdraad. En opeens was daar zijn stem, helder als de bel bij de slijterij:

Anneke waarom al die moeite eigenlijk? vroeg hij, zijn stem zacht en direct. En waar is Marije? Als dit een grap is, is ie niet heel scherp.

Anneke bevroor, zo stil als de polders bij mist, haar ogen vol aarzeling. Maar ze ving zich op, schilderde een gespannen glimlach op haar gezicht en antwoordde zo luchtig als ze kon:

Hoe wist je het? Geen grap, het is een soort experiment. Marije weet van niets.

Daan wiebelde met zijn wenkbrauwen, roerde zwijgend in zijn koffie alsof hij een geheimpje los probeerde te krijgen uit de bruine draaikolk. Hij wachtte, liet haar spartelen tussen dijken en sloten.

Jullie zijn toch zo verschillend, ondanks dat je tweeling bent, zei hij. Mij lijkt het onmogelijk om in de war te raken.

Nog voor ze kon reageren, trok hij een mobieltje uit zijn jaszak, deed iets in het blauwe schermlicht, en schoot een berichtje naar zijn Marije: waar ben je nu? Even lichtte zijn gezicht op, daarna doofde het als een straatlantaarn in de vroege ochtend.

Wat is nou eigenlijk het doel van jouw experimentje? vroeg hij nogmaals.

Anneke schoof op haar stoel, keek naar haar thee. Ze nam een piepklein slokje, als om moed te verzamelen. Haar stem werd ineens sneller, alsof ze over een gladde brug gleed:

Zie je, iedereen verwart ons. Jij zegt dat we anders zijn, maar zelfs onze moeder twijfelt vaak als we er hetzelfde uitzien. Dezelfde jurk, hetzelfde kapsel twee druppels regen op dezelfde ruit. Soms is dat echt naar. Zeker met jongens. Mijn ex-vriendje sprak ooit tegen Marije, want zij stond nu eenmaal dichterbij. Of Marije wilde jouw vriend spreken, maar die zag haar aan voor mij en vertelde haar dingen die zij helemaal niet wilde weten

Waarom verander je je haar niet gewoon? stelde Daan voor, hoofd schuin, als een kat die een vogel bekijkt. Hij kende Marije die had vaak gezegd dat Anneke fel tegen elke verandering was. Het leek zelfs of ze het leuk vond dat ze verwisselbaar bleven, en Marije schikte zich wel.

Anneke trok haar neus rimpelend op alsof ze een citroen proefde.

Niet leuk toch? We hebben elkaar ooit beloofd tot onze afstuderen niet aan ons uiterlijk te sleutelen. Onuitgesproken regel. Bovendien Ze zweeg kort, een ondeugende glimlach op haar lippen. Soms is het nuttig. Zelfs docenten halen ons door elkaar.

Ze lachte kort, haar stem als kermismuziek in een lege straat.

Mmm, duidelijk, zei Daan bedenkelijk. Op dat moment trilde zijn telefoon een nieuwe appgeluid, dof als een kerkklok in de verte. Hij las snel, knikte, zijn blik werd glashelder. Marije zit in ons stamcafé aan het Rembrandtplein op me te wachten. Geen idee dat ik hier ben.

Hij keek Anneke aan, zijn blik vol vage sympathie.

Rustig maar, ik vertel haar niks. Ik snap wel dat het lastig is tussen zussen. Geen gedoe door mijn schuld.

Anneke voelde iets smelten in haar borstkas, een warmte die bleef hangen als de geur van versgebakken brood. Ze knikte dankbaar.

Dank je, Daantje. Je bent echt een goede gozer.

Tot ziens dan maar, zei hij opgewekt, en stond op. Ik zal niet te lang wegblijven straks denkt Marije nog dat ik in de grachten gevallen ben.

De deur klikte dicht, een geluid als een fluistering in het donker. Anneke bleef alleen achter in een bijna onwerkelijke stilte, waarin alles bewoog alsof ze onder water was. Ze liet zich langzaam op een stoel zakken en kneep haar handen zo strak om de rand, dat haar knokkels wit werden. Waarom had niets gewerkt? Waarom trapte hij er niet in niet in haar spiegelbeeld, niet in haar trucjes, niet in haar droevige droom?

Gedachten draaiden rond en rond, als reuzenraderen op de kermis van Haarlem. Ze herinnerde zich Daans eerste verschijning in hun leven zijn glimlach als een vers geschilde appel, zijn houding net zo ontspannen als een visser aan het IJ. Elke keer als hij verscheen, voelde Anneke haar pols als bliksem en haar handpalmen werden klam, als brooddeeg dat moest rijzen. Ze oefende zinnen, stelde zich gesprekken voor langs grachten en over bruggen, maar altijd hield iets haar tegen angst om afgewezen te worden, bang het fragiele evenwicht met Marije te verstoren.

En Marije Marije was alles wat Anneke niet was. Springend als een hinde door de zonovergoten weilanden, altijd met mensen om haar heen, haar glimlach als een veld vol narcissen. Op feestjes was ze de zon, en zelfs haar studie deed ze fluitend, haalde voldoendes zonder een nacht door te leren.

Anneke werd er bitter van. Ze was bedachtzaam, introverter, hield meer van een roman in het avondlicht dan van dansen op festivalmuziek. Als Marije haar uitnodigde om te komen, wees ze vaak af. Geen tijd voor onzin, zei ze dan, denkend aan studeren.

En nu, als ze terugdacht, vroegen haar gedachten zich af of het niet anders had gemoeten. Had ze moeten meegaan? Wat als Daan dan háár had gezien de serieuze, doordachte, betrouwbare? Maar nee, hij werd verliefd op Marije impulsief, stralend, onweerstaanbaar.

Het lag niet alleen daaraan: Marije stond altijd vanzelf centraal. Ze was niet bezig met indruk maken het gebeurde gewoon. Terwijl Anneke zich kapot dacht en zo altijd in de schaduw bleef.

De geluidloze avonden, als de zon donkerrood in de gracht zakte, gaven ruimte voor de vraag: had ze zich in haar eenzaamheid vergist? Misschien. Steeds opnieuw stelde ze zich een andere Anneke voor, wild en losbandig, en misschien wel gelukkiger.

Toen Marije tijdens het familiediner vrolijk vertelde over haar voorgenomen huwelijk, voelde Anneke iets in zich knakken als een Twentse wilgentak in de storm. Ze lachte, feliciteerde haar zus, maar als een valse echo herhaalde haar hoofd: Dat mag niet waar zijn. Die avond speelde ze toneel, terwijl binnen alles leeg was.

Slaap ontvluchtte haar. Duizelende gedachten stormden door haar hoofd tot ten slotte een plan werd geboren, kristalhelder als bevroren water onder het kroos: als Daan Anneke zou kiezen, per ongeluk, als haar charme werkte en Marije hen samen zou zien, was het voorbij. Niemand zou Daan meer willen dat leek haar gerechtigheid.

Alles werd voorbereid: wijn uit de schappen van Albert Heijn, de juiste zinnen, het lichtsnoer boven de tafel. Anneke repeteerde Marijes bewegingen, haar halve glimlach, de manier waarop ze haar haar achterover wierp. Tot op de dag van de operatie, toen haar zenuwen haar liet zweten, alles mislukte. Daan had haar direct door, wikkelde het spel gauw af en liep de nacht in, terug naar die andere werkelijkheid.

Nu zat Anneke in haar kamer, starend naar een punt dat alleen zij in de droom kon zien. Haar droom leek door de molensnaren van het verleden geblazen de tijd ging gewoon verder, de bruiloft naderde, en zij had niets veranderd.

Ik moet iets nieuws verzinnen, fluisterde ze tegen het donkere behang, haar handen als vogels om de tafelrand geklemd. Voor het te laat is. Wars van logica, dwarrelden plannetjes als herfstbladeren door haar hoofd maar geen enkele leek stand te houden in het licht van de eeuwige ochtend.

***

Weken gleden als boten door het riet. Toen, op een zaterdagmiddag waarop de lucht rook naar appeltaart, verzamelde Marije alle mensen rond de eettafel in het ouderlijk huis in Utrecht en strooide ze stralend en bibberend van vreugde haar nieuwtje uit: Ik ben zwanger! Haar ogen twinkelden als goudgeel Amsterdams herfstlicht, haar stem trilde als een fietswiel over kinderkopjes. De ouders grapten en maakten plannen voor beschuit met muisjes, met Eurotekens in hun ogen.

Anneke zat stil, haar handen om een koude theemok gekruld als tulpen in de winter. Haar glimlach deed pijn. Binnenin haar prikte iedere zin van Marije, elk stralend gezicht van haar ouders, als spelden meegezogen in de wind.

In een ondoorgrondelijk moeras van gedachten, stelde ze zich de toekomst voor: gezinsdiners met Daan als wettige schoonzoon, vieringen waar hij vrolijk de hand van Marije omklemde en trots was op haar buik. Steeds opnieuw beet het vergezicht haar het was teveel voor haar verstilde hart.

Wanhopig, als een hert dat vlucht voor de jager in het duin, vatte Anneke een nieuw plan, veel donkerder dan de vorige. Wat was feller dan het pijnlijke verlies van een vervulde kinderwens? In haar kille droom leek het de enige logische uitweg.

De volgende dagen was Anneke stil en doelgericht. In haar hoofd wisselde de werkelijkheid zich af met onrealistische scènes als een schilderij dat telkens verandert als je even niet kijkt. Dit keer ging ze nog verder: ze vond een arts, een kennis die voor vijfhonderd euro bereid was een middel tevoorschijn te toveren. Iets onschuldigs dat ongemak zou veroorzaken, zei hij, anoniem schichtig. Haar handen trilden, haar hart hamerde, maar in haar ogen brandde een koude vastberadenheid zoals in een winterstorm.

Op een mistige ochtend zat Marije op de bank, de handen om haar groeiende buik gevouwen, haar blik warm en vol vertrouwen. Anneke, als een schaduw, schonk sinaasappelsap in, haar stem zo licht als een Noordzeegolfje:

Wil je sap? Ik heb speciaal jouw favoriete meegenomen.

Dank je wel! In Marijes gezicht gloorde oprechte blijdschap. Ze pakte Annekes hand, kneep er eventjes in. Je bent echt de liefste zus.

Anneke stond als bevroren, een gil vanbinnen. Maar ze herpakte zich:

Komt eraan, antwoordde ze, stem stug.

In de keuken trok ze het pak open, schonk het sap in het glas. Haar hand wreef over de pil in haar jaszak, als een haastige rat door de straten van Amsterdam. Maar plotseling bleef ze stokstijf staan. Haar blik gleed langs het glas, de pil, en toen, als door een mistige weide, reizend naar de ogen van haar zus zo kinderlijk blij, zo open. Beelden schoten voorbij: lachende Marije, de blije ouders, Daans zachte aanraking.

Was dit wat ze wilde doen? Iets in haar brak een dijk die het begaf. Nee dit kon ze niet. Ze mocht niet. De pil viel geluidloos op het aanrecht, als een gevallen zonsopgang.

Anneke? Is er iets? Marije stond plots achter haar in de keuken, haar ogen vol zorg. Je bent zo bleek moet ik de huisarts bellen?

Anneke ontmoette de blik van haar zus, en plotseling zag ze écht zag ze wat ze altijd had verdrongen. Het vertrouwen, de band, het geluk dat ze samen konden hebben het was zo onschuldig en zo zeldzaam.

Nee, alles goed. Even duizelig. Tuurlijk, hier je sap. Ik pak voor mezelf ook wat. Haar stem was dun, haar woorden sprongen als kikkers over het water. Ze zette water op voor thee, haar handen trilden een beetje.

Terwijl ze de blaadjes liet trekken, voelde ze alles in zich deinen tussen verleden en toekomst. Zo dicht bij het randje was ze geweest, zonder zich te realiseren dat ze allang verdwaald was op de vlaktes van haar hoofd. Zo makkelijk was het om boosheid en afgunst te laten groeien tot donkere struiken die alles overwoekerden.

Ze keek naar Marije, die vrolijk over het weekend praatte. Wat voelde zich zwaar zwaarder dan de mist boven de weilanden. Maar ze wist, diep vanbinnen: deze demonen waren niet haar ware ik. Ze had hulp nodig, échte hulp. Het was geen schande om het toe te geven het was gewoon de waarheid. Misschien moest ze er met iemand over praten. Iemand die haar wakker kon schudden uit deze gekmakende droom.

Waar denk je aan? vroeg Marije met haar hoofd scheef, haar hele gezicht een groot vraagteken.

Ach, van alles en nog wat. Werk, studie, dingen die zich opstapelen. Misschien moet ik eens praten met iemand, een professional, mompelde Anneke.

Dat was niet helemaal waar, maar Marije slikte het zonder vragen. Anneke luisterde verder, knikte af en toe, en uit haar verstardheid bewoog zich een nieuwe kracht omhoog. Geen opluchting, eerder de kalme vastberadenheid om haar donkere gedachten niet langer te laten heersen. Ze zou zich herpakken, zichzelf hulp gunnen. Want op het spel stond meer dan haar eigen geluk: het ging om familie, om zussenliefde, om haar eigen toekomst.

Ze besefte: de eerste stap was eerlijkheid tegen zichzelf en misschien tegen een ander. Ik ben verdwaald. Het is zwaar. Maar ik kan veranderen.

***

Enkele maanden later schonk Marije, in een geur van bloeiende lindebomen en natte stenen, het leven aan een meisje dat op een regenboog leek te slapen. Een roze wolk van liefde verspreidde zich door het huis in Utrecht. Opas handen trilden van trots, oma spon wollen sokjes voor de kleine, de ouders brachten stapels luiers, knuffels en stroopwafels. Daan en Marije zaten als halve slaapwandelaars naast het wiegje, hun geluk als een optocht door de binnenstad.

Maar vooral werd de kleine aanbid door Anneke, tante Anneke, die met elke dag wat meer op haar voeten landde. Eerst kwam ze om haar zus te sparen ze kookte flink wat boerenkool, bracht boodschappen en verschoonde luiers. Maar al snel bleef ze langer hangen, bekeek de piepkleine vingertjes, zong wiegeliedjes die ze alleen zelf kende. Ze kocht schattige sokjes en bontgekleurde rompertjes met koeien en molentjes, verbaasde zich over elke grimas van haar nichtje.

Langzaam werd Anneke voor de kleine niet zomaar een tante, maar een echte vriendin. Ze bouwde tenten van lakens, prutste met blokken, liet kleurrijke boekjes door kleine handjes gaan. Toen het meisje haar eerste stapjes zette, hield Anneke haar hand vast als een anker in een Amsterdamse storm.

Marije zag het warme bondje groeien, en op een avond, toen de wieg zacht piepte en het speelgoed was opgeruimd, kwam Marije naar haar toe: Dank je wel. Ik zie hoe je haar liefhebt. Ze boft zo met zon tante.

Anneke lachte schuchter. Het zorgen voor haar nichtje bracht haar nieuwe rust. In eenvoudige dingen de lach van een kind, de kus van een zus vond ze datgene waar ze zolang naar gesmacht had: het gevoel erbij te horen. Liefde zonder voorwaarden.

Daar, in het zachte avondlicht, begreep Anneke eindelijk: het leven laat je soms struikelen in je dromen, maar juist in de zorg voor anderen vind je een weg terug naar jezelf en naar geluk, dwars door alle mist en afgunst heen.

Rate article